Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.3.1
5.3.1 Plaats van het ontbreken van een goede reden
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
De artikelen 287 en 288 Sv regelen ook de oproeping ingeval de officier van justitie een getuigenverzoek op ontoereikende gronden heeft afgewezen, de hernieuwde oproeping van een niet ter zitting verschenen, maar wel door de officier van justitie opgeroepen getuige en het afzien van het horen van ter zitting verschenen getuigen.
Dit beknopte overzicht doet geen recht aan de complexiteit van de wettelijke bepalingen. Voor de vraag of het ondervragingsrecht is gerespecteerd is van belang of een getuigenverzoek tot de zittingsrechter is gericht. Alleen op dergelijke verzoeken hoeft de zittingsrechter een beslissing te nemen. Een getuigenverzoek dat tot het openbaar ministerie is gericht, leidt – wanneer het niet tot de verschijning van de getuige heeft geleid – alleen tot een beslissingsverplichting wanneer het verzoek ter zitting is herhaald. Zie artikel 287 lid 3 Sv en HR 1 juli 2014, NJ 2014, 441, r.o. 2.20.
Zie over de vraag of het beslismodel dat de Hoge Raad hanteert op dit punt in overeenstemming is met de Straatsburgse jurisprudentie § 7.4.1 van hoofdstuk 2.
Zie hierover ook Hermans & Meijer 2007.
Zie bijvoorbeeld HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2943.
Zie bijvoorbeeld HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7083. Sinds HR 1 juli 2014, NJ 2014, 441, r.o. 2.75 zal het enkele feit dat een gerechtshof niet de juiste beoordelingsmaatstaf heeft aangelegd niet meer tot cassatie leiden.
Zie bijvoorbeeld HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7139.
Zie uitvoerig HR 1 juli 2014, NJ 2014, 441.
Het Wetboek van Strafvordering bevat een flink aantal bepalingen met betrekking tot het doen van verzoeken tot oproeping van getuigen. Ook bevat het gronden voor afwijzing van getuigenverzoeken. Welke afwijzingsgronden van toepassing zijn, is onder meer afhankelijk van de fase in de procedure waarin een getuigenverzoek wordt gedaan. Is een verzoek voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg gedaan, dan zijn de regels van de artikelen 263, 264, 287 en 288 Sv van toepassing.1 De artikelen 410, 414 en 418 Sv regelen de afwijzing van getuigenverzoeken die voorafgaand aan de zitting in hoger beroep zijn gedaan. Wanneer een verzoek tijdens de zitting in eerste aanleg of in hoger beroep is gedaan, geven de artikelen 315 en 418 Sv aan op welke manier de rechter het verzoek moet beoordelen.2
Waar het al dan niet hebben bestaan van een goede reden in de EHRMjurisprudentie één van de beoordelingsfactoren is aan de hand waarvan wordt beoordeeld of het ondervragingsrecht is gerespecteerd,3 kan over de onjuiste toepassing van de hiervoor genoemde regels in cassatie zelfstandig worden geklaagd. Voor zover een geïntegreerde klacht over het ondervragingsrecht wordt ingediend, waarin behalve over de toepassing van deze regels ook wordt geklaagd over het gebruik van de getuigenverklaring voor het bewijs, zal de Hoge Raad de twee klachten doorgaans separaat onderzoeken.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot getuigenverzoeken blijkt dat drie kwesties dikwijls een rol spelen.4 Ten eerste de vraag of de rechter wel een beslissing heeft genomen op het verzoek,5 ten tweede de vraag of de rechter de juiste beoordelingsmaatstaf heeft toegepast bij afwijzing van het verzoek6 en ten derde de vraag of de afwijzing op basis van die maatstaf – alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen – begrijpelijk is.7 Wanneer de Hoge Raad van oordeel is dat het gerechtshof ten onrechte geen beslissing heeft genomen op een getuigenverzoek, een onjuiste beoordelingsmaatstaf heeft toegepast of een getuigenverzoek op ontoereikende gronden heeft afgewezen, zal hij om deze enkele reden het arrest van het gerechtshof kunnen vernietigen.8