Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/5.3.2.1:5.3.2.1 Algemeen
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/5.3.2.1
5.3.2.1 Algemeen
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS484606:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226 (m.nt. Schalken); NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007) (m.nt. Van Kempen), § 96; EHRM 5 november 2002 (Allan t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2004, 262 (m.nt. Schalken (onder NJ 2004, 263)), § 43; en EHRM 12 mei 2000 (Khan t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2002, 180 (m.nt. Schalken), § 35 en 37.
Schalken, noot onder EHRM 12 mei 2000 (Khan t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2002, 180, pt. 2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de betrouwbaarheid van het bewijs als grondslag van het recht tegen gedwongen zelfbelasting, ligt de nadruk op het afleggen van onjuiste en/of onvolledige verklaringen onder druk van de autoriteiten, dus zonder dat de verdachte dat wil. Zijn wil is dan erop gericht zich te ontdoen van de op hem uitgeoefende dwang. Doordat hij zijn verklaring kan (doen) manipuleren, raakt de waarheidsvinding op de achtergrond of verdwijnt die zelfs geheel uit beeld. Het EHRM verwoordt dit zo, dat dwang ertoe kan leiden dat de verdachte in strijd met de waarheid verklaart of anderszins zijn medewerking aan een onderzoek verleent waaruit onbetrouwbaar bewijs voortvloeit.1
Relatie onrechtmatige bewijsgaring en risico onbetrouwbaarheid bewijs
In zijn noot onder het arrest Khan wijst Schalken erop dat het Hof meer dan eens een relatie heeft gelegd tussen de onrechtmatigheid van de bewijsverkrijging en het risico van onbetrouwbaarheid voor de bewijsvoering. Dit past in een bredere trend in de Straatsburgse rechtspraak, waarin een beslissend accent wordt gelegd op de (on)vrijwilligheid waarmee een verdachte aan het bewijs in zijn zaak heeft meegewerkt. Daarbij wijst Schalken erop dat het Hof in Khan (betreffende het gebruik van afluisterapparatuur in relatie tot art. 8 EVRM) uitdrukkelijk belang hecht aan de omstandigheid dat de van de klager afgeluisterde verklaringen vrijwillig waren afgelegd.2
Toetsing kwaliteit bewijs aan art. 6 EVRM
Dat het Hof oog heeft voor de betrouwbaarheid van het bewijs, volgt ook uit de aandacht die het bij de (meeromvattende) toetsing van art. 6 EVRM heeft voor de kwaliteit ervan. In § 3.6 bleek dat het Hof bij de toetsing of het tegen de verdachte ingebrachte bewijs heeft geresulteerd in een onbehoorlijk strafproces, onder meer nagaat of de omstandigheden waaronder dat bewijs is verkregen, aanleiding zijn voor twijfel over de betrouwbaarheid daarvan.