Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 8 oktober 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:215.
HR, 19-12-2025, nr. 25/00061
ECLI:NL:HR:2025:1963
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-12-2025
- Zaaknummer
25/00061
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1963, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑12‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1014
ECLI:NL:PHR:2025:1014, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1963
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑01‑2025
- Vindplaatsen
Uitspraak 19‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Internationaal privaatrecht. Erkenning en tenuitvoerlegging. Caribische zaak. Vrouw verzoekt veroordeling van man in Curaçao tot hetgeen hij verschuldigd is o.g.v. uitspraak van Engelse rechter. Erkenningsprocedure op voet van art. 431 lid 2 Rv Curaçao. Klachten in principale en incidentele beroep over toepassing van Gazprombank-criteria (ECLI:NL:HR:2014:2838), o.a. over forum actoris en over stilzwijgende forumkeuze als bevoegdheidsgronden die naar internationale maatstaven al dan niet algemeen zijn aanvaard.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/00061
Datum 19 december 2025
ARREST
In de zaak van
[de man],
wonende in de Verenigde Arabische Emiraten,
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de man,
advocaten: J.W.H. van Wijk en R. de Graaff,
tegen
[de vrouw],
wonende in het Verenigd Koninkrijk,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de vrouw,
advocaten: R.R. Verkerk en A. Stortelder.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak CUR202003576 van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 31 oktober 2022;
b. de vonnissen in de zaak CUR202003576 - CUR2022H00346 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 19 maart 2024 en 8 oktober 2024.
De man heeft tegen het vonnis van het hof van 8 oktober 2024 beroep in cassatie ingesteld.
De vrouw heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor de vrouw mede door H.A.A. Essebai en S.E. Berkhof.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili strekt tot verwerping, zowel in het principale cassatieberoep als in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep.
De advocaten van de man hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De vrouw heeft de Japanse en Portugese nationaliteit. De man heeft de nationaliteit van Irak, Portugal en het Verenigd Koninkrijk.
(ii) Partijen zijn in 1969 met elkaar gehuwd in Japan. Na hun huwelijk zijn partijen gaan wonen in Koeweit. In 1987 zijn partijen verhuisd naar het Verenigd Koninkrijk en in 1994 naar Portugal.
(iii) In oktober 2014 zijn partijen gescheiden van elkaar gaan wonen. De vrouw is van Portugal naar de Verenigde Staten gereisd, waar zij enkele maanden bij haar dochter heeft verbleven, en is vervolgens verhuisd naar het Verenigd Koninkrijk. De man bleef woonachtig in Portugal en in de Verenigde Arabische Emiraten.
(iv) Op 6 januari 2015 heeft de vrouw een echtscheidingsverzoek ingediend bij de Engelse rechter. Nadien heeft de vrouw een verzoek tot alimentatie en verdeling van het huwelijksvermogen ingediend bij de Engelse rechter.
(v) Op 9 maart 2015 heeft de man een echtscheidingsverzoek ingediend bij de Portugese rechter. De Portugese rechter heeft de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
(vi) Op 20 maart 2015 heeft de man een islamitische scheiding in de vorm van een talaq bewerkstelligd, die op 23 maart 2015 is bevestigd door een shariarechtbank in de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: de talaq). De vrouw is hiervan op 8 juli 2015 op de hoogte gebracht.
(vii) Op 12 oktober 2016 heeft de Family Division van de High Court of Justice of England and Wales (hierna: de High Court of de Engelse rechter) uitspraak gedaan in een Judgment en een Order, waarbij ervan is uitgegaan dat het huwelijk van partijen is ontbonden door de talaq. De High Court heeft geoordeeld dat de vrouw gerechtigd is tot 50% van het tijdens het huwelijk van partijen opgebouwde vermogen, hetgeen neerkomt op een bedrag van GBP 61.559.339,--. Judgment en Order van 12 oktober 2016 van de High Court worden hierna tezamen aangeduid als de beslissing van de Engelse rechter.
(viii) De man houdt aandelen in een in Curaçao gevestigde vennootschap, Tidewell Corporation N.V. De vrouw heeft beslag laten leggen op deze aandelen. Bij vonnis in kort geding van 21 december 2021 heeft het gerecht in eerste aanleg van Curaçao een verzoek van Tidewell Corporation N.V. tot opheffing van dit beslag afgewezen.
2.2
In deze procedure vordert de vrouw op grond van art. 431 lid 2 Rv Curaçao (hierna: RvC) dat de man wordt veroordeeld tot betaling van GBP 61.559.339,--, zijnde het bedrag waartoe de man in de Engelse procedure is veroordeeld, verminderd met het reeds geïnde, dan wel de tegenwaarde daarvan in Nederlands Antilliaanse Guldens.
2.3
Het gerecht heeft bij vonnis van 31 oktober 2022 de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van GBP 61.559.339,--, althans NAf 146.685.774,88. Voor zover in cassatie van belang heeft het daartoe als volgt overwogen:
“4.7. [De vrouw] stelt (…) dat [de man] in de procedure bij de High Court geen bezwaar heeft gemaakt tegen de bevoegdheid en aldus sprake is geweest van een stilzwijgende forumkeuze. [De man] betwist dit en stelt dat hij die bevoegdheid van de Engelse rechter uitdrukkelijk heeft betwist.
4.8.
Dat [de man] de rechtsmacht van de Engelse rechter heeft betwist in de echtscheidingsprocedure is tussen partijen niet in geschil. Niet blijkt echter dat [de man] de rechtsmacht van de Engelse rechter ook heeft betwist in de vermogensrechtelijke procedure. In tegendeel, de Engelse rechter van de High Court heeft in zijn Judgment in rechtsoverwegingen 44, 45 en 46 onder meer het volgende overwogen:
44. Specifically, in relation to his submission to this jurisdiction, these are not Divorce proceedings; these are the financial proceedings after a foreign divorce and the husband has engaged with and submitted to the jurisdiction in respect of this application. By paragraph 7 of the order of Mostyn J of 31 July 2015, the application was amended so that it takes as its jurisdiction the wife's habitual residence in England from 1 January 2015 to 1 January 2016. That jurisdictional basis has never been challenged by [the husband], and I know of no basis upon which it could have been.
45. After the wife applied for Part III relief there are some 62 communications from the husband's Portuguese lawyers (PLMJ) to the wife's solicitors. There are 15 directly to the Court. There are another 8 variously to counsel's chambers, the wife's solicitors and one to the National Crime Agency. None of these letters is marked, "without prejudice to or submission to the jurisdiction". On the 31 July 2015 Mr Justice Mostyn gave the wife permission to apply under Part III. The husband had notice of that hearing but did not attend, nor instruct others to make representations on his behalf (he had only dispensed with his solicitors four days earlier). Crucially:
a. The husband has not applied to discharge that permission.
b. He has not sought any relief for any sanctions by reason of his non-attendance.
c. He has brought no applications challenging the jurisdiction of the Court to make Part III applications.
d. He has not appealed this order.
46. [...] I am satisfied that in none of the 5 statements which he has filed in these proceedings since the grant of permission was made, has the husband set out, or attempted to set out, any grounds upon which he might have attempted to challenge the court's jurisdiction. Indeed, on the contrary, he has been keen to provide written evidence, in so far as he thought that it might assist him, within these proceedings.
Voorts heeft de Engelse rechter in de Order het volgende overwogen:
The court has within its Judgment of the same date as this order made the following findings:
[...]
b. whilst the respondent has repeatedly challenged the Court's jurisdiction to hear a divorce petition, he has at no time challenged the Court's jurisdiction to hear a Part III of the 1984 Act application in respect of which the applicant has been habitually resident in England and Wales for at least the year 1 January 2015 to 1 January 2016. [...]
Daarnaast heeft de Court of Appeal bij Order van 20 maart 2017 ook overwogen:
[...] "the applicant had submitted to the jurisdiction" [...]
4.9.
Op grond van voorgaande overwegingen kan worden vastgesteld dat [de man] in de vermogensrechtelijke procedure is verschenen, dat hij in die procedure geen beroep heeft gedaan op de onbevoegdheid van de Engelse rechter ten aanzien van de vermogensrechtelijke vordering van [de vrouw] en dat hij daartegen verweer heeft gevoerd. Hieruit kan worden afgeleid dat [de man] zich ten aanzien van de vermogensrechtelijke vordering vrijwillig heeft onderworpen aan de rechtsmacht van de Engelse rechter. Aldus is sprake van een stilzwijgende forumkeuze. Naar internationale maatstaven is dit een algemeen aanvaardbaar bevoegdheidsgrond. Dit brengt mee dat is voldaan aan het eerste vereiste voor erkenning van de Engelse beslissing.”
2.4
Het hof heeft het vonnis van het gerecht bevestigd en de man veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.1.Voor zover in cassatie van belang heeft het daartoe het volgende overwogen:
“beoordeling Hof internationale aanvaardbaarheid
4.17
Naar het oordeel van het Hof is voldoende komen vast te staan dat de UK-rechter zijn bevoegdheid heeft aangenomen op gronden die naar internationale normen algemeen aanvaardbaar zijn. Voor dit oordeel sluit het Hof (met partijen) aan bij de inhoud van de door partijen genoemde twee Verordeningen, die gelet op de Europese context van deze zaak (met in de UK en in Portugal aangespannen procedures) relevant moeten worden geacht.
4.18
Daarbij geldt dat Brussel II-bis Vo (waarbij de UK in 2016 lidstaat was) alleen van toepassing is op procedures die strekken tot echtscheiding en niet op zelfstandige verzoeken inzake huwelijksvermogensrecht. Op die laatste verzoeken is de HuwVo (daterend uit 2016, waarbij de UK nooit lidstaat is geweest) van toepassing, maar alleen voor zaken die op of na 29 januari 2019 aanhangig zijn gemaakt. Dit alles doet niet af aan het belang van beide Verordeningen als aanknopingspunten voor de toets of de grond waarop de UK-rechter zijn bevoegdheid heeft aangenomen internationaal algemeen aanvaardbaar is.
4.19
In beide Verordeningen is het uitgangpunt dat de gewone verblijfplaats van verzoeker als grond voor bevoegdheid kan worden aangenomen als deze daar tenminste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek zijn of haar gewone verblijfplaats had. De UK-rechter heeft deze grond toegepast op het op 13 januari 2016 ingediende “Application for Financial Relief”, welk verzoek nog niet eerder behandeld en beoordeeld was en heeft vervolgens geconstateerd dat de vrouw één jaar voorafgaand aan deze datum haar gewone verblijfplaats in de UK had.
(…)
geen stilzwijgende forumkeuze
4.22
Ten overvloede overweegt het Hof als volgt. Anders dan het Gerecht (in 4.9) is naar het oordeel van het Hof geen sprake van een (geldige) stilzwijgende forumkeuze door de man, gelet op alle omstandigheden van dit geval. Vast staat dat de man in de echtscheidingsprocedure in de UK de bevoegdheid heeft betwist. Vervolgens heeft hij zelf zowel in Portugal als in de Verenigde Arabische Emiraten echtscheidingsprocedures aanhangig gemaakt. Daarmee rijmt niet dat hij zou instemmen met een (afzonderlijke) beoordeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding door de UK-rechter. Zijn proceshouding in de procedure bij de UK-rechter (intrekking van het mandaat van zijn UK-advocaten, afwezigheid bij de zittingen) wijst daar ook niet op. Dat de Portugese advocaten van de man kennelijk wel hebben gecommuniceerd met het High Court en daarbij niet steeds hebben aangegeven een voorbehoud te maken voor wat betreft de bevoegdheid maakt het oordeel niet anders. Daarbij komt dat op grond van de HuwVo (artikel 8) bevoegdheid weliswaar gebaseerd kan worden op een verschijnen van de verweerder, maar dan geldt dat de rechter zich er van moet vergewissen of de verweerder op de hoogte is van zijn recht om de bevoegdheid te betwisten en van de gevolgen van verschijnen of niet-verschijnen. Niet gebleken is dat de UK-rechter dit gedaan heeft.
(…)
(iii) derde criterium: geen strijd met de openbare orde
4.33
Het Hof moet bij toetsing van dit criterium nagaan of erkenning van de UK-uitspraken in strijd is met de openbare orde in Curaçao, dit om te voorkomen dat hier een buitenlandse rechterlijke beslissing wordt erkend die naar haar totstandkoming of inhoud in strijd is met de beginselen en waarden die in de rechtsorde in Curaçao als fundamenteel worden aangemerkt.
4.34
De man heeft onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat hiervan sprake is. Ook indien aangenomen zou worden dat de Talaq strijdig is met de openbare orde in Curaçao en hier niet ingeschreven kan worden, zoals de man heeft gesteld, dan leidt dit nog niet tot de conclusie dat de UK-uitspraken, die de Talaq als uitgangspunt nemen, maar alleen de verdeling van het huwelijkse vermogen van partijen betreffen, hier niet erkend zouden kunnen worden. Overigens hebben partijen ter mondeling behandeling in hoger beroep verklaard dat de echtscheiding tussen partijen inmiddels is uitgesproken (in Portugal), zodat de verdeling van het huwelijkse vermogen (hoe dan ook) op enig moment zal moeten plaatsvinden.
4.35
Ook bij de toetsing aan dit criterium is van belang dat de man niet alle beschikbare rechtsmiddelen in de UK heeft uitgeput, zoals hiervoor is overwogen.
conclusie ter zake van criterium (iii)
4.36
De conclusie luidt dat de man onvoldoende heeft aangevoerd om aan te nemen dat de UK-uitspraken in strijd zijn met de openbare orde in Curaçao. Dit is ook niet gebleken. Aan het derde van de Gazprombank-criteria is dus ook voldaan.”
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1.1
Inzet van deze procedure is of de beslissing van de High Court van 12 oktober 2016 (zie hiervoor in 2.1 onder (vii)) in Curaçao voor erkenning in aanmerking komt. Curaçao is niet gebonden aan een internationale regeling op grond waarvan het tot erkenning van de beslissing van de Engelse rechter is gehouden. Die erkenning wordt daarom beheerst door het commune internationaal privaatrecht van Curaçao, dat op dit punt niet afwijkt van dat van Nederland. Op grond van art. 431 lid 1 RvC kunnen beslissingen door vreemde rechters gegeven, niet in Curaçao ten uitvoer worden gelegd. Art. 431 lid 2 RvC bepaalt dat de gedingen opnieuw bij de rechter in Curaçao kunnen worden behandeld en afgedaan. Een partij kan dan vragen om erkenning van de buitenlandse beslissing, al dan niet met veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld.
3.1.2
Naar commuun internationaal privaatrecht is uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Curaçao in beginsel wordt erkend indien (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Curaçaose openbare orde, en (iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Curaçaose rechter (of van een andere rechter binnen het Koninkrijk der Nederlanden), dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Curaçao vatbaar is.2.
3.1.3
Ten aanzien van de hiervoor in 3.1.2 onder (i) genoemde voorwaarde geldt dat de rechter moet onderzoeken of de bevoegdheidsgrond waarop de buitenlandse rechter zijn bevoegdheid heeft gebaseerd, naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. Mocht dat niet het geval zijn, dan kan de rechter nagaan of de bevoegdheid van de buitenlandse rechter volgt uit een andere bevoegdheidsgrond die wel naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is (zie in dit verband ook hierna in 4.2.2).
3.2.1
De onderdelen 1.2 en 2 van het middel richten zich tegen het oordeel van het hof (in de rov. 4.17-4.19) dat de Engelse rechter door zijn bevoegdheid te baseren op de omstandigheid dat de vrouw ten minste een jaar haar gewone verblijfplaats in Engeland had, een naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond heeft gehanteerd (de hiervoor in 3.1.2 onder (i) genoemde voorwaarde voor erkenning van een buitenlandse beslissing in Curaçao).
De onderdelen klagen dat het hof ten onrechte niet de bevoegdheid van de rechter van het land waar de verweerder zijn woon- of gewone verblijfplaats heeft, voorop heeft gesteld (forum rei), maar die van de rechter van het land waar de verzoeker zijn woon- of gewone verblijfplaats heeft (forum actoris). De klacht komt in de kern erop neer dat het hof heeft miskend dat internationale bevoegdheid gebaseerd op het forum actoris geen algemeen aanvaarde bevoegdheidsgrond is, de uitzondering vormt, en zelfs als exorbitant wordt aangemerkt. Waar deze bevoegdheidsgrond bij uitzondering wel is toegelaten, moet zij bovendien eng worden uitgelegd en mag zij zich alleen uitstrekken tot welomschreven gevallen, met inachtneming van voor die gevallen geldende aanvullende eisen. Het hof heeft ten onrechte een uitzondering afgeleid uit de Verordening Brussel II-bis3.en de Verordening Huwelijksvermogensstelsels4., die deze uitzondering niet bevatten en die in een geval als het onderhavige niet leiden naar de woon- of gewone verblijfplaats van de vrouw, maar naar die van de man, aldus de klacht.
3.2.2
Het hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat bij de beoordeling van de vraag of de bevoegdheid van de buitenlandse rechter berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, aansluiting dient te worden gezocht bij relevante internationale verdragen en verordeningen. Wat daarin is vastgelegd, levert immers een aanwijzing op voor hetgeen internationaal aanvaardbaar wordt geacht.5.
3.2.3
Ten onrechte heeft het hof echter aansluiting gezocht bij de Verordening Brussel II-bis. Deze verordening heeft betrekking op echtscheiding (en ouderlijke verantwoordelijkheid) en in overweging 8 van die verordening worden de “vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk” uitgesloten van het materiële toepassingsgebied van de verordening. Aan de Verordening Brussel II-bis kan dan ook geen aanknopingspunt worden ontleend voor het oordeel dat de grond waarop de Engelse rechter zijn bevoegdheid in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak heeft gebaseerd, naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is.
3.2.4
Dat het hof aansluiting heeft gezocht bij de bevoegdheidsregeling in de Verordening Huwelijksvermogensstelsels is op zichzelf terecht. Er zijn geen andere relevante verdragen of verordeningen waarin het internationaal bevoegdheidsrecht in huwelijksvermogensrechtelijke zaken wordt geregeld. De verordening kan als richtsnoer dienen om te beoordelen welke bevoegdheidsgronden in huwelijksvermogensrechtelijke zaken naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar kunnen worden geacht.6.
Het voorgaande neemt niet weg dat het hof ten onrechte aanknopingspunten heeft ontleend aan de Verordening Huwelijksvermogensstelsels ter onderbouwing van zijn oordeel dat de internationale bevoegdheid van de Engelse rechter – die erop is gebaseerd dat de vrouw haar gewone verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk had gedurende een periode van ten minste één jaar voorafgaand aan de indiening van haar verzoek – berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. Een aanknopingspunt kan niet worden gevonden in de bevoegdheidsregeling van art. 5 Verordening Huwelijksvermogensstelsels. Die bevoegdheidsregeling – die op zichzelf ertoe kan leiden dat de rechter van de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevoegd is te oordelen over een huwelijksvermogensrechtelijk verzoek – is alleen van toepassing als een huwelijksvermogensrechtelijk verzoek als nevenvoorziening wordt gedaan in een echtscheidingsprocedure bij de op grond van de Verordening Brussel II-bis bevoegde rechter. Het doel hiervan is dat de rechter die over de echtscheiding oordeelt, ook oordeelt over de verdeling van het huwelijksvermogen. Deze situatie deed zich niet voor in de Engelse procedure. Uit de beslissing van de Engelse rechter blijkt dat het verzoek van de vrouw geen betrekking had op de echtscheiding, maar als zelfstandig verzoek is aangemerkt en betrekking had op de verdeling van het huwelijksvermogen na een echtscheiding.
Ook art. 6 Verordening Huwelijksvermogensstelsels kan niet als aanknopingspunt dienen. Deze bepaling ziet weliswaar op de bevoegdheid van de rechter om buiten echtscheiding, in het kader van een zelfstandige procedure, te oordelen over het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten, maar kent slechts internationale bevoegdheid toe aan de rechter van het land waar de verzoeker zijn gewone verblijfplaats heeft, als zich in dat land de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt, mits een van hen daar op het tijdstip van aanbrengen nog verblijft. Uit de stukken van het geding blijkt dat het Verenigd Koninkrijk niet geldt als het land van de laatste gewone verblijfplaats van beide echtgenoten. Art. 6 Verordening Huwelijksvermogensstelsels kent geen afzonderlijke internationale bevoegdheid toe aan de rechter van het land waar de verzoeker zijn gewone verblijfplaats heeft (forum actoris).
Andere regels die in huwelijksvermogensrechtelijke zaken internationale bevoegdheid toekennen aan de rechter van het land waar de verzoeker zijn woon- of gewone verblijfplaats heeft, kent de Verordening Huwelijksvermogensstelsels niet.
3.2.5
Uit hetgeen hiervoor in 3.2.2-3.2.4 is overwogen, volgt dat het hof zijn oordeel dat de bevoegdheid van de Engelse rechter berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, niet kon baseren op de Verordening Brussel II-bis of de Verordening Huwelijksvermogensstelsels. De internationale bevoegdheid die de Engelse rechter heeft aangenomen op grond van de gewone verblijfplaats van de vrouw komt niet overeen en is niet vergelijkbaar met een bevoegdheidsgrond uit een van beide genoemde verordeningen en is ook overigens naar internationale maatstaven niet algemeen aanvaardbaar, zoals blijkt uit de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.22. De klachten van de onderdelen 1.2 en 2.1 zoals hiervoor weergegeven in 3.2.1, slagen dus. In het verlengde daarvan slaagt ook de hierop voortbouwende klacht van onderdeel 2.3.
Zoals hierna onder 4 zal blijken, slagen de onderdelen 2.2-2.5 van het voorwaardelijke incidentele beroep en kon de Engelse rechter zijn bevoegdheid in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak baseren op stilzwijgende aanvaarding door de man van die bevoegdheid. Als gevolg daarvan blijft het dictum van het vonnis van het hof in stand. Het slagen van de onderdelen 1.2 en 2.1 kan daarom wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
3.3.1
Onderdeel 4.1 richt zich tegen het oordeel van het hof (in de rov. 4.33-4.36) over de hiervoor in 3.1.2 onder (iii) genoemde voorwaarde voor erkenning van een buitenlandse beslissing in Curaçao. Nu het hof in het midden heeft gelaten of de talaq in strijd is met de openbare orde, moet hiervan in cassatie worden uitgegaan. Het onderdeel klaagt dat het hof (in rov. 4.34) ten onrechte heeft geoordeeld dat de beslissing van de Engelse rechter die de talaq als uitgangspunt neemt, niet (eveneens) in strijd is met de openbare orde en in Curaçao kan worden erkend. Daaraan doet, volgens het onderdeel, niet af dat de beslissing van de Engelse rechter alleen de verdeling van het huwelijkse vermogen betreft. Aan een verdeling van het huwelijkse vermogen op basis van ontbinding van het huwelijk kan immers pas worden toegekomen, aldus het onderdeel, nadat rechtsgeldig een civiele echtscheiding tot stand is gebracht of is uitgesproken door een ter zake bevoegde rechter.
3.3.2
De klacht faalt. Voor de toepassing van art. 431 lid 2 RvC kan voor een geval als in deze zaak aan de orde aansluiting worden gezocht bij de wijze waarop in de verdragen en verordeningen die zijn genoemd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.31.1-4.31.5, de voorvraag aangaande de rechtsverhouding die, of het rechtsfeit dat, ten grondslag ligt aan de te erkennen beslissing, wordt behandeld in het kader van de erkenning van de beslissing over de hoofdvraag. Daaruit volgt dat de huwelijksvermogensrechtelijke beslissing, die in dit geval is gegeven in een zelfstandige procedure, in het kader van de erkenning en tenuitvoerlegging van die beslissing los moet worden bezien van de ontbinding van het huwelijk, die ten grondslag ligt aan de verdeling van het huwelijksvermogen. In het geval dat aan de orde is in deze procedure betekent dit dat de vraag of de talaq in strijd is met de Curaçaose openbare orde, niet van belang is voor de erkenning van de huwelijksvermogensrechtelijke beslissing van de Engelse rechter.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep
4.1
Hiervoor in 3.2.5 is gebleken dat het middel in het principale beroep gedeeltelijk slaagt. Daarmee is de voorwaarde vervuld waaronder het incidentele beroep is ingesteld. Het daarin voorgestelde middel moet daarom worden onderzocht. Het incidentele beroep richt zich tegen de overweging ten overvloede van het hof, waarin het oordeelt dat de grondslag voor de internationale bevoegdheid van de Engelse rechter niet kan worden gevonden in de stilzwijgende aanvaarding door de man van die bevoegdheid.
4.2.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het hof (in rov. 4.22) een onjuiste toets heeft aangelegd bij de beoordeling of de beslissing van de Engelse rechter voldoet aan de hiervoor in 3.1.2 onder (i) genoemde voorwaarde voor erkenning van een buitenlandse beslissing in Curaçao. Ten onrechte is het hof overgegaan tot een volle inhoudelijke herbeoordeling of in de Engelse procedure sprake is geweest van een stilzwijgende forumkeuze van de man, terwijl het hof slechts had moeten toetsen of de door de Engelse rechter aangenomen stilzwijgende forumkeuze berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven aanvaardbaar is, aldus het onderdeel.
4.2.2
Indien op de voet van art. 431 lid 2 RvC een geding bij de Curaçaose rechter aanhangig wordt gemaakt, dient deze te beoordelen of en in hoeverre hij, gelet op de omstandigheden van het hem voorgelegde geval, aan een beslissing van de buitenlandse rechter gezag toekent.7.Daaruit volgt dat de rechter in het kader van de beoordeling of aan de hiervoor in 3.1.2 genoemde voorwaarden voor erkenning van een buitenlandse beslissing is voldaan, niet is gebonden aan de inhoud van de buitenlandse beslissing. Het onderdeel, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt dus.
4.3.1
Onderdeel 2 klaagt vanuit verschillende invalshoeken over het oordeel van het hof (in rov. 4.22) dat de internationale bevoegdheid van de Engelse rechter niet kan worden gebaseerd op stilzwijgende aanvaarding van zijn bevoegdheid. Dat oordeel houdt verband met de hiervoor in 3.1.2 onder (i) genoemde voorwaarde voor erkenning van een buitenlandse beslissing in Curaçao. Nu uit de behandeling van het principale beroep volgt dat de door het hof aanvaarde grondslag voor de internationale bevoegdheid van de Engelse rechter niet naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, is van belang of de grondslag voor die bevoegdheid kan worden gevonden in de stilzwijgende aanvaarding door de man van de bevoegdheid van de Engelse rechter.
4.3.2
De stilzwijgende aanvaarding van bevoegdheid van de aangezochte rechter (‘stilzwijgende forumkeuze’) komt als bevoegdheidsgrondslag voor in verschillende regelingen betreffende internationaal bevoegdheidsrecht waaronder het Nederlandse commune bevoegdheidsrecht (art. 9, aanhef en onder a, Rv).8.
4.3.3
De onderdelen 2.3 en 2.4 klagen dat het hof heeft miskend dat een stilzwijgende forumkeuze een bevoegdheidsgrond is die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, en dat voor die bevoegdheid voldoende is dat de gedaagde verschijnt zonder een voorbehoud te maken ten aanzien van de bevoegdheid van de vreemde rechter, en dat daaraan geen nadere voorwaarden kunnen worden gesteld, zoals de in art. 8 lid 2 Verordening Huwelijksvermogensstelsels opgenomen voorwaarde dat de rechter zich ervan heeft vergewist dat de man wist dat hij de bevoegdheid van de rechter kon betwisten in de huwelijksvermogensrechtelijke procedure of dat de man tijdens de procedure bij zittingen aanwezig moet zijn geweest. Onderdeel 2.5 klaagt dat het hof bij zijn beoordeling feiten en omstandigheden heeft betrokken die niet relevant zijn voor de beoordeling van de bevoegdheid van de Engelse rechter. Zo heeft het hof – hoewel het heeft onderkend dat in deze zaak sprake is van een afzonderlijke huwelijksvermogensrechtelijke procedure – ten onrechte veel gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de man de bevoegdheid in de echtscheidingsprocedure had betwist en echtscheidingsprocedures aanhangig had gemaakt in de Verenigde Arabische Emiraten en in Portugal.
4.3.4
De onderdelen slagen omdat het hof heeft miskend dat voor de naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar zijnde bevoegdheidsgrond van de stilzwijgende forumkeuze voldoende is dat de gedaagde verschijnt zonder tijdig de bevoegdheid van de aangezochte rechter te betwisten. Daarbij gaat het erom of de bevoegdheidsgrond waarop de bevoegdheid van de buitenlandse rechter is gebaseerd, in de kern overeenkomt met, dan wel vergelijkbaar is aan, een bevoegdheidsgrond die in verdragen en verordeningen is neergelegd en als internationaal algemeen aanvaardbaar geldt.
Zoals blijkt uit de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.22-5.27 voldoet de stilzwijgende forumkeuze waarop de Engelse rechter in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak zijn bevoegdheid mede heeft gebaseerd, aan de hiervoor in 3.1.2 onder (i) genoemde erkenningsvoorwaarde, ook al heeft de Engelse rechter niet vastgesteld dat de man wist dat hij de bevoegdheid van de rechter kon betwisten. Weliswaar bevat het hier niet toepasselijke art. 8 lid 2 Verordening Huwelijksvermogensstelsels een daarop gerichte vergewisplicht, maar dat staat niet eraan in de weg dat een stilzwijgende forumkeuze een naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond is, ook indien de rechter niet heeft vastgesteld dat de verweerder wist dat hij de bevoegdheid van de rechter kon betwisten. Op grond van het voorgaande slaagt onderdeel 2.3.
Ook is niet van belang, anders dan zou kunnen worden afgeleid uit rov. 4.22 van het hof, dat de man het mandaat van zijn Engelse advocaten in de Engelse procedure heeft ingetrokken en afwezig is geweest bij zittingen in de Engelse procedure. Voor het aannemen van internationale bevoegdheid op grond van een stilzwijgende forumkeuze is voldoende dat de verweerder in de procedure is verschenen en niet tijdig een beroep heeft gedaan op onbevoegdheid van de aangezochte rechter. Op grond van het voorgaande slaagt onderdeel 2.4.
Een algemeen aanvaard uitgangspunt in het internationale bevoegdheidsrecht is dat bij een aangebrachte zaak die betrekking heeft op van elkaar te onderscheiden onderwerpen, voor ieder onderwerp afzonderlijk vastgesteld zal moeten worden of de aangezochte rechter ten aanzien daarvan internationaal bevoegd is. In het licht van dit uitgangspunt heeft het hof ten onrechte gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de man de bevoegdheid van de Engelse rechter in de (afzonderlijk gevoerde) echtscheidingsprocedure had betwist. Ook kan geen betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat de man zelf in de Verenigde Arabische Emiraten en in Portugal echtscheidingsprocedures aanhangig heeft gemaakt. Op grond van het voorgaande slaagt onderdeel 2.5.
4.3.5
Onderdeel 2.2 klaagt in de kern genomen dat in het licht van de vaststellingen van het hof over hetgeen zich bij de Engelse rechter heeft voorgedaan, onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van bevoegdheid van de Engelse rechter op grond van stilzwijgende forumkeuze.
4.3.6
Het volgende is in cassatie niet (met succes) bestreden en staat daarom vast: (i) de man heeft in de echtscheidingszaak de bevoegdheid van de Engelse rechter in de echtscheidingsprocedure uitdrukkelijk betwist; (ii) hij heeft in de (afzonderlijke) huwelijksvermogensrechtelijke procedure de bevoegdheid van de Engelse rechter niet uitdrukkelijk betwist; (iii) hij heeft inhoudelijk verweer gevoerd tegen het huwelijksvermogensrechtelijke verzoek van de vrouw; (iv) in de beslissing van de Engelse rechter is uitdrukkelijk overwogen dat de man de bevoegdheid van de Engelse rechter in de huwelijksvermogensrechtelijke procedure stilzwijgend heeft aanvaard; (v) de Court of Appeal heeft in zijn beslissing van 20 maart 2017 bevestigd dat de man zich in de huwelijksvermogensrechtelijke procedure vrijwillig heeft onderworpen aan de bevoegdheid van de Engelse rechter.
4.3.7
Onderdeel 2.2 slaagt. De hiervoor in 4.3.6 genoemde feiten en omstandigheden laten geen andere conclusie toe dan dat de Engelse rechter zijn bevoegdheid in de huwelijksvermogensrechtelijke procedure kon baseren op de grond dat de man die bevoegdheid stilzwijgend heeft aanvaard. Nu de man in de procedure voor het hof geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die afbreuk doen aan de vaststellingen van de Engelse rechter in eerste aanleg en hoger beroep die de grondslag vormen voor de stilzwijgende forumkeuze, is er in de omstandigheden van dit geval geen reden om die vaststellingen niet tot uitgangspunt te nemen. Daarmee staat vast dat de bevoegdheid van de Engelse rechter berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is en dat dus is voldaan aan de hiervoor in 3.1.2 onder (i) genoemde voorwaarde voor erkenning van een buitenlandse beslissing in Curaçao.
4.3.8
Uit hetgeen hiervoor in 4.3.6 en 4.3.7 is overwogen, volgt dat vaststaat dat de Engelse rechter zijn bevoegdheid in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak kon baseren op stilzwijgende aanvaarding door de man van die bevoegdheid. Nu daarmee vaststaat dat de Engelse rechter een naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond heeft gehanteerd en dus is voldaan aan de hiervoor in 3.1.2 onder (i) genoemde voorwaarde voor erkenning van een buitenlandse beslissing in Curaçao, kan het dictum van het vonnis van het hof – waaraan eveneens ten grondslag ligt dat aan de hiervoor in 3.1.2 onder (i) genoemde voorwaarde is voldaan – in stand blijven. Het slagen van de onderdelen 2.2-2.5 kan daarom wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
4.4
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep en het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 19 december 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 19‑12‑2025
Vgl. HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, rov. 3.6.4; HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:54, rov. 4.1.2; HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1170, rov. 3.2.2; HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1265, rov. 3.6.1.
Verordening (EG) Nr. 2201/2003 van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000, PbEU 2003, L 338/1.
Verordening (EU) 2016/1103 van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels, PbEU 2016, L 183/1.
HR 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2184, rov. 3.4.2.
Vgl. HR 27 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD4789, rov. 3.2.
Vgl. HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, rov. 3.6.3.
Zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.5.
Conclusie 19‑09‑2025
Inhoudsindicatie
IPR. Erkenning van buitenlands vonnis. Art. 431 Rv Curaçao. Rechtsmacht buitenlandse rechter internationaal algemeen aanvaardbaar? Aansluiting bij Verordening Huwelijksvermogensstelsels. Strijd met openbare orde omdat talaq, waarop de buitenlandse beslissing berust, niet wordt erkend?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00061
Zitting 19 september 2025
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
[de man],
eiser tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de man
tegen
[de vrouw],
verweerster in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de vrouw
1. Inleiding
1.1
Deze Caribische zaak betreft de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding tussen partijen. Inzet van het geding is de vraag of een Engelse rechterlijke beslissing waarin de man is veroordeeld om uit hoofde van de verdeling van het huwelijksvermogen van partijen een bedrag van GBP 61.559.339 aan de vrouw te betalen, in aanmerking komt voor erkenning in Curaçao op grond van art. 431 Rv Curaçao. Het Gerecht en het Hof hebben (deels op andere gronden) geoordeeld dat is voldaan aan de in de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak Gazprombank1.gestelde voorwaarden (i) t/m (iv) voor erkenning van een buitenlandse rechterlijke beslissing. De man is in beide feitelijke instanties veroordeeld tot hetgeen hij verschuldigd is op grond van de Engelse rechterlijke beslissing.
1.2
In cassatie komt de man op tegen het oordeel van het Hof dat is voldaan aan de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank dat de rechtsmacht van de buitenlandse rechter is gebaseerd op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. De bevoegdheidsgrond waarop de Engelse rechter zijn rechtsmacht heeft gebaseerd, de gewone verblijfplaats van de vrouw in het Verenigd Koninkrijk gedurende een periode van twaalf maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoek, is volgens het Hof in overeenstemming met de Verordening Brussel II-bis en de Verordening Huwelijksvermogensstelsels. Ook richt de man klachten tegen het oordeel van het Hof dat is voldaan aan de erkenningsvoorwaarde onder (iii) van Gazprombank dat erkenning van de Engelse beslissing niet in strijd is met de openbare orde in Curaçao. De huwelijksvermogensrechtelijke beslissing kan volgens het Hof in Curaçao worden erkend, ook als de talaq, die aan deze beslissing ten grondslag ligt, niet voor erkenning in aanmerking komt in Curaçao wegens strijd met de openbare orde.
1.3
In het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep voert de vrouw klachten aan tegen een overweging ten overvloede waarin het Hof heeft geoordeeld dat de man de rechtsmacht van de Engelse rechter niet stilzwijgend heeft aanvaard en, als dat wel het geval zou zijn, deze bevoegdheidsgrond naar internationale maatstaven niet algemeen aanvaardbaar kan worden geacht omdat de Engelse rechter niet heeft voldaan aan de vergewisplicht zoals bedoeld in art. 8 lid 2 Verordening Huwelijksvermogensstelsels.
2. Feiten en procesverloop
2.1
De relevante feiten in cassatie zijn als volgt.2.De vrouw heeft de Japanse en Portugese nationaliteit. De man heeft de nationaliteit van Irak, Portugal en het Verenigd Koninkrijk.
2.2
Partijen zijn op 5 juni 1969 met elkaar gehuwd in Japan. Na hun huwelijk zijn partijen gaan wonen in Koeweit. In 1987 zijn partijen verhuisd naar het Verenigd Koninkrijk en in 1994 naar Portugal.
2.3
In oktober 2014 zijn partijen gescheiden van elkaar gaan wonen. De vrouw is van Portugal naar de Verenigde Staten gereisd, waar zij enkele maanden bij haar dochter heeft verbleven, en is vervolgens verhuisd naar het Verenigd Koninkrijk. De man bleef woonachtig in Portugal en in de Verenigde Arabische Emiraten.
2.4
Op 6 januari 2015 heeft de vrouw een echtscheidingsverzoek ingediend bij de Engelse rechter. Nadien heeft de vrouw een verzoek tot alimentatie en verdeling van het huwelijksvermogen van partijen ingediend bij de Engelse rechter.
2.5
Op 9 maart 2015 heeft de man een echtscheidingsverzoek ingediend bij de Portugese rechter. De Portugese rechter heeft de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.3.
2.6
Op 20 maart 2015 heeft de man een islamitische scheiding in de vorm van een talaq bewerkstelligd, die op 23 maart 2015 is bevestigd door een shariarechtbank in de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: de talaq). De vrouw is hiervan op 8 juli 2015 op de hoogte gebracht.
2.7
Op 12 oktober 2016 heeft de Family Division van de High Court of Justice of England and Wales (hierna: High Court) uitspraak gedaan, waarbij ervan is uitgegaan dat het huwelijk van partijen is ontbonden door de talaq. De High Court heeft geoordeeld dat de vrouw gerechtigd is tot 50% van het tijdens het huwelijk van partijen opgebouwde vermogen, hetgeen neerkomt op een bedrag van GBP 61.559.339.
2.8
De man houdt aandelen in een in Curaçao gevestigde vennootschap, Tidewell Corporation N.V. De vrouw heeft beslag laten leggen op deze aandelen. Bij vonnis in kort geding van 21 december 2021 van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) is een verzoek van Tidewell Corporation N.V. tot opheffing van dit beslag afgewezen.
2.9
In de onderhavige procedure, ingeleid bij verzoekschrift van 7 september 2020, heeft de vrouw op grond van art. 431 lid 2 Rv Curaçao gevorderd dat de man wordt veroordeeld tot betaling van GBP 61.559.339, zijnde het bedrag waartoe de man in de Engelse procedure is veroordeeld, verminderd met het reeds geïnde, dan wel de tegenwaarde daarvan in Nederlands Antilliaanse Guldens (NAf), te vermeerderen met rente en kosten. De man heeft verweer gevoerd.
2.10
Bij vonnis van 31 oktober 2022 heeft het Gerecht de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van GBP 61.559.339, althans NAf 146.685.774,88, vermeerderd met de wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.11
De man is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Hij heeft geconcludeerd dat het vonnis van het Gerecht wordt vernietigd en dat de vorderingen van de vrouw alsnog worden afgewezen. De vrouw heeft verweer gevoerd.
2.12
Bij (eind)vonnis van 8 oktober 2024 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) het vonnis van het Gerecht bevestigd en de man veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.4.
2.13
De man is tijdig in cassatie gekomen van het vonnis van het Hof van 8 oktober 2024 (hierna: het bestreden vonnis); de vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping. Op haar beurt heeft de vrouw voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld; de man heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht, gevolgd door re- en dupliek.
3. Inleidende opmerkingen
3.1
Deze Caribische zaak betreft de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding tussen partijen. Meer specifiek is aan de orde de vraag of een Engelse beslissing waarin de man is veroordeeld om uit hoofde van de verdeling van het huwelijksvermogen van partijen een bedrag van GBP 61.559.339 aan de vrouw te betalen, voor erkenning in aanmerking komt in Curaçao. In de onderhavige zaak heeft de vrouw gevorderd dat de man wordt veroordeeld tot hetgeen hij verschuldigd is op grond van de (in kracht van gewijsde gegane) Engelse beslissing. Het belang van deze vordering is gelegen in de verhaalsmogelijkheden voor de vrouw in Curaçao. De man houdt aandelen in een in Curaçao gevestigde vennootschap, Tidewell Corporation N.V., waarop de vrouw beslag heeft laten leggen.
3.2
De vrouw heeft haar vordering gebaseerd op art. 431 lid 2 Rv Curaçao. Dit artikel luidt als volgt:
‘1. Behoudens de artikelen 985 tot en met 994 kunnen noch beslissingen, door vreemde rechters gegeven, noch in het buitenland verleden authentieke akten hier te lande ten uitvoer worden gelegd.
2. De gedingen kunnen opnieuw bij de rechter hier te lande worden behandeld en afgedaan.’
Art. 985 Rv Curaçao bepaalt, voor zover van belang, het volgende:
‘Indien een beslissing, gegeven door de rechter van een vreemde Staat, hier te lande uitvoerbaar is krachtens een verdrag of krachtens de wet, wordt zij niet ten uitvoer gelegd dan na daartoe verkregen rechterlijk verlof. De zaak zelf wordt niet aan een nieuw onderzoek onderworpen. (…)’.
3.3
In dit geval ontbreekt een verdrag of een wettelijke basis zoals bedoeld in art. 985 Rv Curaçao op grond waarvan de Engelse beslissing, waarop de vrouw haar vordering heeft gebaseerd, in aanmerking komt voor erkenning en tenuitvoerlegging in Curaçao. Aan het Nederlands-Brits Executieverdrag 1967 komt in dit verband geen betekenis toe.5.Weliswaar is Curaçao, net als het Verenigd Koninkrijk, gebonden aan dit verdrag,6.maar het huwelijksvermogensrecht wordt als een kwestie van familierechtelijke aard geacht te zijn uitgezonderd van het materiële toepassingsgebied van het verdrag (art. II lid 2 sub c).7.Dit verklaart waarom de vrouw haar vordering heeft gebaseerd op de commune regeling in art. 431 lid 2 Rv Curaçao.
3.4
Art. 431 Rv Curaçao komt overeen met art. 431 Rv Nederland. Het concordantiebeginsel, neergelegd in art. 39 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, brengt mee dat deze artikelen zoveel mogelijk in dezelfde zin moeten worden uitgelegd.8.Dit betekent dat voor de uitleg van art. 431 Rv Curaçao aansluiting kan worden gezocht bij de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot art. 431 Rv Nederland. In dit verband komt in het bijzonder betekenis toe aan de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak Gazprombank.9.
3.5
In Gazprombank is, voor zover van belang, als volgt geoordeeld. Op grond van art. 431 lid 2 Rv Nederland kan het geding dat bij de buitenlandse rechter heeft plaatsgevonden en tot diens beslissing heeft geleid, opnieuw bij de Nederlandse rechter worden behandeld en afgedaan. Een dergelijke procedure mondt uit in een uitspraak van de Nederlandse rechter. (rov. 3.6.2) Indien op de voet van art. 431 lid 2 Rv Nederland het geding opnieuw bij de Nederlandse rechter aanhangig wordt gemaakt, dient beoordeeld te worden of en in hoeverre hij, gelet op de omstandigheden van het geval, aan een beslissing van de buitenlandse rechter gezag toekent. (rov. 3.6.3) In een geding op de voet van art. 431 lid 2 Rv Nederland dient bij de beantwoording van de vraag of een buitenlandse beslissing voor erkenning vatbaar is, tot uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien: (i) de rechtsmacht van de rechter die de buitenlandse beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is; (ii) de buitenlandse beslissing tot stand is gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging; (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde; en (iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is. (rov. 3.6.4) Strekt de vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv Nederland tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld, en is voldaan aan de voorwaarden onder (i) t/m (iv), dan dient de Nederlandse rechter de gebondenheid van partijen aan die beslissing tot uitgangspunt te nemen, en is de vordering in beginsel toewijsbaar. (rov. 3.6.5)
3.6
In de onderhavige zaak heeft het Hof, in navolging van het Gerecht, de vordering van de vrouw op de voet van art. 431 lid 2 Rv Curaçao beoordeeld aan de hand van de voorwaarden onder (i) t/m (iv) van Gazprombank; zie rov. 4.1 van het bestreden vonnis. Hiertegen zijn in cassatie – terecht – geen klachten gericht. In beide feitelijke instanties is (deels op verschillende gronden) geoordeeld dat in dit geval aan de erkenningsvoorwaarden van Gazprombank is voldaan. Dit betekent dat in Curaçao gezag toekomt aan de Engelse beslissing tot verdeling van het huwelijksvermogen van partijen. In beide feitelijke instanties is de man veroordeeld tot hetgeen hij verschuldigd is op grond van de Engelse beslissing: de man dient uit hoofde van de verdeling van het huwelijksvermogen een bedrag van GBP 61.559.339 aan de vrouw te betalen. In het principale cassatiemiddel komt de man op tegen deze veroordeling. Het middel bevat klachten met betrekking tot het oordeel van het Hof dat is voldaan aan de erkenningsvoorwaarden onder (i) en (iii) van Gazprombank. Het voorwaardelijke incidentele cassatiemiddel van de vrouw ziet op een overweging ten overvloede van het Hof met betrekking tot de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank. Het oordeel van het Hof dat is voldaan aan de erkenningsvoorwaarden onder (ii) en (iv) van Gazprombank is in cassatie niet bestreden. Die onderdelen van het bestreden vonnis blijven hierna onbesproken.
3.7
De redenering van het Hof met betrekking tot de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank komt neer op het volgende. Bij de beoordeling of de rechtsmacht van de buitenlandse rechter berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale normen algemeen aanvaardbaar is, dient aansluiting te worden gezocht bij verdragen en verordeningen. Dit levert een aanwijzing op voor wat internationaal aanvaardbaar wordt geacht. (rov. 4.4) De Engelse rechter heeft rechtsmacht aangenomen op de basis dat de vrouw op het moment van indiening van het verzoek op 13 januari 2016 (Application for Financial Relief) een jaar haar gewone verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk had (vanaf januari 2015 tot in elk geval januari 2016). (rov. 4.14 en 4.16) Deze bevoegdheidsgrond is naar internationale normen algemeen aanvaardbaar. Hiervoor wordt aansluiting gezocht bij de Verordening Brussel II-bis10.en de Verordening Huwelijksvermogensstelsels (hierna: HuwVermVo)11.. (rov. 4.17) In beide verordeningen is het uitgangspunt dat de gewone verblijfplaats van de verzoeker als een grond voor de rechtsmacht kan worden aangenomen als deze in het land van de aangezochte rechter ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek zijn gewone verblijfplaats had. (rov. 4.19) Het standpunt van de man dat de Engelse rechter zijn rechtsmacht had moeten baseren op de eerder ingediende verzoeken van 6 januari 2015 en 31 juli 2015 wordt verworpen, evenals zijn standpunt dat de Engelse rechter onvoldoende heeft getoetst of de vrouw vanaf januari 2015 een gewone verblijfplaats had in het Verenigd Koninkrijk. (rov. 4.20 en 4.21) Ten overvloede wordt overwogen dat geen sprake is van een (geldige) stilzwijgende forumkeuze door de man. Daarbij komt dat niet is gebleken dat de Engelse rechter zich ervan heeft vergewist of de man op de hoogte was van zijn recht om de rechtsmacht van de Engelse rechter te betwisten en van de gevolgen van verschijnen of niet-verschijnen in de Engelse procedure. (rov. 4.22)
3.8
De redenering van het Hof met betrekking tot de erkenningsvoorwaarde onder (iii) van Gazprombank komt neer op het volgende. Bij de toetsing van dit criterium moet worden nagegaan of erkenning van de Engelse beslissing in strijd is met de openbare orde in Curaçao, om te voorkomen dat een buitenlandse rechterlijke beslissing wordt erkend die naar haar totstandkoming of inhoud in strijd is met de beginselen en waarden die in de rechtsorde in Curaçao als fundamenteel worden aangemerkt. (rov. 4.33) De man heeft onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat hiervan sprake is. Ook indien zou worden aangenomen dat de talaq in strijd is met de openbare orde in Curaçao en hier niet ingeschreven kan worden, dan leidt dit nog niet tot de conclusie dat de Engelse beslissing, die de talaq als uitgangspunt neemt maar alleen de verdeling van het huwelijksvermogen van partijen betreft, hier niet erkend zou kunnen worden. Overigens hebben partijen ter zitting in appel verklaard dat de echtscheiding tussen partijen inmiddels is uitgesproken (in Portugal), zodat verdeling van het huwelijksvermogen (hoe dan ook) op enig moment zal moeten plaatsvinden. (rov. 4.34) Bij de toetsing aan dit criterium is van belang dat de man niet alle beschikbare rechtsmiddelen in het Verenigd Koninkrijk heeft uitgeput. (rov. 4.35)
3.9
Voor een goed begrip geef ik weer, voor zover relevant, hoe de procedure tussen partijen in Engeland is verlopen en heeft geleid tot de beslissing waarvan de vrouw in de onderhavige zaak de erkenning inroept op grond van art. 431 lid 2 Rv Curaçao.
3.10
In Engeland is de procedure gestart met de indiening van een echtscheidingsverzoek van de vrouw op 6 januari 2015. Op 8 januari 2015 heeft de vrouw verlof gevraagd (Form A) voor de indiening van een verzoek tot verdeling van het huwelijksvermogen van partijen (Application for a Financial Order).12.Op 13 maart 2015 heeft de vrouw een alimentatieverzoek gedaan.
3.11
Bij Order van 30 juli 2015 heeft de High Court overwogen:
‘4. The applicant’s application under Part III of the Matrimonial and Family Proceedings Act 1984 was brought without prejudice to her petition dated 6 January 2015 (…).
5. Permission has been granted (…) on the basis that from January 2016 the applicant’s application under Part III of the Matrimonial and Family Proceedings Act 1984 shall be amended to incorporate her habitual residence in England and Wales for in excess of 12 months.’
Vervolgens heeft de High Court geoordeeld:
‘It is ordered that:
7. Persuant to section 13 of the Matrimonial and Family Proceedings Act 1984 the applicant is granted leave to apply for financial relief following an overseas divorce, namely the Talaq’.
3.12
Op 31 juli 2015 heeft de vrouw een verzoek ingediend tot verdeling van het huwelijksvermogen van partijen op grond van Part III van de Matrimonial and Family Proceedings Act 1984 (Applications for financial relief after overseas divorce etc.).
3.13
Op 13 januari 2016 heeft de vrouw het verzoek van 31 juli 2015 opnieuw ingediend, voorzien van enkele handgeschreven aanvullingen. Op p. 1 van het verzoek is met de hand geschreven ‘AMENDED as per the permission granted by parapragh 5 of the order of Mostyn J dated 30 July 2015’. Op p. 2 van het verzoek is na de tekst ‘The court has jurisdiction on the following basis to deal with these procedures. The applicant is domiciled in England and Wales and’ met de hand geschreven ‘has been habitually resident here for a period of more than 12 months’. Op p. 2 en 3 van het verzoek is na de tekst ‘Dated 31/07/2015’, de datum waarop het verzoek aanvankelijk was ingediend, met de hand geschreven ‘13/01/2015’. Vast staat dat deze handgeschreven datum berust op een vergissing en moet worden begrepen als 13 januari 2016.13.
3.14
Bij Judgment van 12 oktober 2016 heeft de High Court overwogen:
‘3. The wife issued her petition in England on 6 January 2015 and her Form A followed two days later. The husband filed an Acknowledgment of Service on 27 February 2015 contesting jurisdiction. He says in that document that they have both been habitually resident in Portugal since 1994, and that the wife is not domiciled in England & Wales so that only the Portuguese court has jurisdiction.(…)
6. Matters took a dramatic turn on 8 July 2015, when the husband’s solicitors served the wife with a Talaq, notwithstanding his Portuguese proceedings. This document states that the husband had divorced the wife by way of Talaq on 20 March 2015, and that the divorce has been confirmed by a Judge of the Sharia court in Sharjah, UAE on 23 March 2015. The covering letter explained that the Iddah (reconciliation) period has expired, meaning that the parties were divorced. (…) So, despite the fact that the husband had issued proceedings in Portugal, the marriage has now been effectively dissolved by the Talaq process in the UAE at his instance.
7. At the interim hearing on 30 July 2015 Mostyn J invited the wife to apply for permission under Part III of the Matrimonial and Family Proceedings Act 1984. Mostyn J by all accounts, and understandably, indicated that on the basis that the husband was asserting that the parties were already divorced, and because the wife did not challenge the Talaq divorce, the court was entitled to proceed on the basis that the requirements in the Family Law Act 1986 had been met. The wife then made her actual application under Part III on the following day, on 31 July 2015, without prejudice to her English divorce petition (…). Since then, the wife’s claim for a financial remedy has been proceeded under Part III Matrimonial and Family Proceedings Act 1984. Further to Mostyn J’s order that she have permission to amend her application under Part III in January 2016 on the basis of 12 months’ habitual residence, the wife filed an amended D50F (her application for financial relief after an overseas divorce) on 31 July 2016. (…)
43. I will however add a few remarks in relation to the enforcement aspect of this matter, in the event that that aspect of the process does not proceed smoothly. The following matters must be absolutely clear:
(a) The husband should be treated as having submitted to this Court for the purposes of the Part III application.(b) The husband has been afforded every opportunity of being heard.(c) The basis of the award to the wife is her partnership share, earned over the course of the parties marriage.
(…)
44. Specifically, in relation to his submmission to this jurisdiction, these are not Divorce proceedings; these are the financial proceedings after a foreign divorce and the husband has engaged with and submitted to the jurisdiction in respect of this application. By paragraph 7 of the order of Mostyn J of 31 July 2015, the application was amended so that it takes as its jurisdiction the wife’s habitual residence in England from 1 January 2015 to 1 January 2016. That jurisdictional basis has never been challenged by H [de man, A-G], and I know of no basis upon which it could have been.
45. (…) On the 31 July 2015 Mr Justice Mostyn gave the wife permission to apply under Part III. (…) Crucially:(…)(c) He [de man, A-G] has brought no applications challenging the jurisdiction of the Court to make Part III applications.(…)
46. (…) I am satisfied that in none of the 5 statements which he has filed in these proceedings since the grant of permission was made, has the husband set out, or attempted to set out, any grounds upon which he might have attempted to challenge the court’s jurisdiction. Indeed, on the contrary, he has been keen to provide written evidence, in so far as he thought that it might assist him, within these proceedings.’
3.15
Bij Order van 12 oktober 2016 heeft de High Court overwogen:
‘2. The court has within its Judgment of the same date as this order made the following findings:
(…)b. whilst the respondent has repeatedly challenged the Court’s jurisdiction to hear a divorce petition, he has at no time challenged the Court’s jurisdiction to hear a Part III of the 1984 Act application in respect of which the applicant has been habitually resident in England and Wales for at least the year 1 January 2015 to 1 January 2016.(…)
e. this is a sharing case and that the applicant is a fully entitled wife who should receive approximately 50% of the assets which have been built during their partnership;
(…)’.
Vervolgens heeft de High Court geoordeeld:
‘It is ordered that:
(…)
6. Lump sum payment
The respondent shall pay the applicant a lump sum of £61,559,339 by 1 December 2016.’
3.16
Het verzoek van de man om verlof voor het instellen van hoger beroep (Application for permission to appeal) tegen de Order van 12 oktober 2016 van de High Court is afgewezen. Het Court of Appeal heeft dit in zijn Order van 20 maart 2017 als volgt gemotiveerd:
‘The applicant seeks permission to appeal against orders made by DHJ Cusworth in these Part III proceedings.
(…)Whilst the judge did not specifically consider each of the factors in s16, it is clear that he was properly of the view that an order should be made – the applicant had submitted to the jurisdiction, the proposed respondent is habitually resident in the UK and living in a jointly owned property in London. Further this was a 46 year marriage brought to an end ultimately by a Talaq. It is hard to see on what basis it could have been argued that no order should be made even had the applicant chosen to attend and make submissions to that effect and even taking into account what the applicant would now seek to submit was the proposed respondent’s limited connection with this country.
(…)Permission to appeal is refused as being totally without merit’.
3.17
Het verzoek van de man om verlof voor het instellen van hoger beroep (Application for permission to appeal) tegen de Order van 30 juli 2015 van de High Court is eveneens afgewezen. Het Court of Appeal heeft dit in zijn (afzonderlijke) Order van 20 maart 2017 als volgt gemotiveerd:
‘The order against which the applicant now seeks to appeal was made on 30 July 2015. The notice of appeal was filed on 2 November 2016, 16 months later.
No explanation has been offered for the delay.
(…)
The order which the applicant now seeks to appeal granted the proposed respondent (wife) permission to make an application under Part III of the Matrimonial and Family Proceedings Act 1984. The Part III trial was held in October 2016. Whilst the applicant did not attend, he was well aware of the hearings and, as already noted, filed various statements in those proceedings. Deputy High Court Judge Cusworth specifically recorded at paragraph [21] And whilst the husband has long taken issue with the exercise of English as opposed to Portuguese divorce jurisdiction, he has not sought by any application to challenge the grant of leave by Mostyn J under part III in this case.
As the judge further noted the husband has engaged with and submitted to the jurisdiction in respect of this application [44] see also [45] & [46]
There can be no justification, and non has been offered for the granting of an extension of time to appeal and an extension of time is refused as being totally without merit’.
3.18
Dit brengt mij op het volgende. Van welke beslissing of beslissingen van de Engelse rechter roept de vrouw in de onderhavige zaak de erkenning in? De vrouw heeft verzocht om veroordeling van de man tot betaling van hetgeen waartoe hij is veroordeeld op grond van de Judgment en de Order van 12 oktober 2016 van de High Court, door de vrouw tezamen aangeduid als: de Engelse beslissing.14.In het vonnis van 31 oktober 2022 van het Gerecht wordt ook gesproken van de Engelse beslissing, waarmee het Gerecht eveneens doelt op de Judgment en de Order van 12 oktober 2016 (zie rov. 2.7 van het vonnis). In het bestreden vonnis is het Hof hierover minder duidelijk. Het Hof haalt de Judgment van 12 oktober 2016 aan (rov. 4.14 in verbinding met rov. 3.8), maar noemt in het bestreden vonnis niet de Order van 12 oktober 2016. Verwarrend is dat het Hof in rov. 4.24 e.v. spreekt van ‘de UK-uitspraken’, zonder duidelijk te maken om welke beslissingen het gaat. Bedoelt het Hof hiermee de Judgment en de Order van 12 oktober 2016? Ik vermoed van niet; nergens in het bestreden vonnis wordt de Order van 12 oktober 2016 vermeld. Uit rov. 4.28 t/m 4.30 lijkt eerder te volgen dat het Hof met ‘de UK-uitspraken’ doelt op de Order van 30 juli 2015 en van 12 oktober 2016. Dat is echter niet logisch, omdat de Order van 30 juli 2015 geen veroordeling van de man bevat. De vrouw roept ook niet de erkenning van de Order van 30 juli 2015 in. Ik houd het ervoor dat het Hof, net als het Gerecht, heeft beoordeeld of de veroordeling van de man op grond van de Judgment en de Order van 12 oktober 2016 van de High Court op grond van art. 431 lid 2 Rv Curaçao voor erkenning in aanmerking komt in Curaçao. Dat is immers wat de vrouw (ook in hoger beroep) heeft verzocht.15.Dit volgt overigens ook uit het dictum van het bestreden vonnis waarin het Hof het vonnis van het Gerecht, waarin het verzoek van de vrouw is beoordeeld op grond van de Judgment en de Order van 12 oktober 2016, bevestigt. Waar in het vervolg van mijn conclusie wordt gesproken van de Engelse beslissing, bedoel ik daarmee de veroordeling van de man tot betaling van een bedrag van GBP 61.559.339 aan de vrouw op grond van de Judgment en de Order van 12 oktober 2016 van de High Court.
4. Bespreking van het principale cassatieberoep
4.1
Het cassatiemiddel van de man bestaat uit vier onderdelen. De onderdelen 1 t/m 3 bestrijden het oordeel van het Hof dat is voldaan aan de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank dat de rechtsmacht van de Engelse rechter berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is (rov. 4.4 t/m 4.23). Onderdeel 4 komt op tegen het oordeel van het Hof dat is voldaan aan de erkenningsvoorwaarde onder (iii) van Gazprombank dat erkenning van de Engelse beslissing niet in strijd is met de openbare orde in Curaçao (rov. 4.33 t/m 4.36).
4.2
Onderdeel 1 voert aan dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank. Onderdeel 1 valt uiteen in drie subonderdelen.
4.3
Subonderdeel 1.1 keert zich tegen rov. 4.20, waarin het Hof als volgt overweegt:
‘De man heeft in hoger beroep in de eerste plaats aangevoerd dat de UK-rechter zijn bevoegdheid had kunnen (of moeten) baseren op de eerder ingediende verzoeken van 6 januari 2015 en 31 juli 2015. Het Hof constateert echter dat de UK-rechter deze route niet heeft gekozen. In het kader van deze erkenningsprocedure moet het Hof beoordelen of de wijze waarop de UK-rechter zijn bevoegdheid heeft aangenomen internationaal aanvaardbaar is, niet of er ook andere verkieselijke routes waren, tenzij de gekozen route onnavolgbaar en onbegrijpelijk was en dus niet algemeen aanvaardbaar naar internationale normen. Daarvan is naar het oordeel van het Hof echter geen sprake. Uit het voorgaande volgt dat de UK-rechters (van de High Court) de verschillende verzoeken van de vrouw (tot echtscheiding, tot alimentatie en tot verdeling van het huwelijkse vermogen) van elkaar hebben onderscheiden, hun bevoegdheid ter zake die verschillende verzoeken op verschillende momenten in de procedure hebben beoordeeld en dit steeds hebben getoetst aan de (nationale en internationale) kaders die daarvoor gelden, terwijl de UK Court of Appeal kennelijk geen aanmerkingen op die oordelen had.’
4.4
Het subonderdeel bevat de volgende klachten. Het Hof heeft miskend dat bij de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank het niet gaat om de bevoegdheidsgrond waarop de buitenlandse rechter zijn rechtsmacht heeft gebaseerd (de ‘gekozen route’, rov. 4.20). Het Hof had zelfstandig moeten toetsen of de Engelse rechter, los van de ‘gekozen route’, bevoegd kan worden geacht op een internationaal algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond. Het Hof beoordeelt de rechtsmacht van de Engelse rechter ten aanzien van de verschillende verzoeken van de vrouw (echtscheiding, alimentatie en huwelijksvermogen) los van elkaar, terwijl de Verordening Brussel II-bis en de HuwVermVo aanwijzingen bevatten dat de rechtsmacht ten aanzien van de verschillende verzoeken juist in samenhang moet worden bezien. Hierbij is niet relevant dat het Court of Appeal geen aanmerkingen had op het oordeel van de High Court om de rechtsmacht ten aanzien van de verschillende verzoeken van de vrouw los van elkaar te beoordelen.
4.5
Ik stel het volgende voorop. Het oordeel van het Hof in rov. 4.20 moet worden begrepen in het licht van het betoog van de man in hoger beroep, kort gezegd, dat de Engelse rechter zijn rechtsmacht niet had mogen baseren op het gewijzigde verzoek van de vrouw van 13 januari 2016 tot verdeling van het huwelijksvermogen, maar zijn rechtsmacht had moeten beoordelen op grond van het echtscheidingsverzoek van de vrouw van 6 januari 2015 en het oorspronkelijke verzoek van de vrouw van 31 juli 2015 tot verdeling van het huwelijksvermogen.16.Het Hof heeft dit betoog van de man verworpen op grond van de volgende drie argumenten.
4.6
Het eerste argument van het Hof is dat in het kader van de erkenningsprocedure op grond van art. 431 lid 2 Rv Curaçao beoordeeld moet worden of de rechtsmacht die de Engelse rechter heeft aangenomen naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, niet of ook andere verkieselijke routes waren, tenzij de gekozen route onnavolgbaar en onbegrijpelijk was en dus niet algemeen aanvaardbaar naar internationale normen. Dit oordeel is rechtens juist. Bij de toetsing aan de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank ligt het voor de hand om allereerst te beoordelen of de bevoegdheidsgrond waarop de buitenlandse rechter zijn rechtsmacht heeft gebaseerd (‘de gekozen route’) naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. Het is aan de buitenlandse rechter om vast te stellen op welke bevoegdheidsgrond zijn rechtsmacht kan worden gebaseerd volgens de in zijn staat geldende regels van internationaal bevoegdheidsrecht. De erkenningsrechter toetst vervolgens of deze bevoegdheidsgrond internationaal gezien algemeen aanvaardbaar is. Mocht blijken dat dit niet het geval is (in de woorden van het Hof: ‘tenzij de gekozen route onnavolgbaar en onbegrijpelijk was en dus niet algemeen aanvaardbaar naar internationale normen’; rov. 4.20), dan kan aan de hand van de in de procedure gebleken feiten en omstandigheden worden nagegaan of de rechtsmacht van de buitenlandse rechter volgt uit een andere bevoegdheidsgrond (‘andere verkieselijke routes’) die internationaal wel algemeen aanvaardbaar is. De andersluidende opvatting in het middel dat het Hof, los van ‘de gekozen route’ van de Engelse rechter, zelfstandig had moet beoordelen of de Engelse rechter bevoegd kan worden geacht op een internationaal algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond, kan in zijn algemeenheid dan ook niet voor juist worden gehouden. Overigens is mij niet helemaal duidelijk geworden waartoe de in het middel bepleite opvatting in dit geval zou moeten leiden. Het middel maakt niet duidelijk tot welk ander resultaat een zelfstandige beoordeling van de rechtsmacht van de Engelse rechter, los van ‘de gekozen route’, zou moeten leiden.
4.7
Het tweede argument van het Hof is dat de Engelse rechter de verschillende verzoeken van de vrouw (echtscheiding, alimentatie en huwelijksvermogen) van elkaar heeft onderscheiden, de rechtsmacht ten aanzien van deze verzoeken op verschillende momenten in de procedure heeft beoordeeld en dit steeds heeft getoetst aan de (nationale en internationale) kaders die daarvoor gelden. Ook dit oordeel is rechtens juist. Naar internationale maatstaven moet algemeen aanvaardbaar worden geacht dat de beoordeling van de rechtsmacht ten aanzien van de echtscheiding en van de echtscheidingsgevolgen, waaronder de verdeling van het huwelijksvermogen, afzonderlijk plaatsvindt volgens de op het specifieke onderwerp betrekking hebbende bron van internationaal bevoegdheidsrecht.17.Dit geldt te meer wanneer het huwelijksvermogensrechtelijke verzoek niet is beoordeeld in het kader van een echtscheidingsprocedure maar van een zelfstandige procedure buiten echtscheiding. Uit de Engelse beslissing blijkt dat de rechtsmacht ten aanzien van het echtscheidingsverzoek en van het huwelijksvermogensrechtelijke verzoek afzonderlijk is getoetst.18.Dit ligt ook voor de hand omdat het huwelijksvermogensrechtelijke verzoek (uiteindelijk) is beoordeeld als een zelfstandig verzoek buiten echtscheiding. Met de erkenning van de talaq in het Verenigd Koninkrijk, lag de echtscheiding in de Engelse procedure niet meer voor.19.
4.8
Het derde argument van het Hof is dat het Court of Appeal kennelijk geen aanmerkingen had op het oordeel van de High Court om de rechtsmacht ten aanzien van de verschillende verzoeken van de vrouw (echtscheiding, alimentatie en huwelijksvermogen) afzonderlijk te beoordelen. Anders dan het middel betoogt, heeft het Hof dit als een relevante omstandigheid kunnen betrekken in zijn oordeelsvorming. Het Hof heeft hiermee duidelijk willen maken dat de wijze waarop de High Court zijn rechtsmacht in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak heeft beoordeeld, stand heeft gehouden in de beslissing van het Court of Appeal van 20 maart 2017.20.Indien dat anders was geweest en het bevoegdheidsoordeel van de High Court in hoger beroep zou zijn vernietigd, zou de erkenning van de beslissing van de High Court op grond van art. 431 lid 2 Rv Curaçao niet aan de orde kunnen zijn. Immers, een beslissing van de rechter in eerste aanleg die in hoger beroep is vernietigd komt niet voor erkenning in aanmerking.
4.9
De klachten van subonderdeel 1.1 falen derhalve.
4.10
Subonderdeel 1.2 heeft betrekking op het oordeel van het Hof in rov. 4.17 e.v. dat de rechtsmacht van de Engelse rechter in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak is gebaseerd op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, namelijk de gewone verblijfplaats van de vrouw in het Verenigd Koninkrijk gedurende een periode van twaalf maanden voorafgaand aan de indiening van het gewijzigde verzoek van 13 januari 2016. Het middel komt hiertegen op met de volgende klachten. Naar internationaal algemeen aanvaarde maatstaven komt rechtsmacht primair toe aan de gerechten van de staat waar de verweerder zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft (forum rei). Op deze hoofdregel van rechtsmacht kan slechts een uitzondering worden gemaakt in geval van bijzondere bijkomende omstandigheden. De woonplaats of gewone verblijfplaats van de verzoeker (forum actoris) is internationaal gezien geen algemeen aanvaarde bevoegdheidsgrond en wordt zelfs als exorbitant aangemerkt. Voor zover het forum actoris wel als bevoegdheidsgrond in aanmerking komt, gelden aanvullende eisen. Het Hof zou dit alles hebben miskend door bij de toetsing van de Engelse beslissing aan de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank niet de hoofdregel van rechtsmacht van het forum rei maar de uitzondering van het forum actoris tot uitgangspunt te nemen. Ook zou het Hof hebben miskend dat de uitzondering van het forum actoris eng moet worden uitgelegd met inachtneming van de daarvoor geldende aanvullende eisen.
4.11
Deze klacht hangt samen met onderdeel 2, dat betrekking heeft op de volgende overwegingen van het Hof:
‘beoordeling Hof internationale aanvaardbaarheid
4.17
Naar het oordeel van het Hof is voldoende komen vast te staan dat de UK-rechter zijn bevoegdheid heeft aangenomen op gronden die naar internationale normen algemeen aanvaardbaar zijn. Voor dit oordeel sluit het Hof (met partijen) aan bij de inhoud van de door partijen genoemde twee Verordeningen, die gelet op de Europese context van deze zaak (met in de UK en in Portugal aangespannen procedures) relevant moeten worden geacht.
4.18
Daarbij geldt dat Brussel II-bis Vo (waarbij de UK in 2016 lidstaat was) alleen van toepassing is op procedures die strekken tot echtscheiding en niet op zelfstandige verzoeken inzake huwelijksvermogensrecht. Op die laatste verzoeken is de HuwVo (daterend uit 2016, waarbij de UK nooit lidstaat is geweest) van toepassing, maar alleen voor zaken die op of na 29 januari 2019 aanhangig zijn gemaakt. Dit alles doet niet af aan het belang van beide Verordeningen als aanknopingspunten voor de toets of de grond waarop de UK-rechter zijn bevoegdheid heeft aangenomen internationaal algemeen aanvaardbaar is.
4.19
In beide Verordeningen is het uitgangpunt dat de gewone verblijfplaats van verzoeker als grond voor bevoegdheid kan worden aangenomen als deze daar tenminste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek zijn of haar gewone verblijfplaats had. De UK-rechter heeft deze grond toegepast op het op 13 januari 2016 ingediende “Application for Financial Relief”, welk verzoek nog niet eerder behandeld en beoordeeld was en heeft vervolgens geconstateerd dat de vrouw één jaar voorafgaand aan deze datum haar gewone verblijfplaats in de UK had.’
4.12
Onderdeel 2 valt uiteen in drie subonderdelen. Volgens subonderdeel 2.1 is het oordeel van het Hof in rov. 4.19 om de volgende redenen rechtens onjuist. Op grond van art. 5 lid 2 sub a HuwVermVo jo. art. 3 lid 1 sub a, vijfde streepje, Brussel II-bis geldt dat, wanneer de rechtsmacht van de echtscheidingsrechter is gebaseerd op de gewone verblijfplaats van de verzoeker in het land van het aangezochte gerecht (hierna ook wel: de forumstaat), de accessoire bevoegdheid van deze rechter om kennis te nemen van een huwelijksvermogensrechtelijk verzoek afhankelijk is van een overeenkomst tussen de partijen. Gesteld noch gebleken is dat partijen in de Engelse procedure een dergelijke overeenkomst hebben gesloten. Indien een huwelijksvermogensrechtelijke verdeling zelfstandig wordt verzocht buiten een echtscheidingsprocedure, geldt op grond van art. 6 HuwVermVo dat de rechtsmacht niet kan worden gebaseerd op het forum actoris, omdat de gewone verblijfplaats van de verzoeker in dit artikel niet als aanknopingspunt voor de rechtsmacht wordt genoemd. Ten onrechte heeft het Hof dan ook geoordeeld dat in de Verordening Brussel II-bis en de HuwVermVo als uitgangspunt geldt dat de gewone verblijfplaats van de verzoeker als bevoegdheidsgrond kan worden aangenomen, wanneer de verzoeker ten minste een jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoek zijn gewone verblijfplaats in de forumstaat had. Voorts klaagt het middel dat het oordeel van het Hof onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd, omdat de man gemotiveerd heeft uiteengezet dat het door het Hof in rov. 4.19 geformuleerde uitgangspunt niet aan de Verordening Brussel II-bis en de HuwVermVo kan worden ontleend, terwijl het Hof daaraan geen (kenbare) aandacht heeft besteed. Subonderdeel 2.2 bevat een motiveringklacht: voor zover het Hof met zijn overweging in rov. 4.17 dat het met partijen aansluit bij de inhoud van de door partijen genoemde Verordening Brussel II-bis en de HuwVermVo, zou bedoelen dat de man zich op het standpunt heeft gesteld dat in deze verordeningen aanknopingspunten zijn te vinden voor het uitgangspunt dat het Hof in rov. 4.19 formuleert, is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd. De man heeft immers aangevoerd dat toepassing van (de uitgangspunten in) deze verordeningen geen rechtsmacht voor de Engelse rechter zou opleveren, maar zou leiden tot rechtsmacht van de gerechten (van de toenmalige woonplaats van de man) in Portugal. Subonderdeel 2.3 bouwt voort op de voorgaande klachten.
4.13
Ik stel het volgende voorop. Terecht heeft het Hof in rov. 4.4 vooropgesteld, het in de rechtspraak van de Hoge Raad aanvaarde uitgangspunt, dat bij de beoordeling van de vraag of de rechtsmacht van de buitenlandse rechter berust op een naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond, ‘aansluiting’ dient te worden gezocht bij relevante verdragen en verordeningen, nu wat daarin is vastgelegd een aanwijzing oplevert voor hetgeen internationaal aanvaardbaar wordt geacht.21.Verdragen en verordeningen kunnen in dit verband derhalve ‘tot richtsnoer’ worden genomen.22.Dat het Hof in rov. 4.17 e.v. vervolgens aansluiting heeft gezocht bij de bevoegdheidsregeling in de HuwVermVo ligt voor de hand. Er zijn immers geen andere relevante verdragen of verordeningen waarin het internationaal bevoegdheidsrecht in huwelijksvermogensrechtelijke zaken wordt geregeld.23.Weliswaar hebben het Haags Huwelijksgevolgenverdrag 190524.en het Haags Huwelijksvermogensverdrag 197825.betrekking op internationale aspecten van het huwelijksvermogensrecht, maar deze verdragen regelen uitsluitend het toepasselijke recht (conflictenrecht) en bevatten geen regels over het internationaal bevoegdheidsrecht.
4.14
Dat het Hof in rov. 4.17 e.v., naast de HuwVermVo, ook aansluiting heeft gezocht bij de Verordening Brussel II-bis, ligt minder voor de hand. Zoals het Hof zelf ook onderkent in rov. 4.18, eerste volzin, heeft deze verordening betrekking op echtscheiding (en ouderlijke verantwoordelijkheid) en wordt in overweging 8 van de considerans van de verordening de ‘vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk’ uitgesloten van het materiële toepassingsgebied van de verordening. Anders dan het Hof meent, kan aan de Verordening Brussel II-bis dan ook geen aanknopingspunt worden ontleend in het kader van de vraag of de bevoegdheidsgrond die ten grondslag ligt aan de Engelse beslissing in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. Hooguit komt aan de Verordening Brussel II-bis betekenis toe in het kader van de accessoire bevoegdheid van de rechter die over de echtscheiding oordeelt om op grond van art. 5 HuwVermVo kennis te nemen van een met de echtscheiding verband houdend verzoek met betrekking tot het huwelijksvermogensrecht.26.Ik beperk mij hierna dan ook tot de vraag of uit de HuwVermVo volgt dat de bevoegdheidsgrond waarop de Engelse rechter in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak rechtsmacht heeft aangenomen naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is.
4.15
Minder gelukkig is dat het Hof in rov. 4.17, bij het verantwoorden waarom het in dit geval aansluiting zoekt bij de HuwVermVo, ‘de Europese context van deze zaak (met in de UK en in Portugal aangespannen procedures)’ noemt, net als de opmerking in rov. 4.18 dat het Verenigd Koninkrijk nooit gebonden is geweest aan de HuwVermVo en dat deze verordening alleen geldt voor zaken die op of na 29 januari 2019 aanhangig zijn geweest. Aan de geografische en temporele reikwijdte van de HuwVermVo komt in dit verband namelijk geen betekenis toe, omdat de verordening slechts als ‘richtsnoer’ geldt om te achterhalen welke bevoegdheidsgronden in huwelijksvermogensrechtelijke zaken internationaal gezien algemeen aanvaardbaar kunnen worden geacht.27.Dat het Hof dit uiteindelijk zelf ook heeft ingezien blijkt uit rov. 4.18, derde volzin, waarin het overweegt dat de beperkingen in de geografische en temporele reikwijdte van de HuwVermVo niet afdoen aan het belang van deze verordening als aanknopingspunt voor de beoordeling of de grond waarop de Engelse rechter zijn rechtsmacht heeft gebaseerd naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is.
4.16
Kan uit de HuwVermVo worden afgeleid dat de Engelse rechter zijn rechtsmacht heeft gebaseerd op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is? Uit de Engelse beslissing volgt dat de rechtsmacht van de Engelse rechter in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak (primair) is gebaseerd op de gewone verblijfplaats van de vrouw als verzoeker in het Verenigd Koninkrijk gedurende een periode van twaalf maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoek. De vraag rijst of voor deze bevoegdheidsgrond aanknopingspunten zijn te vinden in de HuwVermVo. Voor zover van belang, wordt in de HuwVermVo onderscheid gemaakt tussen enerzijds de bevoegdheid van de echtscheidingsrechter die in het kader van de echtscheidingsprocedure verzocht wordt om (bij wijze van nevenvoorziening) een beslissing te nemen over het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten (art. 5 HuwVermVo), en anderzijds de bevoegdheid van de rechter om buiten echtscheiding, in het kader van een zelfstandige procedure, te oordelen over het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten (art. 6 HuwVermVo). In het eerste geval is de rechter die op grond van de Verordening Brussel II-bis28.bevoegd is om van het echtscheidingsverzoek kennis te nemen, eveneens bevoegd om te beslissen op het huwelijksvermogensrechtelijke verzoek dat met de echtscheiding samenhangt (art. 5 lid 1 HuwVermVo). Indien de rechtsmacht inzake de echtscheiding is gebaseerd op de gewone verblijfplaats van de verzoeker in de lidstaat van het aangezochte gerecht gedurende een periode van ten minste twaalf maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het echtscheidingsverzoek (art. 3 lid 1 sub a, vijfde gedachtestreepje, Brussel II-bis), kan de echtscheidingsrechter alleen accessoire bevoegdheid ten aanzien van het huwelijksvermogensrechtelijke verzoek aannemen wanneer de echtgenoten deze accessoire bevoegdheid bij overeenkomst hebben aanvaard (art. 5 lid 2 sub a HuwVermVo).29.In het tweede geval, waarin het huwelijksvermogensrechtelijke verzoek aan bod komt in het kader van een zelfstandige procedure buiten echtscheiding, geldt de bevoegdheidsregeling van art. 6 HuwVermVo.30.
4.17
Het Hof noemt in het bestreden vonnis niet expliciet bij welk artikel uit de HuwVermVo het aansluiting heeft gezocht bij het toetsen van de Engelse beslissing aan de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank. In rov. 4.19 wijst het Hof op het uitgangspunt in de HuwVermVo ‘dat de gewone verblijfplaats van verzoeker als grond voor bevoegdheid kan worden aangenomen als deze daar ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek zijn of haar gewone verblijfplaats had’. Daarmee doelt het Hof kennelijk op de bevoegdheidsregel van art. 5 lid 1 HuwVermVo jo. art. 3 lid 1 sub a, vijfde gedachtestreepje, Brussel II-bis, aangezien dit het enige artikel in de HuwVermVo is waarin voor de rechtsmacht wordt aangeknoopt bij de gewone verblijfplaats van de verzoeker in de forumstaat gedurende een periode van twaalf maanden. Hiervan uitgaande geldt het volgende.
4.18
Op zichzelf genomen voert het middel terecht aan dat het Hof in het bestreden vonnis geen aandacht heeft besteed aan het aanvullende vereiste van een overeenkomst tussen de echtgenoten zoals bedoeld in art. 5 lid 2 sub a HuwVermVo. Ik betwijfel echter of aan de bevoegdheidsregeling in art. 5 HuwVermVo in dit geval überhaupt wordt toegekomen. Zoals gezegd, geldt deze bevoegdheidsregeling alleen wanneer het huwelijksvermogensrechtelijke verzoek (als nevenvoorziening) aan bod komt in het kader van een echtscheidingsprocedure bij het op grond van de Verordening Brussel II-bis bevoegde gerecht. Het doel van deze bevoegdheidsregeling is om de echtscheiding en de verdeling van het huwelijksvermogen te concentreren bij één bevoegd gerecht die in dezelfde procedure over beide onderwerpen oordeelt.31.Deze situatie doet zich echter niet voor in de Engelse procedure in de onderhavige zaak. In de Engelse beslissing wordt duidelijk gemaakt dat het verzoek van de vrouw geen betrekking heeft op de echtscheiding maar op de verdeling van het huwelijksvermogen.32.Hoewel de vrouw aanvankelijk om echtscheiding heeft verzocht, is de Engelse rechter aan dat verzoek niet toegekomen omdat de talaq in Engeland is erkend. De Engelse procedure is voortgezet als een zelfstandige procedure inzake de verdeling van het huwelijksvermogen. Anders gezegd, de rechtsmacht inzake de verdeling van het huwelijksvermogen is door de Engelse rechter beoordeeld in het kader van een zelfstandige procedure los van de echtscheiding. Het huwelijksvermogensrecht betreft dan ook geen aan de echtscheiding accessoir onderwerp dat (als een nevenvoorziening) in het kader van een echtscheidingsprocedure aan bod komt bij de op grond van de Verordening Brussel II-bis bevoegde rechter. Voor het beantwoorden van de vraag of de rechtsmacht van de Engelse rechter in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak is gebaseerd op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, kan naar mijn mening dan ook geen aansluiting worden gezocht bij de bevoegdheidsregeling in art. 5 HuwVermVo.
4.19
Nu aan art. 5 HuwVermVo in dit geval geen relevantie toekomt, komt de bevoegdheidsregeling in art. 6 HuwVermVo in beeld. Voor zover van belang, verleent dit artikel in huwelijksvermogensrechtelijke zaken in een zelfstandige procedure buiten echtscheiding internationale bevoegdheid aan de gerechten van de lidstaat (a) waar de echtgenoten op het tijdstip van het aanbrengen van de zaak hun gewone verblijfplaats hebben of, bij gebreke daarvan, (b) waar zich de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt, mits een van hen daar op het tijdstip van aanbrengen nog verblijft, of, bij gebreke daarvan, (c) waar de gedaagde op het tijdstip van aanbrengen zijn gewone verblijfplaats heeft of, bij gebreke daarvan, (d) waarvan de beide echtgenoten op het tijdstip van aanbrengen de nationaliteit hebben. Zoals het middel terecht opmerkt ontbreekt de gewone verblijfplaats van de verzoeker in de forumstaat (forum actoris) als afzonderlijke bevoegdheidsgrond voor de rechtsmacht in de bevoegdheidsregeling van art. 6 HuwVermVo. De bevoegdheidsgrond onder (b) zou eventueel tot een forum actoris kunnen leiden, maar alleen als dit samenvalt met het land waar zich de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt. Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat het Verenigd Koninkrijk niet geldt als het land van de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten.
4.20
In de HuwVermVo ontbreken, naast art. 5 en 6, andere bevoegdheidsregels waarin de rechtsmacht in huwelijksvermogensrechtelijke zaken kan worden gebaseerd op de gewone verblijfplaats van de verzoeker in de forumstaat.
4.21
In het licht van het voorgaande heeft het Hof in de HuwVermVo naar mijn mening ten onrechte een aanknopingspunt gevonden voor het oordeel dat de Engelse rechter zijn rechtsmacht in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak heeft gebaseerd op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. Aansluiting bij de bevoegdheidsregeling van de HuwVermVo leidt tot de conclusie dat de rechtsmacht van de Engelse rechter, voor zover gebaseerd op een forum actoris, in de kern niet overeenkomt met of vergelijkbaar is aan een bevoegdheidsgrond uit de verordening die geldt wanneer een huwelijksvermogensrechtelijk verzoek aan bod komt in het kader van een zelfstandige procedure buiten echtscheiding. De klachten van het middel tegen het andersluidende oordeel van het Hof zijn dus terecht voorgesteld. De rechtsmacht van de Engelse rechter volgt overigens evenmin uit een andere bevoegdheidsgrond uit de HuwVermVo die internationaal wel algemeen aanvaardbaar is.
4.22
Overigens is mij ook buiten de HuwVermVo niet gebleken van een (min of meer) internationale consensus over het forum actoris als algemeen aanvaarde bevoegdheidsgrond in huwelijksvermogensrechtelijke zaken buiten echtscheiding. In haar schriftelijke toelichting (p. 10 e.v.) noemt de vrouw dat België, Zwitserland, Denemarken, Duitsland, Portugal, Tsjechië en Polen in hun commune internationaal bevoegdheidsrecht (onder voorwaarden) een forum actoris aanvaarden als bevoegdheidsgrond in huwelijksvermogensrechtelijke zaken (naar ik aanneem: buiten echtscheiding). Nog daargelaten dat deze rechtsvergelijkende analyse is beperkt tot slechts zeven landen, en ik aanwijzingen heb dat Duitsland en Portugal het forum actoris juist afwijzen als bevoegdheidsgrond,33.betwijfel ik of deze landen voldoende representatief zijn. Er zijn namelijk ook landen waarin het forum actoris niet als bevoegdheidsgrond geldt voor de rechtsmacht in huwelijksvermogensrechtelijke zaken buiten echtscheiding. Ik noem bijvoorbeeld Italië, Griekenland, Roemenië en Slovenië.34.Maar ook in het Nederlandse commune internationaal bevoegdheidsrecht ontbreekt een forum actoris als bevoegdheidsgrond in huwelijksvermogensrechtelijke zaken buiten echtscheiding. Afgezien van de mogelijkheid van een uitdrukkelijke forumkeuze in art. 8 Rv en van een stilzwijgende forumkeuze in art. 9 sub a Rv, zal de Nederlandse rechter op grond van art. 2 Rv in huwelijksvermogensrechtelijke zaken buiten echtscheiding alleen rechtsmacht kunnen aannemen wanneer de gedaagde zijn woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft.35.
4.23
In onderdeel 1.3 wordt aangevoerd dat het Hof heeft miskend dat de rechtsmacht tot verdeling van het huwelijksvermogen op basis van de huwelijksontbinding naar internationale maatstaven pas algemeen aanvaardbaar is nadat rechtsgeldig een civiele echtscheiding tot stand is gebracht en/of is uitgesproken door een bevoegde civiele rechter. In de Engelse beslissing tot verdeling van het huwelijksvermogen is de rechter ervan uitgegaan dat het huwelijk van partijen is ontbonden door een talaq (rov. 3.8 en 4.34). Dat levert, behalve strijd met de erkenningsvoorwaarde onder (iii) van Gazprombank, de openbare orde exceptie (zie onderdeel 4), ook strijd op met de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank. Voor zover het Hof dit niet heeft miskend, is het oordeel van het Hof volgens het middel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de stellingen van de man dat (i) nooit een rechtsgeldige civiele echtscheiding tot stand is gebracht, terwijl dat een noodzakelijke voorwaarde is voor de erkenning van een buitenlandse huwelijksvermogensrechtelijke beslissing, (ii) de erkenning van de Engelse beslissing in Portugal tot in hoogste instantie is afgewezen omdat een buitenlandse huwelijksvermogensrechtelijke beslissing niet in Portugal kan worden erkend als tussen partijen geen civiele echtscheiding (maar slechts een islamitische echtscheiding) bestaat, en (iii) de talaq in het Verenigd Koninkrijk niet wordt erkend als een rechtsgeldige echtscheiding.
4.24
Nog daargelaten dat deze klacht thuishoort bij de beoordeling van de erkenningsvoorwaarde onder (iii) van Gazprombank, de openbare orde exceptie (zie onderdeel 4), gaat het middel eraan voorbij dat bij de beoordeling van de rechtsmacht van de Engelse rechter in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak in het kader van de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank, geen eisen kunnen worden gesteld aan de wijze waarop het huwelijk tussen de echtgenoten (in het buitenland) is ontbonden. In dat verband is evenmin van belang of een in het buitenland tot stand gekomen huwelijksontbinding voor erkenning in aanmerking komt in het land van de erkenningsrechter. In het kader van de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank beperkt de toetsing zich tot de vraag of de rechtsmacht van de buitenlandse rechter berust op een bevoegdheidsgrond die internationaal gezien algemeen aanvaardbaar is, zonder daarbij acht te slaan op de erkenning van het rechtsfeit dat of de rechtsverhouding die aan de buitenlandse beslissing ten grondslag ligt. Ik verwijs hiervoor verder naar de bespreking van onderdeel 4.
4.25
Onderdeel 3 is van belang voor het geval het Hof, anders dan in onderdeel 2 is aangevoerd, in het kader van de toetsing aan de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank mocht uitgaan van het uitgangspunt dat de gewone verblijfplaats van de verzoeker in huwelijksvermogensrechtelijke zaken naar internationale maatstaven als een algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond geldt wanneer de verzoeker ten minste een jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoek zijn gewone verblijfplaats in de forumstaat had. Nu ik hiervoor tot de conclusie ben gekomen dat subonderdeel 2.1 terecht klaagt over het hiervoor vermelde uitgangspunt in de beslissing van het Hof, behoeft onderdeel 3 in principe geen bespreking. Ten overvloede merk ik het volgende op.
4.26
De klachten van onderdeel 3 houden het volgende in. Bij de toetsing van de Engelse beslissing aan de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank heeft het Hof het peilmoment voor de toetsing van de rechtsmacht van de Engelse rechter miskend. De rechtsmacht wordt getoetst naar het moment van aanbrengen van de zaak bij de rechter in eerste aanleg; een wijziging in de feiten en omstandigheden na dit tijdstip heeft geen invloed op de rechtsmacht (perpetuatio fori). Ten onrechte beoordeelt het Hof in rov. 4.21 of de Engelse rechter internationaal bevoegd is op grond van het gewijzigde verzoek van de vrouw van 13 januari 2016 in plaats van het oorspronkelijke verzoek van de vrouw van 31 juli 2015. Ten tijde van het oorspronkelijke verzoek had de vrouw nog geen twaalf maanden haar gewone verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk. (subonderdeel 3.1) Indien het Hof het gewijzigde verzoek van de vrouw van 13 januari 2016 heeft gekwalificeerd als een nieuw verzoek, heeft het Hof de feitelijke grondslag van het verweer van de vrouw aangevuld en/of is het Hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep getreden. Het verzoek van 13 januari 2016 betreft immers een wijziging van het oorspronkelijke verzoek van 31 juli 2015. (subonderdeel 3.2) Los van het voorgaande geldt als peilmoment voor de toetsing van de rechtsmacht van de Engelse rechter het moment waarop de vrouw toestemming (leave) heeft verzocht aan de Engelse rechter voor het indienen van een verzoek om verdeling van het huwelijksvermogen (8 januari 2015), althans het moment waarop de Engelse rechter die toestemming heeft verleend (30 juli 2015). Op die twee momenten had de vrouw nog geen twaalf maanden haar gewone verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk. (subonderdeel 3.3)
4.27
Met deze klachten miskent het middel dat het aan de Engelse rechter is om op grond van zijn eigen regels van procesrecht te beoordelen van welk verzoek van de vrouw hij uitgaat voor de toetsing van zijn rechtsmacht in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak. In de Engelse beslissing is niet het oorspronkelijke verzoek van de vrouw van 31 juli 2015 maar haar gewijzigde verzoek van 13 januari 2016 tot uitgangspunt genomen voor de beoordeling van de rechtsmacht in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak. Kennelijk is de Engelse rechter op grond van zijn eigen regels van procesrecht van oordeel geweest dat met het gewijzigde verzoek van 13 januari 2016, hetzij het oorspronkelijke verzoek van 31 juli 2015 is achterhaald, hetzij het beoordelingsmoment voor zijn rechtsmacht om een andere reden is verschoven naar 13 januari 2016. Zo heeft het Hof het oordeel van de Engelse rechter over het beoordelingsmoment voor de rechtsmacht kennelijk ook opgevat (rov. 4.20). Dit oordeel van het Hof berust op zijn uitleg van de Engelse beslissing en is als zodanig van feitelijke aard.36.Onbegrijpelijk is dat oordeel niet.
4.28
In onderdeel 4 betoogt het middel dat het Hof bij de toetsing aan de erkenningsvoorwaarde onder (iii) van Gazprombank, de openbare orde exceptie, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en/of het Hof zijn beslissing dat geen strijd is met de openbare orde van Curaçao onvoldoende heeft gemotiveerd. De relevante overwegingen van het Hof zijn als volgt:
‘(iii) derde criterium: geen strijd met de openbare orde
4.33
Het Hof moet bij toetsing van dit criterium nagaan of erkenning van de UK-uitspraken in strijd is met de openbare orde in Curaçao, dit om te voorkomen dat hier een buitenlandse rechterlijke beslissing wordt erkend die naar haar totstandkoming of inhoud in strijd is met de beginselen en waarden die in de rechtsorde in Curaçao als fundamenteel worden aangemerkt.
4.34
De man heeft onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat hiervan sprake is. Ook indien aangenomen zou worden dat de Talaq strijdig is met de openbare orde in Curaçao en hier niet ingeschreven kan worden, zoals de man heeft gesteld, dan leidt dit nog niet tot de conclusie dat de UK-uitspraken, die de Talaq als uitgangspunt nemen, maar alleen de verdeling van het huwelijkse vermogen van partijen betreffen, hier niet erkend zouden kunnen worden. Overigens hebben partijen ter mondeling behandeling in hoger beroep verklaard dat de echtscheiding tussen partijen inmiddels is uitgesproken (in Portugal), zodat de verdeling van het huwelijkse vermogen (hoe dan ook) op enig moment zal moeten plaatsvinden.
4.35
Ook bij de toetsing aan dit criterium is van belang dat de man niet alle beschikbare rechtsmiddelen in de UK heeft uitgeput, zoals hiervoor is overwogen.
conclusie ter zake van criterium (iii)
4.36
De conclusie luidt dat de man onvoldoende heeft aangevoerd om aan te nemen dat de UK-uitspraken in strijd zijn met de openbare orde in Curaçao. Dit is ook niet gebleken. Aan het derde van de Gazprombank-criteria is dus ook voldaan.’
4.29
Onderdeel 4 bestaat uit twee subonderdelen. In subonderdeel 4.1 wordt het volgende aangevoerd. Het Hof laat in het midden of de talaq in strijd is met de openbare orde in Curaçao, zoals de man heeft gesteld, zodat in cassatie veronderstellenderwijs daarvan moet worden uitgegaan. Tegen deze achtergrond heeft het Hof in rov. 4.34 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting: aan de verdeling van het huwelijksvermogen op basis van de huwelijksontbinding kan pas worden toegekomen nadat tussen partijen rechtsgeldig een civiele echtscheiding tot stand is gebracht en/of is uitgesproken door een civiele rechter. Hieraan doet niet af dat de Engelse beslissing alleen de verdeling van het huwelijksvermogen betreft. Ook heeft het Hof onvoldoende gereageerd op relevante stellingen die de man hierover heeft ingenomen. Ten onrechte heeft het Hof van belang geacht dat de echtscheiding tussen partijen ten tijde van de mondeling behandeling in hoger beroep inmiddels was uitgesproken in Portugal, zodat de verdeling van het huwelijksvermogen (hoe dan ook) op enig moment zou moeten plaatsvinden. In de Engelse beslissing wordt namelijk de talaq en niet de Portugese echtscheiding als uitgangspunt genomen voor de verdeling van het huwelijksvermogen. In ieder geval heeft het Hof miskend dat de buitenlandse echtscheidingsbeslissing waarop met de beslissing tot verdeling van het huwelijksvermogen wordt voortgebouwd, onherroepelijk moet zijn. Tegen de Portugese echtscheidingsbeslissing is hoger beroep ingesteld. Voorts heeft de man aangevoerd dat deze echtscheidingsbeslissing hangende de procedure bij de hoogste Portugese rechter is geschorst.37.Subonderdeel 4.2 voert het volgende aan. In rov. 4.35 heeft het Hof miskend dat het niet uitputten van alle beschikbare rechtsmiddelen in het Verenigd Koninkrijk door de man een relevante omstandigheid kan zijn in het kader van de toetsing aan de erkenningsvoorwaarde onder (iii) van Gazprombank. Het is aan de erkenningsrechter om te beoordelen of, gelet op alle omstandigheden van het geval, hiervan ook sprake is. In rov. 4.35 heeft het Hof ten onrechte geen acht geslagen op de relevante omstandigheden van het geval. Het oordeel van het Hof is ieder geval onvoldoende gemotiveerd, omdat het geen inzicht biedt in zijn gedachtegang.
4.30
Voor zover het middel inhoudt dat de erkenning van de Engelse beslissing tot verdeling van het huwelijksvermogen afstuit op de voorwaarde onder (iii) van Gazprombank, de openbare orde exceptie, omdat aan deze beslissing de talaq ten grondslag ligt die niet kan worden erkend in Curaçao, geldt het volgende. Ik stel voorop dat de vrouw in deze procedure de erkenning inroept van de Engelse beslissing voor zover de man daarin is veroordeeld om uit hoofde van de verdeling van het huwelijksvermogen een bedrag van GBP 61.559.339 aan de vrouw te betalen. De erkenning van de talaq is als zodanig in deze procedure niet aan de orde. De vraag die het middel aan de orde stelt is of voor de erkenning van de huwelijksvermogensrechtelijke beslissing van de Engelse rechter in Curaçao is vereist dat het rechtsfeit dat aanleiding is geweest voor en ten grondslag is gelegd aan deze beslissing – de ontbinding van het huwelijk van partijen op grond van de talaq – ook voor erkenning in aanmerking komt in Curaçao. Anders gezegd, moet in het kader van het verzoek van de vrouw op grond van art. 431 lid 2 Rv Curaçao eerst de voorvraag naar de erkenning van de talaq in bevestigende zin worden beantwoord, voordat kan worden toegekomen aan de hoofdvraag naar de erkenning van de huwelijksvermogensrechtelijke beslissing?
4.31
Deze kwestie naar de relevantie van de voorvraag in het kader van de erkenning van een beslissing over de hoofdvraag komt aan de orde in verschillende verdragen en verordeningen waarin de erkenning en tenuitvoerlegging wordt geregeld van rechterlijke beslissingen met betrekking tot levensonderhoud en huwelijksvermogensrecht.
4.31.1
Zie art. 1, tweede alinea, van het Haags Kinderalimentatie-Executieverdrag 1958:38.
‘Indien een beslissing uitspraken bevat over een ander punt dan de onderhoudsverplichting, werkt het Verdrag slechts ten aanzien van de uitspraak over de onderhoudsverplichting.’
4.31.2
In dezelfde zin art. 3 van het Haags Alimentatie-Executieverdrag 1973:39.
‘Indien de beslissing of schikking niet alleen de onderhoudsverplichting betreft, blijft de werking van het Verdrag tot deze laatste beperkt.’
Het toelichtend rapport van M. Verwilghen geeft inzicht in wat hiermee is beoogd:
‘35 Article 3 of the Convention reproduces almost word for word the second paragraph of article 1 of the 1958 Enforcement Convention. In accordance with its provisions, the rules of the Convention shall only apply to the body of the decision (…) which relates to the maintenance question. (…) In the absence of such a rule, the majority of States would have been most hesitant about ratifying the Convention or acceding to it. In general, – and article 1 recognises this – the maintenance obligation arises from a family relationship which exists between the maintenance creditor and debtor or, at the very least, from a ‘quasi-family’ relationship between the parties. Countries which are ready to recognise and declare enforceable that part of a foreign judgment which relates to maintenance do not, ipso facto, wish, under the same conditions, to recognise or declare enforceable other parts of that decision; this is the case with parts of decisions which relate to a divorce between the parties, the custody of an infant maintenance creditor, the affiliation ties which unite the maintenance debtor and creditor, etc.
36 Several Delegates remarked that sometimes, if not often, elements involved in a decision other than those relating to the maintenance obligation are made conditions of payment of an allowance by the court of origin. In other words, the court will not require someone to make payment of an allowance if it has not first ruled on a question relating to the family relationship between the creditor and the debtor.
But to be exact, the Commission intended keeping in the new Convention the system created during the Eighth Session of the Hague Conference for the 1958 Enforcement Convention; this system made a distinction between the fact that there is a right to maintenance and the fact that a family tie exists. This system, which was devised at the time when uniform rules of conflicts of laws were being prepared, was extended at that time to conflicts of jurisdiction, without any major objection being raised by the governmental delegations.
37 The Commission realised that the courts of the States which where parties to the 1958 Enforcement Convention did not interpret the second paragraph of article 1 in a uniform way. Some courts refused to recognise or declare enforceable foreign maintenance decisions if the obligation to pay maintenance was based on an affiliation relationship which was not provided for in the lex fori. Others, on the other hand, felt that the Convention should be applied without reference being made to the nature of the paternity proceedings on which the maintenance obligation is based. The wording of article 3 of the new Convention could also give rise to differing interpretations. (…) Hence the importance of the Commission’s opinion on this point.
38 The great majority of Delegates felt that the recognition and enforcement of that part of a foreign decision which relates to maintenance should, in principle, be independent of the effectiveness, in the State addressed, of that part of the said decision which concerns the status of persons or any other matter. The authority charged with taking the necessary steps relating to enforcement (exequatur) need not, therefore, systematically refuse to apply the Convention for the reason that the maintenance obligation is subordinate to, or results from a family or ‘quasi-family’ relationship which is settled, in accordance with the law of the State of origin, in the judgment which is submitted for enforcement. Certainly the able litigant will invoke the plea of public policy (‘ordre public’) supported by the same reasoning in order to bring about a refusal of recognition and enforceability. But it will be seen that the authority addressed can only accept this plea if the part of the decision relating to maintenance is manifestly incompatible with the public policy of the State to which that authority belongs (see Nos 63-64, below).’
4.31.3
Zie voorts art. 19 lid 2 van het Haags Alimentatieverdrag 2007:40.
‘Indien een beslissing niet alleen betrekking heeft op een onderhoudsverplichting, beperkt de werking van dit hoofdstuk zich tot de delen van de beslissing die betrekking hebben op onderhoudsverplichtingen.’
Het toelichtend rapport van A. Borrás & J. Degeling vermeldt hierover:
‘438 This rule comes from Article 3 of the 1973 Hague Maintenance Convention (Enforcement). (…) This rule provides an important safeguard in relation to preliminary or ancillary questions. For example, if a maintenance decision also includes a decision in relation to the establishment of parentage, this latter decision would not necessarily have to be recognised and enforced under the Convention. This is very important since in some States it would be contrary to public policy to recognise the establishment of parentage only for the purposes of maintenance where their domestic law would require that the recognition of parentage could only be done erga omnes. Therefore through this provision it would be possible for such States to recognise and enforce only the part of the decision that deals with the maintenance payment without giving effect to the establishment of parentage per se.’
4.31.4
Verder wijs ik op art. 22 van de Europese Alimentatieverordening:41.
‘De erkenning en de tenuitvoerlegging van een beslissing over onderhoudsverplichtingen op grond van deze verordening houden op generlei wijze de erkenning in van de familiebetrekkingen, de bloedverwantschap, het huwelijk of de aanverwantschap die ten grondslag liggen aan de onderhoudsverplichtingen die tot de beslissing aanleiding hebben gegeven.’
Zie hierover overweging 25 van de considerans van de verordening:
‘De erkenning in een lidstaat van een beslissing inzake onderhoudsverplichtingen heeft uitsluitend ten doel de inning van het in de beslissing vastgestelde levensonderhoud mogelijk te maken. De erkenning houdt niet in de erkenning, door de betrokken lidstaat, van de familiebetrekkingen, de bloedverwantschap, het huwelijk of de aanverwantschap die ten grondslag liggen aan de onderhoudsverplichting die tot de beslissing heeft geleid.’
4.31.5
In de wettekst van de HuwVermVo ontbreekt een regeling over de relevantie van de voorvraag in het kader van de erkenning van een beslissing over de hoofdvraag, maar in overweging 64 van de considerans van de verordening wordt hierover het volgende vermeld:
‘De erkenning en de tenuitvoerlegging van een beslissing betreffende het huwelijksvermogensstelsel volgens deze verordening dienen op generlei wijze de erkenning in te houden van het huwelijk dat ten grondslag ligt aan het huwelijksvermogensstelsel dat tot de beslissing aanleiding heeft gegeven.’
4.32
De strekking van de hiervoor aangehaalde artikelen en overwegingen is om de alimentatiebeslissing of huwelijksvermogensrechtelijke beslissing in het kader van de erkenning en tenuitvoerlegging te abstraheren van de onderliggende rechtsverhouding die of het onderliggende rechtsfeit dat ten grondslag ligt aan de alimentatieverplichting of de verdeling van het huwelijksvermogen. Het gaat om twee afzonderlijke onderwerpen die met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging ook afzonderlijk van elkaar moeten worden beoordeeld. De erkenningsrechter behoeft niet de voorvraag te beantwoorden of de rechtsverhouding die of het rechtsfeit dat aan de te erkennen beslissing ten grondslag ligt in zijn forum wordt erkend. Ook indien die rechtsverhouding of dat rechtsfeit niet voor erkenning in aanmerking komt, sluit dat de erkenning van de op die rechtsverhouding of dat rechtsfeit gebaseerde beslissing (tot betaling van alimentatie of tot verdeling van het huwelijksvermogen) niet uit. Kortom: of de alimentatiebeslissing of huwelijksvermogensrechtelijke beslissing voor erkenning in aanmerking komt, moet op zichzelf worden beoordeeld. Hiermee wordt recht gedaan aan het met de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing beoogde doel om de inning van het in de beslissing vastgestelde bedrag aan levensonderhoud of de in de beslissing vastgestelde verdeling van het huwelijksvermogen mogelijk te maken.
4.33
De grenzen van de openbare orde exceptie zouden te veel worden opgerekt als deze weigeringsgrond ingezet zou kunnen worden om de alimentatiebeslissing of huwelijksvermogensrechtelijke beslissing van erkenning uit te sluiten omdat het huwelijk van of de echtscheiding tussen partijen niet kan worden erkend. In dit verband wijs ik op het toelichtend rapport van M. Verwilghen bij het Haags Alimentatie-Executieverdrag 1973:
‘64 It has already been emphasised (No 37, above) that the ties between the maintenance obligations and various matters relating to personal status (affiliation, marriage, divorce, etc.) might drive the maintenance debtor to make a too great use of the plea of public policy. (…) It also seems desirable to state clearly the Commission’s intention on this point.(…)It [the authority addressed, A-G] will, consequently, avoid systematically giving public policy as a reason for refusing to enforce maintenance obligations based on a family or quasi-family relationship which does not come within the cases provided for in the lex fori or in the law declared applicable by the rules of conflict of the forum. (…)’.
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot goedkeuring van het Haags Alimentatie-Executieverdrag 1973 wordt hiervoor ook aandacht gevraagd:
‘De vraag kan rijzen, of het mogelijk is door het inroepen van de exceptie van de openbare orde (artikel 5 onder 1) de erkenning en uitvoerbaarverklaring tegen te houden van een beslissing in onderhoudszaken welke gegeven is op grondslag van een rechtsfeit, bijvoorbeeld een echtscheiding, dat in de aangezochte staat niet kan worden erkend. Een dergelijk beroep kan niet slagen, want de erkenning en uitvoerbaarverklaring van de beslissing betreft uitsluitend het deel dat betrekking heeft op de onderhoudsverplichting en slechts in zoverre kan daartegen met een beroep op de openbare orde worden opgekomen.’42.
Zie ook het toelichtend rapport van A. Borrás & J. Degeling bij het Haags Alimentatieverdrag 2007:
‘479 Some delegations expressed their concerns during the Special Commission regarding the possible systematic use of the public policy exception in relation to issues of personal status. It would, for example, be inappropriate for a State systematically to refuse to recognise and enforce child support orders on the basis that, under its law, a father has no obligation to maintain a child born out of wedlock. The public policy exception should in any case have only a very limited application.’
4.34
Ik zou willen bepleiten om onder art. 431 lid 2 Rv Curaçao aansluiting te zoeken bij de wijze waarop in de hiervoor genoemde verdragen en verordeningen de voorvraag (met betrekking tot de rechtsverhouding die of het rechtsfeit dat ten grondslag ligt aan de te erkennen beslissing) wordt behandeld in het kader van de erkenning van de beslissing over de hoofdvraag. Ook onder art. 431 lid 2 Rv Curaçao gaat het om de met de erkenning beoogde inning van het in de buitenlandse beslissing vastgestelde bedrag. Dit laat de onderliggende rechtsverhouding of het onderliggende rechtsfeit ongeroerd. Toegepast op de onderhavige zaak zou dit betekenen dat het Hof in het kader van de erkenningsvoorwaarde onder (iii) van Gazprombank terecht de huwelijksvermogensrechtelijke beslissing van de Engelse rechter heeft geabstraheerd van het onderliggende rechtsfeit (de talaq) dat ten grondslag heeft gelegen aan de Engelse beslissing. Aldus bezien heeft het Hof in rov. 4.34 terecht geoordeeld dat, ook indien met de man wordt aangenomen dat de talaq in strijd is met de openbare orde in Curaçao en hier niet kan worden ingeschreven, dit nog niet leidt tot de conclusie dat de huwelijksvermogensrechtelijke beslissing van de Engelse rechter, die de talaq tot uitgangspunt neemt maar alleen de verdeling van het huwelijksvermogen betreft, hier niet erkend zou kunnen worden.
4.35
Dit resultaat doet ook het meest recht aan de verwachtingen van partijen. Vast staat immers dat (i) zowel de man als de vrouw van elkaar wilden scheiden (zij hebben ieder bij gerechten in verschillende landen om echtscheiding verzocht), (ii) de man het initiatief tot de talaq heeft genomen en ook tot de bevestiging daarvan door de rechter in de Verenigde Arabische Emiraten, (iii) de vrouw zich niet heeft verzet tegen, maar juist heeft ingestemd met, de talaq nadat zij hiervan op de hoogte is gebracht,43.(iv) de man de talaq in de Engelse procedure heeft ingeroepen, (v) de High Court in zijn beslissing (Judgment) van 12 oktober 2016 de talaq heeft erkend als een rechtsgeldige wijze van huwelijksontbinding,44.(vi) de Engelse rechter het echtscheidingsverzoek van de vrouw niet heeft behandeld en de procedure heeft voortgezet als een zelfstandige procedure over het huwelijksvermogen,45.(v) de man in zijn verzoek om verlof voor het instellen van hoger beroep tegen deze uitspraak niet als grond heeft aangevoerd dat de talaq in Engeland niet kan worden erkend, en (vi) het Court of Appeal in zijn beslissing van 20 maart 2017 ervan is uitgegaan dat het huwelijk van partijen is geëindigd als gevolg van de talaq46.. Inherent hieraan is dat de man en de vrouw met elkaar in huwelijksvermogensrechtelijke zin zullen moeten afrekenen.
4.36
De vraag of erkenning van de Engelse beslissing inzake de verdeling van het huwelijksvermogen in strijd is met de openbare orde, moet dan ook op zichzelf worden beoordeeld, los van de vraag naar de erkenning van de talaq in Curaçao. Het recht van de vrouw op betaling van een bedrag uit hoofde van de verdeling van het huwelijksvermogen, zoals vastgesteld in de Engelse beslissing, kan, wanneer deze beslissing voor erkenning vatbaar is, geldend worden gemaakt op de vermogensbestanddelen van de man in Curaçao, ook wanneer de talaq in Curaçao niet voor erkenning in aanmerking zou komen wegens strijd met de openbare orde. De erkenningsvoorwaarde onder (iii) van Gazprombank beperkt zich tot de vraag of erkenning van de huwelijksvermogensrechtelijke beslissing van de Engelse rechter leidt tot een gevolg dat strijd oplevert met fundamentele normen en waarden in Curaçao. Strijd met de openbare orde kan niet worden aangenomen omdat het rechtsfeit dat ten grondslag ligt aan de huwelijksvermogensrechtelijke beslissing – de talaq – niet in Curaçao wordt erkend. Het feit dat partijen in Curaçao nog als gehuwd zouden worden aangemerkt, staat niet in de weg aan erkenning van de huwelijksvermogensrechtelijke beslissing van de buitenlandse rechter waarin partijen als gescheiden zijn aangemerkt.
4.37
Hoewel de vraag naar de erkenning van de talaq geen inzet vormt van de onderhavige zaak, wil ik daarover het volgende opmerken. In Curaçao ontbreekt een wettelijke regeling met betrekking tot de erkenning van een in het buitenland tot stand gekomen talaq. Op dit punt kan aansluiting worden gezocht bij de regeling in het Nederlandse internationaal privaatrecht.47.Uit art. 10:58 BW Nederland volgt dat een ontbinding van het huwelijk in het buitenland die uitsluitend door een eenzijdige verklaring van een der echtgenoten is tot stand gekomen, wordt erkend indien (a) de ontbinding in deze vorm overeenstemt met een nationaal recht van de echtgenoot, die het huwelijk eenzijdig heeft ontbonden; (b) de ontbinding in de staat waar zij geschiedde rechtsgevolg heeft; en (c) duidelijk blijkt dat de andere echtgenoot uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding heeft ingestemd dan wel daarin heeft berust. Ongeacht het bepaalde in art. 10:58 BW Nederland wordt aan een in het buitenland tot stand gekomen ontbinding van het huwelijk erkenning onthouden indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, aldus art. 10:59 BW Nederland.48.Op grond van deze regeling is het niet ondenkbaar, of beter gezegd: lijkt het aannemelijk, dat de talaq in Curaçao voor erkenning in aanmerking komt.49.De talaq lijkt in overeenstemming te zijn met een nationaal recht van de man, te weten het Irakese recht.50.De talaq heeft rechtsgevolg in de staat waar zij geschiedde, de Verenigde Arabische Emiraten.51.En alles wijst erop dat de vrouw heeft ingestemd met de talaq.52.Bovendien zal het lastig zijn om in dit geval de openbare orde exceptie in stelling te brengen. Op het moment van de totstandkoming van de talaq was de rechtssfeer van Curaçao namelijk op geen enkele relevante manier daarbij betrokken: de man noch de vrouw was op grond van gewone verblijfplaats of nationaliteit verbonden met Curaçao. Gelet op de relativiteit van de openbare orde53.zal de talaq, die voldoet aan de voorwaarden van art. 10:58 BW Nederland, in dat geval als fait accompli erkend moeten worden.
4.38
Bij deze stand van zaken faalt de klacht in subonderdeel 4.1 dat het Hof bij de toetsing aan de erkenningsvoorwaarde onder (iii) van Gazprombank heeft miskend dat aan de verdeling van het huwelijksvermogen pas kan worden toegekomen nadat het huwelijk van partijen op een civielrechtelijke wijze rechtsgeldig is ontbonden. De voorvraag of partijen nog gehuwd zijn of als gescheiden gelden op grond van de talaq, staat los van de hoofdvraag naar de erkenning van de huwelijksvermogensrechtelijke beslissing. De vraag of partijen naar Portugees recht al dan niet zijn gescheiden op basis van een onherroepelijke beslissing van de Portugese rechter, is derhalve ook niet van belang. De hierop betrekking hebbende klacht in subonderdeel 4.1 faalt. Voor het overige geldt het volgende. Hoewel ik het met subonderdeel 4.2 eens ben dat best iets valt af te dingen op de motivering van het Hof in rov. 4.35 over de relevantie van het niet-uitputten door de man van alle beschikbare rechtsmiddelen in het Verenigd Koninkrijk,54.kan de hiertegen gerichte klacht niet tot cassatie leiden. Dit oordeel is namelijk niet dragend voor de conclusie van het Hof dat aan de erkenningsvoorwaarde onder (iii) van Gazprombank is voldaan. Overigens komt het mij voor dat aan het niet-uitputten van de beschikbare rechtsmiddelen in het land van herkomst in het algemeen minder gewicht kan worden toegekend wanneer de ingeroepen strijdigheid met de openbare orde geen formele maar materiële aspecten van deze beslissing betreft.55.
4.39
Onderdeel 4 kan dan ook niet tot cassatie leiden.
5. Bespreking van het incidentele cassatieberoep
5.1
Het incidentele cassatieberoep van de vrouw is ingesteld onder de voorwaarde dat het principale cassatieberoep van de man (gedeeltelijk) slaagt. Aan deze voorwaarde is voldaan. Het incidentele cassatiemiddel heeft betrekking op de vraag of de man de rechtsmacht van de Engelse rechter in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak stilzwijgend heeft aanvaard, en zo ja, of deze bevoegdheidsgrond – al dan niet onder de voorwaarde dat is voldaan aan de vergewisplicht zoals bedoeld in art. 8 lid 2 HuwVermVo – naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. In het vonnis van 31 oktober 2022 heeft het Gerecht deze vraag in bevestigende zin beantwoord:
‘4.7. [de vrouw] stelt (…) dat [de man] in de procedure bij de High Court geen bezwaar heeft gemaakt tegen de bevoegdheid en aldus sprake is geweest van een stilzwijgende forumkeuze. [de man] betwist dit en stelt dat hij die bevoegdheid van de Engelse rechter uitdrukkelijk heeft betwist.
4.8.
Dat [de man] de rechtsmacht van de Engelse rechter heeft betwist in de echtscheidingsprocedure is tussen partijen niet in geschil. Niet blijkt echter dat [de man] de rechtsmacht van de Engelse rechter ook heeft betwist in de vermogensrechtelijke procedure. In tegendeel, de Engelse rechter van de High Court heeft in zijn Judgment in rechtsoverwegingen 44, 45 en 46 onder meer het volgende overwogen:
44. Specifically, in relation to his submission to this jurisdiction, these are not Divorce proceedings; these are the financial proceedings after a foreign divorce and the husband has engaged with and submitted to the jurisdiction in respect of this application. By paragraph 7 of the order of Mostyn J of 31 July 2015, the application was amended so that it takes as its jurisdiction the wife's habitual residence in England from 1 January 2015 to 1 January 2016. That jurisdictional basis has never been challenged by [de man] [[de man], het gerecht], and I know of no basis upon which it could have been.
45. After the wife applied for Part III relief there are some 62 communications from the husband's Portuguese lawyers (PLMJ) to the wife's solicitors. There are 15 directly to the Court. There are another 8 variously to counsel's chambers, the wife's solicitors and one to the National Crime Agency. None of these letters is marked, "without prejudice to or submission to the jurisdiction". On the 31 July 2015 Mr Justice Mostyn gave the wife permission to apply under Part III. The husband had notice of that hearing but did not attend, nor instruct others to make representations on his behalf (he had only dispensed with his solicitors four days earlier). Crucially:
a. The husband has not applied to discharge that permission.
b. He has not sought any relief for any sanctions by reason of his non-attendance.
c. He has brought no applications challenging the jurisdiction of the Court to make Part III applications.
d. He has not appealed this order.
46. [...] I am satisfied that in none of the 5 statements which he has filed in these proceedings since the grant of permission was made, has the husband set out, or attempted to set out, any grounds upon which he might have attempted to challenge the court's jurisdiction. Indeed, on the contrary, he has been keen to provide written evidence, in so far as he thought that it might assist him, within these proceedings.
Voorts heeft de Engelse rechter in de Order het volgende overwogen:
The court has within its Judgment of the same date as this order made the following findings: [...]
b. whilst the respondent has repeatedly challenged the Court's jurisdiction to hear a divorce petition, he has at no time challenged the Court's jurisdiction to hear a Part III of the 1984 Act application in respect of which the applicant has been habitually resident in England and Wales for at least the year 1 January 2015 to 1 January 2016. [...]
Daarnaast heeft de Court of Appeal bij Order van 20 maart 2017 ook overwogen:
[...] "the applicant had submitted to the jurisdiction" [...]
4.9.
Op grond van voorgaande overwegingen kan worden vastgesteld dat [de man] in de vermogensrechtelijke procedure is verschenen, dat hij in die procedure geen beroep heeft gedaan op de onbevoegdheid van de Engelse rechter ten aanzien van de vermogensrechtelijke vordering van [de vrouw] en dat hij daartegen verweer heeft gevoerd. Hieruit kan worden afgeleid dat [de man] zich ten aanzien van de vermogensrechtelijke vordering vrijwillig heeft onderworpen aan de rechtsmacht van de Engelse rechter. Aldus is sprake van een stilzwijgende forumkeuze. Naar internationale maatstaven is dit een algemeen aanvaardbaar bevoegdheidsgrond. Dit brengt mee dat is voldaan aan het eerste vereiste voor erkenning van de Engelse beslissing.’
5.2
De man heeft dit oordeel in hoger beroep bestreden. Volgens de man kan geen sprake zijn van een stilzwijgende forumkeuze, omdat hij de rechtsmacht van de Engelse rechter ten aanzien van het echtscheidingsverzoek uitdrukkelijk heeft betwist en de huwelijksvermogensrechtelijke kwestie daarmee verweven is. Bovendien is niet voldaan aan de eisen die art. 8 HuwVermVo aan de stilzwijgende forumkeuze stelt, zodat geen sprake is van een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is.56.
5.3
In het bestreden vonnis heeft het Hof geoordeeld dat is voldaan aan de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank, omdat de Engelse rechter zijn rechtsmacht in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak heeft gebaseerd op de internationaal algemeen aanvaarde bevoegdheidsgrond van de gewone verblijfplaats van de verzoeker in het Verenigd Koninkrijk gedurende een periode van een jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoek. Vervolgens heeft het Hof als volgt overwogen:
‘geen stilzwijgende forumkeuze
4.22
Ten overvloede overweegt het Hof als volgt. Anders dan het Gerecht (in 4.9) is naar het oordeel van het Hof geen sprake van een (geldige) stilzwijgende forumkeuze door de man, gelet op alle omstandigheden van dit geval. Vast staat dat de man in de echtscheidingsprocedure in de UK de bevoegdheid heeft betwist. Vervolgens heeft hij zelf zowel in Portugal als in de Verenigde Arabische Emiraten echtscheidingsprocedures aanhangig gemaakt. Daarmee rijmt niet dat hij zou instemmen met een (afzonderlijke) beoordeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding door de UK-rechter. Zijn proceshouding in de procedure bij de UK-rechter (intrekking van het mandaat van zijn UK-advocaten, afwezigheid bij de zittingen) wijst daar ook niet op. Dat de Portugese advocaten van de man kennelijk wel hebben gecommuniceerd met het High Court en daarbij niet steeds hebben aangegeven een voorbehoud te maken voor wat betreft de bevoegdheid maakt het oordeel niet anders. Daarbij komt dat op grond van de HuwVo (artikel 8) bevoegdheid weliswaar gebaseerd kan worden op een verschijnen van de verweerder, maar dan geldt dat de rechter zich er van moet vergewissen of de verweerder op de hoogte is van zijn recht om de bevoegdheid te betwisten en van de gevolgen van verschijnen of niet-verschijnen. Niet gebleken is dat de UK-rechter dit gedaan heeft.’
5.4
Het oordeel van het Hof in rov. 4.22 is gebaseerd op twee gronden: (i) er is geen sprake van een (geldige) stilzwijgende forumkeuze door de man in de Engelse procedure, en (ii) niet is voldaan aan de vergewisplicht van art. 8 lid 2 HuwVermVo. Met de eerste grond heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het op basis van een eigen beoordeling van de feiten en omstandigheden van oordeel is dat de man de rechtsmacht van de Engelse rechter in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak niet stilzwijgend heeft aanvaard. Hiermee wijkt het Hof niet alleen af van het oordeel van het Gerecht, maar ook van het oordeel van de Engelse rechter die wel van een stilzwijgende forumkeuze is uitgegaan. Met de tweede grond heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat, zo al sprake is van een stilzwijgende forumkeuze in de Engelse procedure, deze bevoegdheidsgrond internationaal niet als een algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond geldt omdat niet is gebleken dat de Engelse rechter heeft voldaan aan de vergewisplicht van art. 8 lid 2 HuwVermmVo. Beide gronden onder (i) en (ii) worden in cassatie bestreden. Alvorens de klachten te bespreken merk ik het volgende op.
5.5
De stilzwijgende aanvaarding van rechtsmacht van het aangezochte gerecht komt voor in verschillende bronnen van internationaal bevoegdheidsrecht. Ik wijs op art. 26 Brussel I-bis,57.art. 24 EVEX-Verdrag II,58.art. 5 Alimentatieverordening, art. 8 HuwVermVo, art. 8 Verordening Partnerschapsvermogensrechtstelsels (hierna: PartVermVo)59.en art. 9 Erfrechtverordening60.. Ook in het Nederlandse commune bevoegdheidsrecht komt de stilzwijgende forumkeuze terug; zie art. 9 sub a Rv. De stilzwijgende forumkeuze komt verder ook voor in verschillende executieverdragen waarin deze bevoegdheidsgrond wordt genoemd als een solide basis voor rechtsmacht: de beslissing van het gerecht dat zich bevoegd heeft verklaard op de grond dat de verweerder zich stilzwijgend heeft onderworpen aan de rechtsmacht, komt voor erkenning en tenuitvoerlegging in aanmerking. Zie art. 20 lid 1 sub b Haags Alimentatieverdrag 2007, art. 5 lid 1 sub f Haags Vonnissenverdrag 2019,61.art. 10 sub 6 Haags Executieverdrag 1971,62.art. 3 sub 3 Haags Kinderalimentatie-Executieverdrag 1958 en art. 7 sub 3 Haags Alimentatie-Executieverdrag 1973.63.
5.6
De stilzwijgende forumkeuze is gebaseerd op de proceshouding van de in de procedure verschenen verweerder. Indien de verweerder in een procedure verschijnt en nalaat om zich tijdig te beroepen op de onbevoegdheid van het aangezochte gerecht, wordt hij geacht de rechtsmacht van dit gerecht stilzwijgend te hebben aanvaard. Met zijn proceshouding geeft de verweerder aan dat hij bereid is om een debat te voeren over de zaak ten gronde bij een gerecht dat anders niet bevoegd zou zijn. Deze bevoegdheidsgrond beoogt een goede procesorde te bevorderen door te voorkomen dat na het debat van partijen over de zaak ten gronde, de verweerder in een later stadium van het geding nog zou kunnen aanvoeren dat het aangezochte gerecht wegens het ontbreken van rechtsmacht niet tot een beoordeling van de zaak ten gronde kan komen. In het stelsel van internationaal bevoegdheidsrecht heeft de stilzwijgende forumkeuzeregeling een subsidiair karakter, dat wil zeggen dat deze regeling pas als bevoegdheidsgrondslag aan bod komt wanneer de rechtsmacht van het aangezochte gerecht niet volgt uit een andere voor toepassing in aanmerking komende bevoegdheidsgrond.64.
5.7
Uit de beslissing (Judgment) van de High Court van 12 oktober 2016 laat zich afleiden dat de Engelse rechter zijn rechtsmacht in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak heeft gebaseerd op twee (zelfstandig dragende) gronden, te weten: (i) primair de gewone verblijfplaats van de vrouw in het Verenigd Koninkrijk gedurende een periode van twaalf maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoek, en (ii) subsidiair de stilzwijgende aanvaarding door de man van de rechtsmacht van de Engelse rechter.65.In zijn verzoek om verlof voor het instellen van hoger beroep tegen de beslissing (Order) van 12 oktober 2016 heeft de man niet als argument aangevoerd dat de High Court ten onrechte op de hiervoor vermelde gronden rechtsmacht heeft aangenomen. Ook het Court of Appeal wijst daarop in de beslissing van 20 maart 2017, waarin het verzoek van de man om verlof tot het instellen van hoger beroep is afgewezen.66.In rov. 4.17 e.v. van het bestreden vonnis heeft het Hof beoordeeld of de primaire grondslag voor de rechtsmacht van de Engelse rechter (de gewone verblijfplaats van de vrouw in de forumstaat) naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. Het Hof heeft deze vraag in bevestigende zin beantwoord, zodat het strikt genomen niet meer behoefde in te gaan op de vraag of de subsidiaire grondslag voor de rechtsmacht van de Engelse rechter (de stilzwijgende forumkeuze) naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. In een overweging ten overvloede heeft het Hof deze vraag wel beantwoord (rov. 4.22). Nu uit de behandeling van het principale cassatiemiddel volgt dat de primaire grondslag voor de rechtsmacht van de Engelse rechter naar internationale maatstaven niet algemeen aanvaardbaar is, komt de vraag aan bod of de subsidiaire grondslag voor de rechtsmacht van de Engelse rechter voldoet aan de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank.
5.8
Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het Hof in rov. 4.22 een onjuiste toets heeft aangelegd bij de beoordeling of de Engelse beslissing voldoet aan de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank. Ten onrechte zou het Hof opnieuw inhoudelijk zijn nagegaan of in de Engelse procedure sprake is geweest van een stilzwijgende forumkeuze van de man, terwijl het Hof slechts had moeten toetsen of de door de Engelse rechter aangenomen stilzwijgende forumkeuze berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. Met deze klacht stelt het middel de vraag aan de orde in hoeverre de Curaçaose erkenningsrechter gebonden is aan de feitelijke en juridische overwegingen in de Engelse beslissing met betrekking tot de stilzwijgende forumkeuze door de man.
5.9
Het oordeel van de Engelse rechter in de beslissing (Judgment) van 12 oktober 2016 dat de man de rechtsmacht in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak stilzwijgend heeft aanvaard, is deels van feitelijke en deels van juridische aard. Zo stelt de Engelse rechter feitelijk vast: ‘45. After the wife applied for Part III relief, there are some 62 communications from the husband’s Portuguese lawyers (...) to the wife’s solicitors. There are 15 directly to the Court. (...) None of these letters is marked, “without prejudice to or submission to the jurisdiction”.’, en voorts: ‘46. (...) that in none of the 5 statements which he has filed in these proceedings since the grant of permission was made, has the husband set out, or attempted to set out, any grounds upon which he might have attempted to challenge the court’s jurisdiction. Indeed, on the contrary, he has been keen to provide written evidence, insofar as he thought that it might assist him, within these proceedings. (...)’. Aan deze feitelijke vaststelling verbindt de Engelse rechter het juridische oordeel dat: ‘43. (…) (a) The husband should be treated as having submitted to this Court for the purposes of the Part III application.’, en voorts: ‘44. (…) the husband has engaged with and submitted to the jurisdiction in respect of this application’. Is de Curaçaose erkenningsrechter gebonden aan deze feitelijke overwegingen en het daarop gebaseerde bevoegdheidsoordeel van de Engelse rechter?
5.10
In verschillende Haagse verdragen op het gebied van de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is aan deze kwestie aandacht besteed. In deze verdragen wordt voor de erkenning en tenuitvoerlegging onder andere als voorwaarde gesteld dat de rechtsmacht van de buitenlandse rechter, die de te erkennen beslissing heeft gegeven, is gebaseerd op een van de bevoegdheidsgronden die in de verdragsregeling wordt genoemd. Deze bevoegdheidstoets lijkt op de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank. Onder deze Haagse verdragen wordt tot uitgangspunt genomen dat de erkenningsrechter gebonden is aan de vaststelling van de feiten waarop de buitenlandse rechter zijn rechtsmacht heeft gebaseerd. Zie art. 25 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996,67.art. 24 Haags Volwassenenbeschermingsverdrag 2000,68.art. 27 Haags Alimentatieverdrag 2007 en art. 9 Haags Alimentatie-Executieverdrag 1973. Soms wordt voor deze gebondenheid nog als voorwaarde gesteld dat de verweerder in de buitenlandse procedure is verschenen. Zie art. 6 Haags Echtscheidingsverdrag 1970,69.art. 8 lid 2 Haags Forumkeuzeverdrag 200570.en art. 9 Haags Executieverdrag 1971. Aangenomen kan worden dat dit uitgangspunt in de Haagse verdragen, als een uitvloeisel van het onderlinge vertrouwen van de verdragsstaten in elkaars rechtsbedeling, is ingegeven vanuit de gedachte dat de procedure bij de erkenningsrechter geen extra feitelijke instantie mag zijn waarin ruimte bestaat voor een inhoudelijk debat over de feiten waarop de rechtsmacht van de buitenlandse rechter is gebaseerd. Dat debat hoort thuis in de procedure die heeft geleid tot de buitenlandse beslissing waarvan de erkenning wordt ingeroepen. Dit uitgangspunt komt overigens ook terug in art. 45 lid 2 Brussel I-bis.
5.11
Verheul heeft de volgende kanttekening geplaatst bij voormeld uitgangspunt:
‘De tweede rechter moet zelfstandig nagaan of de eerste rechter bevoegd was volgens de maatstaven van het toepasselijke verdrag, hetzij van het commune i.p.r. Wat de eerste rechter zelf daarover beweerd heeft is niet bindend voor de tweede rechter. Merkwaardig is nu, dat sommige verdragen de tweede rechter wèl binden aan de feitelijke konstateringen waarop de eerste rechter zijn bevoegdheid heeft gebaseerd. (…) Deze oplossing vertoont een gedachtekronkel. Als een vreemd vonnis gezag heeft op voorwaarde dat het door een bevoegde rechter gewezen is, dan kan voor de vaststelling van die bevoegdheid niet een voorschot op dat gezag worden genomen. Uit praktisch oogpunt kan het echter wel gewenst zijn uit te gaan van de door de vreemde rechter gekonstateerde feiten, althans wanneer de gedaagde in de vreemde procedure verschenen is en die feiten op zich niet betwist heeft. Men zou dan, in het commune i.p.r. of onder een verdrag dat dit punt niet regelt, kunnen werken met de bewijskracht van het vreemde vonnis (waarvoor de bevoegdheidsvoorwaarde niet geldt) of van de processuele houding van de gedaagde die dan een “buitengerechtelijke” bekentenis of rechtsverwerking oplevert.’71.
5.12
Dat de erkenningsrechter in de genoemde Haagse verdragen gebonden is aan de feitelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan het bevoegdheidsoordeel van de buitenlandse rechter, betekent nog niet dat de erkenningsrechter ook gehouden is om de juridische beoordeling van die feiten door de buitenlandse rechter voor juist aan te nemen. Ik verwijs hiervoor naar het toelichtend rapport van T. Hartley & M. Dogauchi bij art. 8 lid 2 Haags Forumkeuzeverdrag 2005:
‘166. (…) Wanneer het aangezochte gerecht dus bijvoorbeeld artikel 8, lid 1, toepast en moet beoordelen of het gerecht van herkomst “in een exclusief forumkeuzebeding is aangewezen”, moet het de feitelijke bevindingen van het gerecht van herkomst aanvaarden. Het moet echter niet zijn juridische beoordeling van die feiten aanvaarden. Als het gerecht van herkomst bijvoorbeeld tot de bevinding was gekomen dat het forumkeuzebeding was gemaakt door middel van een elektronisch communicatiemiddel dat aan de vereisten van artikel 3, onder c), punt ii), voldoet, is het aangezochte gerecht gebonden door de bevinding dat het beding door middel van een elektronisch communicatiemiddel is gemaakt. Het kan echter desalniettemin beslissen dat niet aan artikel 3, onder c), punt ii), was voldaan omdat de toegankelijkheid onvoldoende was om aan de vereisten van artikel 3, onder c), punt ii), te voldoen.’
Zie ook het toelichtend rapport van P. Bellet & B. Goldman bij art. 6 Haags Echtscheidingsverdrag 1970:
‘38. (…) Article 6 lays it down that the authorities of the State in which recognition is sought shall be bound by the bindings of fact on the grounds of which jurisdiction was assumed – which necessarily implies that they are not bound by the legal significance attached to those findings, nor, as the case may be, by any application of legal rules that must be made in order to found jurisdiction.’
5.13
Met Verheul zou ik menen dat het uitgangspunt in de genoemde Haagse verdragen, dat de erkenningsrechter gebonden is aan de feitelijke overwegingen van de buitenlandse rechter met betrekking tot zijn rechtsmacht, niet zou moeten gelden onder het commune internationaal privaatrecht, in dit geval art. 431 Rv Curaçao.72.In commune gevallen geldt niet het uitgangspunt van wederzijds vertrouwen in elkaar rechtsbedeling van de bij de erkenning betrokken staten, zodat het voorkomen van een extra feitelijke instantie in de procedure bij de erkenningsrechter en het concentreren van het partijdebat bij de rechter in de staat van oorsprong geen overtuigende argumenten kunnen zijn om onder het commune recht aansluiting te zoeken bij voormeld uitgangspunt onder de Haagse verdragen. Een procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv Curaçao opent een nieuwe behandeling van het geding, waarbij de rechter, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, de vrijheid heeft om gezag toe te kennen aan feitelijke en juridische overwegingen in de buitenlandse beslissing.73.Het hangt dan mede af van de opstelling van partijen in de buitenlandse procedure in hoeverre acht wordt geslagen op feitelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan de rechtsmacht van de buitenlandse rechter. Maar ook indien in commune gevallen wel aansluiting zou worden gezocht bij voormeld uitgangspunt in de Haagse verdragen, en dus de gebondenheid van de erkenningsrechter aan de feitelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan de rechtsmacht van de buitenlandse rechter tot uitgangspunt wordt genomen, zou ik menen dat voor partijen de mogelijkheid moet bestaan om de juistheid van deze feitelijke overwegingen te betwisten in een procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv Curaçao. In beide gevallen zal voor de erkenningsrechter ruimte moeten bestaan voor een herbeoordeling van de feitelijke overwegingen met betrekking tot de rechtsmacht van de buitenlandse rechter. Ik noem een aantal omstandigheden die hierbij van belang kunnen zijn. Als de verweerder in de buitenlandse procedure is verschenen en de voor de rechtsmacht relevante feiten, zoals die zijn gesteld door de eiser, niet of onvoldoende heeft betwist, dan wel de verweerder geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen de feitelijke overwegingen over de rechtsmacht van de buitenlandse rechter, kan worden aangenomen dat hij zich bij die feiten heeft neergelegd. Het ligt dan voor de hand dat de erkenningsrechter in een procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv Curaçao deze feitelijke overwegingen overneemt. Dit zou anders kunnen zijn wanneer achteraf zou blijken dat de feiten zijn vastgesteld op grond van misleidende of frauduleuze stellingen van de eiser, dan wel uit nadien gebleken feiten zou volgen dat een feitelijke vaststelling van de buitenlandse rechter apert onjuist is. Indien de verweerder niet is verschenen in de buitenlandse procedure, zal de gebondenheid aan feitelijke overwegingen van de buitenlandse rechter mede ervan afhangen of de verweerder op correcte wijze is opgeroepen in die procedure en of hij een rechtsmiddel heeft kunnen aanwenden tegen de buitenlandse beslissing. Bij dit alles speelt ook een rol of de buitenlandse procedure heeft voldaan aan de eisen van een fair trial. Als dat niet het geval is, zal in de erkenningsprocedure minder of mogelijk zelfs geen gewicht toekomen aan feitelijke overwegingen van de buitenlandse rechter met betrekking tot zijn rechtsmacht. De opvatting in onderdeel 1, die kennelijk geen enkele ruimte ziet voor een herbeoordeling van de feiten waarop de rechtsmacht van de buitenlandse rechter is gebaseerd, dient naar mijn mening te worden verworpen.
5.14
In het licht van het voorgaande stond het het Hof op zichzelf genomen dan ook vrij om, naar aanleiding van het betoog van de man dat hij de rechtsmacht van de Engelse rechter in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak niet stilzwijgend heeft aanvaard, te beoordelen of gelet op alle omstandigheden van het geval sprake was van een stilzwijgende forumkeuze in de Engelse procedure. Het Hof heeft in dit verband de volgende feiten en omstandigheden genoemd (rov. 4.22). Nadat de man de rechtsmacht van de Engelse rechter in de echtscheidingsprocedure heeft betwist, heeft hij zelf zowel in Portugal als in de Verenigde Arabische Emiraten echtscheidingsprocedures aanhangig gemaakt. Daarmee rijmt volgens het Hof niet dat de man zou instemmen met een (afzonderlijke) beoordeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding door de Engelse rechter. Zijn proceshouding in de Engelse procedure (intrekking van het mandaat van zijn Engelse advocaten, afwezigheid bij zittingen) wijst daar volgens het Hof ook niet op. Dat de Portugese advocaten van de man kennelijk wel hebben gecommuniceerd met de High Court en daarbij niet steeds hebben aangegeven een voorbehoud te maken voor wat betreft de rechtsmacht, maakt dat volgens het Hof niet anders. Volgens het Hof is daarom geen sprake van een (geldige) stilzwijgende forumkeuze door de man. De subonderdelen 2.2, 2.4 en 2.5 komen tegen dit oordeel op.
5.15
In cassatie staat het volgende vast: (i) de man is in de Engelse procedure verschenen; (ii) hij heeft de rechtsmacht van de Engelse rechter in de echtscheidingszaak uitdrukkelijk betwist; (iii) hij heeft de rechtsmacht van de Engelse rechter in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak niet uitdrukkelijk betwist; (iv) hij heeft inhoudelijk verweer gevoerd tegen het huwelijksvermogensrechtelijke verzoek van de vrouw; (v) de High Court heeft in zijn beslissing (Judgment) van 12 oktober 2016 uitdrukkelijk overwogen dat de man de rechtsmacht van de Engelse rechter in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak stilzwijgend heeft aanvaard; (vi) tegen dit oordeel heeft de man geen rechtsmiddel ingesteld; (vii) het Court of Appeal heeft in zijn beslissing van 20 maart 2017 bevestigd dat de man zich in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak vrijwillig heeft onderworpen aan de rechtsmacht van de Engelse rechter. Met subonderdeel 2.2 ben ik van mening dat uit deze feiten en omstandigheden zonder meer blijkt dat de man de rechtsmacht van de Engelse rechter in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak stilzwijgend heeft aanvaard. Terecht wordt in de subonderdelen 2.4 en 2.5 aangevoerd dat de feiten en omstandigheden die het Hof in rov. 4.22 noemt, niet tot een andere conclusie kunnen leiden. Hiervoor is het volgende van belang.
5.16
In rov. 4.22 miskent het Hof een basisprincipe in het internationaal bevoegdheidsrecht. Wanneer een aangebrachte zaak betrekking heeft op meerdere van elkaar te onderscheiden onderwerpen, zal voor ieder onderwerp afzonderlijk vastgesteld moeten worden of het aangezochte gerecht internationale bevoegd heeft om daarvan kennis te nemen. De rechtsmacht in de echtscheidingszaak en in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak dient dus afzonderlijk te worden beoordeeld. Anders dan het Hof in rov. 4.22 kennelijk meent, houdt een betwisting van de rechtsmacht in de echtscheidingszaak nog geen betwisting in van de rechtsmacht in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak. Hierbij komt dat het huwelijksvermogensrechtelijke verzoek van de vrouw (uiteindelijk) is beoordeeld in het kader van een zelfstandige procedure buiten echtscheiding. Hoewel de Engelse procedure aanvankelijk is gestart met een echtscheidingsverzoek, heeft de Engelse rechter (na erkenning van de talaq) de procedure voortgezet als een zelfstandige procedure over de verdeling van het huwelijksvermogen.74.Het verband dat het Hof legt tussen de rechtsmacht in de echtscheidingszaak en in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak komt hiermee op losse schroeven te staan. De hierop betrekking hebbende klacht van subonderdeel 2.5 treft doel.
5.17
Anders dan het Hof in rov. 4.22 meent, kan geen betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat de man zelf in het buitenland (zowel in Portugal als in de Verenigde Arabische Emiraten) echtscheidingsprocedures aanhangig heeft gemaakt. Zoals ik hiervoor al heb vermeld, dient de rechtsmacht in de echtscheidingszaak en in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak afzonderlijk te worden getoetst. Een betwisting van de rechtsmacht in de echtscheidingszaak geldt nog niet als een betwisting van de rechtsmacht in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak. Hierbij komt dat de Engelse procedure uitsluitend betrekking had op het huwelijksvermogensrecht. Uit het initiëren van buitenlandse echtscheidingsprocedures volgt nog niet dat de man de onbevoegdheid van de Engelse rechter in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak heeft ingeroepen. Bovendien is het, anders dan het Hof overweegt (‘Daarmee rijmt niet …’), heel wel mogelijk dat een echtgenoot om hem moverende redenen (bijvoorbeeld in verband met een verwachte uitkomst op grond van het toepasselijke recht of in verband met verhaalsmogelijkheden) ervoor kiest om de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding te laten behandelen door de rechter van een andere staat dan die welke de echtscheiding behandelt. De hierop betrekking hebbende klachten van subonderdeel 2.5 treffen doel.
5.18
Anders dan het Hof in rov. 4.22 overweegt, is ook niet van belang dat de man het mandaat van zijn Engelse advocaten in de Engelse procedure heeft ingetrokken en afwezig is geweest bij zittingen in de Engelse procedure. Voor het aannemen van rechtsmacht op grond van een stilzwijgende forumkeuze volstaat het namelijk dat de verweerder in de procedure is verschenen en geen (tijdig) beroep heeft gedaan op de onbevoegdheid van het aangezochte gerecht.75.Of hij verder ook aanwezig is geweest op de zitting van het gerecht is niet van belang. Evenmin is van belang dat hij het mandaat van zijn advocaten heeft ingetrokken nadat hij de rechtsmacht van het gerecht stilzwijgend heeft aanvaard. De hierop betrekking hebbende klachten van subonderdelen 2.4 treffen doel.
5.19
Volgens subonderdeel 2.1 heeft het Hof miskend dat een stilzwijgende forumkeuze naar internationale maatstaven als een algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond geldt. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Ik zie nergens in het bestreden vonnis een overweging van het Hof terugkomen die inhoudt dat een stilzwijgende forumkeuze als zodanig naar internationale maatstaven geen algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond is. Uit rov. 4.22 leid ik juist het tegendeel af. Want waarom zou het Hof in deze rechtsoverweging op basis van de omstandigheden van het geval zelfstandig beoordelen of sprake is van een stilzwijgende forumkeuze van de man in de Engelse procedure, als het Hof van oordeel zou zijn dat deze bevoegdheidsgrond naar internationale maatstaven niet algemeen aanvaardbaar is? Ik ga ervan uit dat het Hof in 4.22 heeft geoordeeld dat, zo al sprake is van een stilzwijgende forumkeuze, deze bevoegdheidsgrond naar internationale maatstaven niet algemeen aanvaardbaar is omdat de Engelse rechter niet heeft voldaan aan de vergewisplicht zoals bedoeld in art. 8 lid 2 HuwVermVo.
5.20
In subonderdeel 2.3 wordt betoogd dat het Hof ten onrechte de vergewisplicht zoals bedoeld in art. 8 lid 2 HuwVermVo als voorwaarde heeft gesteld aan een stilzwijgende forumkeuze om deze bevoegdheidsgrond naar internationale maatstaven aan te kunnen merken als een algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond. Volgens het middel is de stilzwijgende forumkeuze waarbij door het aangezochte gerecht niet is voldaan aan de vergewisplicht zoals bedoeld in art. 8 lid 2 HuwVermVo, internationaal gezien een algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond. Het Hof zou hebben miskend dat bij de toetsing aan de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank aanknopingspunten kunnen worden gevonden in verdragen en verordeningen, maar dat niet aan de voorwaarden van specifieke verdragen en verordeningen moet worden getoetst.
5.21
Bij de behandeling van deze klachten stel ik het volgende voorop. Er is geen twijfel over mogelijk dat de stilzwijgende forumkeuze als zodanig naar internationale maatstaven geldt als een algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond in zaken die ter vrije bepaling van partijen staan. De stilzwijgende forumkeuze is in de bevoegdheidsregeling van verschillende verdragen en verordeningen opgenomen; zie hiervoor 5.5 van mijn conclusie. In de literatuur wordt algemeen aangenomen dat de stilzwijgende forumkeuze geldt als een solide bevoegdheidsgrond in zaken die ter vrije bepaling van partijen staan.76.De stilzwijgende forumkeuze komt verder ook terug in executieverdragen, waarin voor de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen onder meer als voorwaarde wordt gesteld dat de rechtsmacht van de buitenlandse rechter die de te erkennen beslissing heeft gegeven, is gebaseerd op een van de bevoegdheidsgronden die in het verdrag worden vermeld; zie hiervoor 5.5 van mijn conclusie.
5.22
In deze zaak is de stilzwijgende forumkeuzeregeling in art. 8 HuwVermVo van belang. Deze bepaling luidt als volgt:
‘1. Buiten de gevallen waarin de bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van deze verordening, is het gerecht van een lidstaat waarvan het recht overeenkomstig artikel 22 of artikel 26, lid 1, onder a) of b), van toepassing is en waarvoor de verweerder verschijnt, bevoegd. Dit voorschrift is niet van toepassing indien de verschijning ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten, of in zaken die onder artikel 4 of artikel 5, lid 1, vallen.2. Alvorens zich krachtens lid 1 bevoegd te verklaren, vergewist het gerecht zich ervan dat de verweerder op de hoogte is gebracht van zijn recht om de bevoegdheid te betwisten en van de gevolgen van het verschijnen of niet-verschijnen.’
5.23
De vraag rijst of een stilzwijgende forumkeuze in een huwelijksvermogensrechtelijke zaak zonder dat aan de vergewisplicht zoals bedoeld in art. 8 lid 2 HuwVermVo is voldaan, naar internationaal maatstaven als een algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond geldt. Vast staat dat de Engelse rechter op grond van een stilzwijgende forumkeuze van de man rechtsmacht heeft aangenomen in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak, zonder zich ervan te vergewissen dat de man op de hoogte is gebracht van zijn recht om de rechtsmacht van de Engelse rechter te betwisten en van de gevolgen van het verschijnen of niet-verschijnen in de Engelse procedure. Maakt dit – het niet-naleven van de vergewisplicht zoals bedoeld in art. 8 lid 2 HuwVermVo – dat de bevoegdheidsgrond waarop de Engelse rechter zijn rechtsmacht heeft gebaseerd – stilzwijgende forumkeuze – niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank?
5.24
De vergewisplicht in art. 8 lid 2 HuwVermVo is ontleend aan art. 26 lid 2 Brussel I-bis, waarin de vergewisplicht is opgenomen naar aanleiding van een uitspraak van het Hof van Justitie EU met betrekking tot art. 24 Brussel I,77.waarin een vergewisplicht nog ontbrak.78.Art. 26 Brussel I-bis bepaalt:
‘1. Buiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van deze verordening, is het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd. Dit voorschrift is niet van toepassing indien de verschijning ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten, of indien er een ander gerecht bestaat dat krachtens artikel 24 bij uitsluiting bevoegd is.
2. In aangelegenheden als bedoeld in afdelingen 3, 4 of 5, waarin de polishouder, de verzekerde, een begunstigde van een verzekeringsovereenkomst, de benadeelde partij, de consument of de werknemer verweerder is, vergewist het gerecht zich ervan, alvorens bevoegdheid op grond van lid 1 te aanvaarden, dat de verweerder op de hoogte is gebracht van zijn recht de bevoegdheid van het gerecht te betwisten en van de gevolgen van verschijnen of niet-verschijnen.’
5.25
De vergewisplicht van art. 26 lid 2 Brussel I-bis is gestoeld op het beschermingsbeginsel: de processueel zwakkere partij in geschillen met betrekking tot verzekeringsovereenkomsten, consumentenovereenkomsten en arbeidsovereenkomsten (afdelingen 3 t/m 5 van hoofdstuk II van de Verordening Brussel I-bis) wordt in bescherming genomen tegenover de processueel sterkere partij die een procedure start bij het gerecht van een lidstaat waar de processueel zwakkere partij niet haar woonplaats heeft.79.De vergewisplicht dient als waarborg voor een weloverwogen keuze van de processueel zwakkere partij om in te stemmen met het voeren van de procedure bij een gerecht dat anders niet bevoegd zou zijn geweest. De Verordening Brussel I-bis verbindt overigens geen gevolgen aan de niet-naleving van de vergewisplicht. Indien het aangezochte gerecht niet voldoet aan de vergewisplicht levert dat geen weigeringsgrond op in het kader van de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing in een andere lidstaat (vgl. art. 45 Brussel I-bis). De processueel zwakkere partij die stelt dat haar rechten onder art. 26 lid 2 Brussel I-bis zijn geschonden, zal in de lidstaat van het aangezochte gerecht een rechtsmiddel tegen het bevoegdheidsoordeel moeten instellen. Hetzelfde geldt voor de niet-naleving van de vergewisplicht in art. 8 lid 2 HuwVermVo.80.De beschermingsgedachte die ten grondslag ligt aan art. 26 lid 2 Brussel I-bis gaat niet, althans niet zonder meer op voor de vergewisplicht in de stilzwijgende forumkeuzeregeling van art. 8 lid 2 HuwVermVo, waarin de (voormalige) echtgenoten in huwelijksvermogensrechtelijke zaken geacht kunnen worden in een processueel gelijke positie te verkeren.81.
5.26
Bij de beoordeling of de bevoegdheidsgrond waarop de buitenlandse rechter (die de te erkennen beslissing heeft gegeven) zijn rechtsmacht heeft gebaseerd op een bevoegdheidsgrond die internationaal algemeen aanvaardbaar is, kan aansluiting worden gezocht bij relevante verdragen en verordeningen, nu wat daarin is vastgelegd een aanwijzing oplevert voor hetgeen internationaal aanvaardbaar wordt geacht.82.Deze bronnen gelden als referentiekader, ook al zijn zij geografisch en/of temporeel niet van toepassing; zij kunnen worden geraadpleegd om te achterhalen of internationaal gezien min of meer consensus bestaat over de bevoegdheidsgrond die de buitenlands rechter aan zijn rechtsmacht ten grondslag heeft gelegd. Het voert hierbij te ver om te verlangen dat de bevoegdheidsgrond die de buitenlandse rechter aan zijn rechtsmacht ten grondslag heeft gelegd, in alle opzichten voldoet aan de vereisten die in verdragen en verordeningen daaraan worden gesteld; deze bronnen missen immers toepassing. Het gaat er dan ook om of de bevoegdheidsgrond die de buitenlandse rechter aan zijn rechtsmacht ten grondslag heeft gelegd in de kern overeenkomt met c.q. vergelijkbaar is aan een bevoegdheidsgrond die in verdragen en verordeningen is geaccepteerd.83.In dit verband is het volgende van belang. De HuwVermVo en de PartVermVo, waarin de vergewisplicht in art. 8 lid 2 is opgenomen, gelden niet voor alle lidstaten van de Europese Unie: slechts 18 van de 27 lidstaten zijn aan deze verordeningen gebonden.84.Een unaniem Europees draagvlak voor (de vergewisplicht in) deze verordeningen ontbreekt derhalve. Verder komt de vergewisplicht niet voor in alle Europese verordeningen op het gebied van het internationaal bevoegdheidsrecht: zo ontbreekt de vergewisplicht in de stilzwijgende forumkeuzeregeling van art. 5 Alimentatieverordening en art. 9 Erfrechtverordening. Kennelijk is de vergewisplicht in het Europese internationaal bevoegdheidsrecht geen algemeen en breed gedragen onderdeel van de stilzwijgende forumkeuzeregeling.85.Zoals hiervoor is gebleken, komt de vergewisplicht evenmin terug in de Haagse executieverdragen waarin de stilzwijgende forumkeuze als een bevoegdheidsgrond wordt genoemd in het kader van de vereisten voor de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen. Kortom, een stilzwijgende forumkeuzeregeling waarin een vergewisplicht zoals bedoeld in art. 8 lid 2 HuwVermVo ontbreekt, kan naar internationale maatstaven als een algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond worden aangemerkt in zaken die ter vrije bepaling van partijen staan.86.
5.27
Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat in het kader van de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank niet is vereist dat de buitenlandse rechter die in een huwelijksvermogensrechtelijke zaak buiten echtscheiding rechtsmacht heeft aangenomen op grond van een stilzwijgende forumkeuze, heeft voldaan aan de vergewisplicht zoals bedoeld in art. 8 lid 2 HuwVermVo. De stilzwijgende forumkeuze waarop de Engelse rechter zijn rechtsmacht heeft gebaseerd in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak voldoet dan ook aan de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank, ook al heeft de Engelse rechter niet voldaan aan de vergewisplicht zoals bedoeld in art. 8 lid 2 HuwVermVo. Dit betekent dat het andersluidende oordeel van het Hof in rov. 4.22 geen stand kan houden. De hiertegen gerichte klacht van onderdeel 2.3 slaagt.
6. Waartoe leidt dit alles?
6.1
Het principale cassatiemiddel klaagt terecht dat de rechtsmacht van de Engelse rechter op de primaire grondslag van de gewone verblijfplaats van de vrouw in het Verenigd Koninkrijk gedurende een periode van twaalf maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoek, niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank. Het forum actoris kan in huwelijksvermogensrechtelijke zaken buiten echtscheiding naar internationale maatstaven niet als een algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond worden aangemerkt. Het andersluidende oordeel van het Hof kan geen stand houden. Het slagen van deze klacht zal echter niet tot cassatie kunnen leiden, omdat in het incidentele cassatiemiddel terecht wordt geklaagd dat het Hof ervan had moeten uitgaan dat de man de rechtsmacht van de Engelse rechter in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak stilzwijgend heeft aanvaard en deze bevoegdheidsgrond naar internationale maatstaven een algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond is, ook al heeft de Engelse rechter niet voldaan aan de vergewisplicht zoals bedoeld in art. 8 lid 2 HuwVermVo. Het slagen van het incidentele cassatieberoep behoeft echter niet te leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Het oordeel van het Hof dat is voldaan aan de erkenningsvoorwaarden van Gazprombank en de daarop gebaseerde veroordeling van de man om een bedrag van GBP 61.559.339 aan de vrouw te betalen, kan in stand blijven met inachtneming van het voorgaande.
7. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping, zowel in het principale cassatieberoep als in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑09‑2025
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, NJ 2015/478, m.nt. Th.M. de Boer.
Zie rov. 3.1 e.v. van het in cassatie bestreden vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 8 oktober 2024, ECLI:NL:OGEAC:2024:216, en rov. 2.1 e.v. van het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 31 oktober 2022, ECLI:NL:OGEAC:2022:373.
Over de stand van zaken in de Portugese procedure, zie procesinleiding in cassatie zijdens de man, nr. 41; schriftelijke toelichting in cassatie zijdens de man, nr. 47; schriftelijke toelichting in cassatie zijdens de vrouw, nr. 4.3.6.
In het tussenvonnis van 19 maart 2024 (ECLI:NL:OGHACMB:2024:46) heeft het Hof de vrouw in de gelegenheid gesteld om een stuk in het geding te brengen dat zij in januari 2016 heeft ingediend bij de Engelse rechter.
Verdrag van 17 november 1967 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de wederkerige erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke zaken, Trb. 1967, 197.
Zie https://verdragenbank.overheid.nl/nl/Verdrag/Details/003506#Koninkrijk; P. Vlas, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Nederlands-Brits Executieverdrag, Kernoverzicht, onder A1.
J.P. Verheul, Erkenning en tenuitvoerlegging van vreemde vonnissen, 1989, p. 138. Vgl. I.S. Joppe, Huwelijksvermogensrecht, Praktijkreeks IPR, deel 7, 2010, p. 154. Zie ook rov. 4.1 van het tussenvonnis van het Hof van 19 maart 2024.
Vgl. conclusie A-G Snijders, onder 3.3, voor HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:583, NJ 2024/147; G.C.C. Lewin, Interregionaal privaatrecht, Praktijkreeks IPR, 2024, p. 32 e.v.
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, NJ 2015/478, m.nt. Th.M. de Boer; zie ook HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1170, NJ 2021/351, m.nt. L. Strikwerda; HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:54, NJ 2019/364, m.nt. Th.M. de Boer.
Verordening (EG) Nr. 2201/2003 van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000, PbEU 2003, L 338/1.
Verordening (EU) 2016/1103 van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels, PbEU 2016, L 183/1.
Vgl. de (in 3.14 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing (Judgment) van de High Court van 12 oktober 2016, onder 3.
Zie rov. 4.13 van het bestreden vonnis; vgl. productie 9 bij de akte houdende overlegging aanvullende producties zijdens de vrouw van 23 april 2024.
Zie inleidend verzoekschrift, nr. 2.3.2.
Zie inleidend verzoekschrift, nr. 2.3.2; memorie van antwoord, nr. 2.4.1 e.v.
Zie nrs. 2.3 t/m 2.7 van de pleitaantekeningen van de man in hoger beroep; akte uitlating na tussenvonnis van de man van 21 mei 2024, nrs. 16 t/m 21.
Vgl. HR 12 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:31, NJ 2018/58, rov. 3.4.3. Dit neemt niet weg dat een zeker verband kan bestaan tussen de rechtsmacht inzake de echtscheiding en inzake de echtscheidingsgevolgen, zoals voor het huwelijksvermogensrecht blijkt uit art. 5 lid 1 HuwVermVo. Zie hierover 4.16 van mijn conclusie.
Zie de (in 3.14 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing (Judgment) van 12 oktober 2016 van de High Court, onder 3 en 44.
Zie de (in 3.14 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing (Judgment) van 12 oktober 2016 van de High Court, onder 6: ‘(…) the marriage has now been effectively dissolved by the Talaq process in the UAE at his instance’, alsmede de (in 3.16 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing van 20 maart 2017 van het Court of Appeal: ‘Further this was a 46 year marriage brought to an end ultimately by a Talaq’. Zie ook rov. 3.8 van het bestreden vonnis: ‘Op 12 oktober 2016 heeft de High Court uitspraak gedaan (…). De High Court is er daarbij vanuit gegaan dat het huwelijk is ontbonden door de Talaq (…)’.
Zie voor de motivering van het Court of Appeal de in 3.16 van mijn conclusie aangehaalde beslissing van 20 maart 2017.
HR 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2184, NJ 2017/164, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.4.2.
HR 27 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD4789, NJ 1988/832, m.nt. J.C. Schultsz, rov. 3.2.
Het Nederlands-Belgisch Bevoegdheids- en Executieverdrag 1925 (Verdrag van 28 maart 1925 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten, Stb. 1929, 405) beheerst wel het onderwerp van het huwelijksvermogensrecht, maar komt in dit verband weinig relevantie toe omdat de verdragsregeling inmiddels verouderd is en de toepassing zich beperkt in de verhouding Nederland en België. Bovendien geldt dat dit verdrag niet langer van toepassing is op huwelijksvermogensrechtelijke vraagstukken die worden bestreken door de HuwVermVo. Zie I.S. Joppe, Huwelijksvermogensrecht, Praktijkreeks IPR, deel 7, 2010, p. 163; Asser/Vonken & Ibili 10-II 2025/261.
Verdrag van 17 juli 1905 betreffende de wetsconflicten met betrekking tot de gevolgen van het huwelijk ten opzichte van de rechten en verplichtingen der echtgenooten in hunne persoonlijke betrekkingen en ten opzichte van hunne goederen, Stb. 1912, 285.
Verdrag van 14 maart 1978 inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, Trb. 1988, 130.
Zie hierover 4.16 van mijn conclusie.
HR 27 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD4789, NJ 1988/832, m.nt. J.C. Schultsz, rov. 3.2.
In art. 5 HuwVermVo wordt verwezen naar de Verordening Brussel II-bis, maar deze verordening is op 1 augustus 2022 vervangen door de Verordening Brussel II-ter (Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking), PbEU 2019, L178/1). De verwijzing in art. 5 HuwVermVo naar de Verordening Brussel II-bis omvat ook een verwijzing naar de Verordening Brussel II-ter, afhankelijk van welke van beide verordeningen overgangsrechtelijk van toepassing is. Zie art. 104 Brussel II-ter. In dit geval maakt het niet uit of aansluiting wordt gezocht bij de Verordening Brussel II-bis of de Verordening Brussel II-ter, omdat art. 3 in beide verordeningen dezelfde bevoegdheidsgronden bevatten voor de rechtsmacht in echtscheidingszaken.
Zie ook overweging 34 van de considerans van de HuwVermVo: ‘Evenzo dienen kwesties betreffende het huwelijksvermogensstelsel die zich voordoen in een bij een gerecht van een lidstaat op grond van Verordening (EG) nr. 2201/2003 ingestelde procedure ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, door de gerechten van die lidstaat te worden behandeld, tenzij de bevoegdheid om over de echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk te beslissen slechts op een specifieke bevoegdheidsgrond kan berusten. In die gevallen mag niet zonder een overeenkomst tussen de echtgenoten worden toegestaan dat de bevoegdheid wordt geconcentreerd.’
Zie hierover nader Asser/Vonken & Ibili 10-II 2025/271 e.v.; M.H. Ten Wolde, in: F. Ibili (red.), Nederlands internationaal personen- en familierecht. Wegwijzer voor de rechtspraktijk (R&P nr. PFR3), 2022, p. 151-152; P.A.M. Jongens-Lokin, GS Personen- en familierecht, Titel 7 IPR, Huwelijksvermogensrecht, HuwVermVo, art. 5-6; E.N. Frohn, Tekst & Commentaar Personen- en familierecht, IPR, HuwVermVo, art. 5 en 6.
Zie overweging 32 van de considerans van de HuwVermVo: ‘Met het oog op de toenemende mobiliteit van paren tijdens het huwelijk en ter wille van een goede rechtsbedeling dienen de bevoegdheidsregels in deze verordening de burgers in staat te stellen hun verschillende samenhangende procedures door de gerechten van dezelfde lidstaat te laten behandelen. Daartoe dient deze verordening te beogen dat de rechterlijke bevoegdheid inzake het huwelijksvermogensstelsel wordt geconcentreerd in de lidstaat waarvan de gerechten worden aangezocht in zaken betreffende de erfopvolging van een echtgenoot, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 650/2012, of de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed of de nietigverklaring van het huwelijk, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad’.
Zie de (in 3.14 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing (Judgment) van 12 oktober 2016 van de High Court, onder 44: ‘Specifically, in relation to his submmission to this jurisdiction, these are not Divorce proceedings; these are the financial proceedings after a foreign divorce (…)’.
Zie D. Coester-Waltjen/W. Pintens/J.M. Scherpe, in: J. Basedow e.a. (red.), Encyclopedia of Private International Law, 2017, p. 1238.
Zie de landeninformatie op https://www.coupleseurope.eu/; zie ook D. Coester-Waltjen/W. Pintens/J.M. Scherpe, in: J. Basedow e.a. (red.), Encyclopedia of Private International Law, 2017, p. 1238.
Zie F. Ibili, Internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter bij verdeling van het huwelijksvermogen, FJR 2015/62; I. Curry-Sumner/H. Dreesmann-Bruijntjes, Bevoegdheid in kwesties van internationaal huwelijksvermogensrecht, REP 2015/64.
HR 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2184, NJ 2017/164, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.3.2.
Zie pleitnota in hoger beroep, nr. 4.3.
Verdrag van 15 april 1958 nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen, Trb. 1959, 187. Art. 5, tweede alinea, van het Haags Kinderalimentatieverdrag 1956 (Verdrag van 24 oktober 1956 nopens de wet welke op alimentatieverplichtingen jegens kinderen toepasselijk is, Trb. 1959, 20) sluit hierop aan: ‘Het Verdrag regelt slechts de wetsconflicten ter zake van onderhoudsverplichtingen. De met toepassing van dit Verdrag gegeven beslissingen hebben geen invloed op vragen van afstamming en van familierechtelijke betrekkingen tussen schuldenaar en schuldeiser.’
Verdrag van 2 oktober 1973 inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen, Trb. 1974, 85. Art. 2 van het Haags Alimentatieverdrag 1973 (Verdrag van 2 oktober 1973 inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Trb. 1974, 86) sluit hierop aan: ‘Het Verdrag regelt slechts de wetsconflicten ter zake van onderhoudsverplichtingen. De krachtens toepassing van het Verdrag gegeven beslissingen raken niet het bestaan van een der in het eerste artikel genoemde betrekkingen.’ Art. 1 van het verdrag luidt: ‘Dit Verdrag is van toepassing op onderhoudsverplichtingen voortvloeiend uit familiebetrekkingen, uit bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap, met inbegrip van onderhoudsverplichtingen jegens een onwettig kind.’
Verdrag van 23 november 2007 inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden, Trb. 2011, 144. Art. 1 van het Haags Alimentatieprotocol 2007 (Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Trb. 2007, 1) sluit hierop aan: ‘(1) Dit Protocol bepaalt het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit een familiebetrekking, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap, met inbegrip van onderhoudsverplichtingen jegens kinderen, ongeacht de burgerlijke staat van de ouders. (2) Beslissingen, gegeven met toepassing van dit Protocol, houden geen oordeel in over het bestaan van de banden bedoeld in het eerste lid.’
Verordening (EG) nr. 4/2009 van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen, PbEU 2009, L 7/1.
Kamerstukken II 1978-1979, 15 669 (R 1125), nr. 3, p. 11.
Dit blijkt onder andere uit het feit dat de vrouw in Portugal om de erkenning van de talaq heeft verzocht. Zie ook de (in 3.14 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing (Judgment) van 12 oktober 2016 van de High Court, onder 7: ‘(…) and because the wife did not challenge the Talaq divorce (…)’. Zie bijvoorbeeld ook de conclusie van repliek zijdens de vrouw, nr. 2.1.22: ‘De High Court heeft bij het uitspreken van de Engelse Beslissing rekening gehouden met het bestaan van de talaq en het feit dat [de vrouw] deze scheiding heeft erkend. (…)’.
Zie de (in 3.14 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing (Judgment) van 12 oktober 2016 van de High Court, onder 6: ‘(…) the marriage has now been effectively dissolved by the Talaq process in the UAE at his instance’. Zie ook rov. 3.8 van het bestreden vonnis: ‘Op 12 oktober 2016 heeft de High Court uitspraak gedaan (…). De High Court is er daarbij vanuit gegaan dat het huwelijk is ontbonden door de Talaq (…)’.
Zie de (in 3.14 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing (Judgment) van 12 oktober 2016 van de High Court, onder 7: ‘(…) Mostyn J by all accounts, and understandably, indicated that on the basis that the husband was asserting that the parties were already divorced, and because the wife did not challenge the Talaq divorce, the court was entitled to proceed on the basis that the requirements in the Family Law Act 1986 had been met. (…) Since then, the wife’s claim for a financial remedy had proceeded under Part III Matrimonial and Family Proceedings Act 1984. (…)’ en onder 44: ‘Specifically, in relation to his submmission to this jurisdiction, these are not Divorce proceedings; these are the financial proceedings after a foreign divorce (…).’
Zie de (in 3.16 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing van 20 maart 2017 van het Court of Appeal: ‘Further this was a 46 year marriage brought to an end ultimately by a Talaq’.
Vgl. Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 28 maart 2022, nummer WBN-CM 2022/2, houdende wijziging van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003, toegespitst op het gebruik in Curaçao en Sint Maarten, Landscourant van Curaçao 24 juni 2022, no. 25, p. 17-19.
Zie nader Asser/Vonken & Ibili 10-II 2025/233 e.v.; M.W.F. Bosters, GS Personen- en familierecht, Titel 9, Boek 10 BW, art. 58-59.
Aldus ook het betoog van de vrouw in de conclusie van repliek, nr. 2.1.23.
Zie Bergman/Ferid, Internationales Ehe und Kindschaftsrecht mit Staatsangehörigkeitsrecht (Irak, § 37); J. Rieck/S. Lettmaier, Ausländisches Familienrecht, 2025 (Irak); S.M. Nicolasen, Module Burgerlijke stand en landeninformatie (Irak). Zie bijvoorbeeld ook Rb. Limburg 14 augustus 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:8004 (met verwijzing naar een rapport van het Internationaal Juridisch Instituut).
Dit blijkt uit de beslissing van 23 maart 2015 van een shariarechtbank in de Verenigde Arabische Emiraten (in de Engelse vertaling): ‘The court deciced to confirm the divorce by the husband from above mentioned wife (…)’.
Dit blijkt onder andere uit het feit dat de vrouw in Portugal om de erkenning van de talaq heeft verzocht. Zie ook de (in 3.14 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing (Judgment) van 12 oktober 2016 van de High Court, onder 7: ‘(…) and because the wife did not challenge the Talaq divorce (…)’. Zie bijvoorbeeld ook de conclusie van repliek zijdens de vrouw, nr. 2.1.22: ‘De High Court heeft bij het uitspreken van de Engelse Beslissing rekening gehouden met het bestaan van de talaq en het feit dat [de vrouw] deze scheiding heeft erkend. (…)’.
Zie nader Asser/Vonken 10-I 2023/492; L. Strikwerda/S.J. Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 2019, nr. 132.
Het Hof maakt namelijk niet (goed) duidelijk op grond van welke omstandigheden het relevant acht dat de man niet alle beschikbare rechtsmiddelen in het Verenigd Koninkrijk heeft uitgeput. Vgl. HR HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:54, NJ 2019/364, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 4.3.4; HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1170, NJ 2021/351, m.nt. L. Strikwerda, rov. 3.3.2.
In dezelfde zin Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht, Advies herziening van artikel 431 Rv inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse civielrechtelijke vonnissen buiten verdrag, 21 februari 2023, p. 10 (nr. 5.14).
Zie memorie van grieven, nrs. 4.9 en 4.10; pleitaantekeningen in hoger beroep, nrs. 2.11 e.v. en 2.22; zie ook rov. 4.8 van het bestreden vonnis.
Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1.
Verdrag van 30 oktober 2007 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEU 2007, L 339/3.
Verordening (EU) 2016/1104 van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen, PbEU 2016, L 183/30.
Verordening (EU) Nr. 650/2012 van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, PbEU 2012, L 201/107.
Verdrag van 2 juli 2019 betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke of handelszaken, Trb. 2024, 42. Zie het toelichtend rapport van F. Garcimartín & G. Saumier, nr. 166: ‘(…) many States consider that a defendant can implicitly consent to the jurisdiction of their courts.’
Verdrag van 1 februari 1971 betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke en handelszaken, Trb. 1972, 144.
Zie verder ook de volgende bilaterale executieverdragen: art. IV lid 1 sub a Nederlands-Brits Executieverdrag 1967 (zie noot 5) , art. 4 lid 1 sub c Nederlands-Duits Executieverdrag 1962 (Verdrag van 30 augustus 1962 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en andere executoriale titels in burgerlijke zaken, Trb. 1963, 50) en art. 3 lid 1 sub b Nederlands-Surinaams Executieverdrag 1976 (Overeenkomst van 27 augustus 1976 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de wederzijdse erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten in burgerlijke zaken, Trb. 1976, 144).
Zie onder 43 en 44 van deze beslissing, aangehaald in 3.14 van mijn conclusie. Zie ook rov. 4.14, slot, van het bestreden vonnis: ‘(…) Uit deze passage blijkt (i) dat de tweede UK-rechter bevoegdheid heeft aangenomen op de basis dat de vrouw haar gewone verblijfplaats in de UK had vanaf januari 2015 tot in elk geval januari 2016 en (ii) dat hij heeft overwogen dat de man dit niet heeft betwist.’
Zie 3.16 van mijn conclusie. Zie ook rov. 4.15, slot van het bestreden vonnis: ‘(…) In deze passage worden de door de man aangevoerde gronden van beroep genoemd en uit die opsomming van gronden blijkt dat de man in hoger beroep de bevoegdheid van de eerste UK-rechter niet heeft aangevochten.’
Verdrag van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, Trb. 1997, 299.
Verdrag van 13 januari 2000 inzake de internationale bescherming van volwassenen, Trb. 2008, 139.
Verdrag van 1 juni 1970 inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed, Trb. 1979, 131.
Verdrag van 30 juni 2005 inzake bedingen van forumkeuze, Trb. 2009, 31.
J.P. Verheul, Erkenning en tenuitvoerlegging van vreemde vonnissen, 1989, p. 41. In dezelfde zin M.H. ten Wolde, J.G. Knot, K.C. Henckel, Tenuitvoerlegging van buitenlandse civielrechtelijke vonnissen in Nederland buiten verdrag en verordening (art. 431 Rv), WODC-rapport 2017, p. 39: ‘De vraag rijst of de Nederlandse rechter bij deze beoordeling gebonden is aan de feitelijke constateringen van de buitenlandse rechter. Ook hier is verdedigbaar dat in principe geen voorschot op het gezag van de buitenlandse rechter mag worden genomen. Zo zal de Nederlandse rechter bijvoorbeeld zelfstandig op basis van de gefourneerde feiten en omstandigheden moeten vaststellen waar een partij gewone verblijfplaats heeft.’
Zie ook Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht, Advies herziening van artikel 431 Rv inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse civielrechtelijke vonnissen buiten verdrag, 21 februari 2023, p. 7 (nr. 5.7) en p. 10 (nr. 5.16).
Zie ook K.J. Krzemiński, Te goed van vertrouwen? Een kanttekening bij het advies van de Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht tot herziening van artikel 431 Rv, NIPR 2023/31, p. 605; vgl. HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, NJ 2015/478, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.6.3.
Zie de (in 3.14 van mijn conclusie aangehaalde beslissing) van 12 oktober 2016 van de High Court, onder 44: ‘(…) these are not Divorce proceedings; these are the financial proceedings after a foreign divorce (…)’.
Vgl. HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:732, NJ 2019/354, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 4.1.3.
J.P. Verheul, Erkenning en tenuitvoerlegging van vreemde vonnissen, 1989, p. 31 en 33; J.P. Verheul, Rechtsmacht in het Nederlandse internationaal privaatrecht, deel 2, 1986, p. 278 en 280; N. Rosner, Cross-Border Recognition and Enforcement of Foreign Money Judgments in Civil and Commercial Matters, 2004, p. 426-427; 36; M.H. ten Wolde, Handboek internationaal privaatrecht, 2021, p. 422; B. van Houtert, Het Haags Vonnissenverdrag: een game changer in Nederland? Een rechtsvergelijkende analyse tussen het verdrag en het commune IPR, NIPR 2023/32, p. 583; M.H. ten Wolde, J.G. Knot, K.C. Henckel, Tenuitvoerlegging van buitenlandse civielrechtelijke vonnissen in Nederland buiten verdrag en verordening (art. 431 Rv), WODC-rapport 2017, p. 41 en 45. Vgl. Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht, Advies herziening van artikel 431 Rv inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse civielrechtelijke vonnissen buiten verdrag, 21 februari 2023, p. 6 (nr. 5.4).
Verordening (EG) Nr. 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 12/1.
HvJ EU 20 mei 2010, C-111/09, ECLI:EU:C:2010:290, RvdW 2010/802 (Vienna Insurance/Bilas).
Vgl. overweging 18 van de considerans van de Verordening Brussel I-bis: ‘In het geval van verzekerings-, consumenten- en arbeidsovereenkomsten moet de zwakke partij worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels.’
Zie D. Looschelders, Münchener Kommentar zum BGB, 2024, EuGüVO, Art. 8, Rn. 22; J. Mayer, Münchener Kommentar zum FamFG, 2019, EheGÜVO, Art. 8, Rn. 15-16; P.A.M. Jongens-Lokin, GS Personen- en familierecht, IPR, Titel 7, Huwelijksvermogensrecht, HuwVermVo, art. 8, aant. 7; F. Ibili, Rechtsmacht van de Nederlandse rechter volgens de Verordening huwelijksvermogensstelsels, WPNR 2018/7216, p. 884.
F. Ibili, Rechtsmacht van de Nederlandse rechter volgens de Verordening huwelijksvermogensstelsels, WPNR 2018/7216, p. 884; T. De Roo, Grenzeloze tweerelaties. Toelichting bij de Huwelijksvermogens- en de Partnerschapsverordening, 2023, p. 94; P. Mankowski, Internationale Zuständigkeit nach EuGüVO und EuPartVO, in: A. Dutta/J. Weber (red.), Die Europäischen Güterrechtsverordnungen, 2017, p. 31.
HR 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2184, NJ 2017/164, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.4.2; HR 27 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD4789, NJ 1988/832, m.nt. J.C. Schultsz, rov. 3.2. Zie ook Asser/Vonken 10-I 2023/561a.
Vgl. in dit verband J.C. Schultsz in zijn noot, nr. 2, onder HR 25 mei 1988, ECLI:NL:HR:AD4789, NJ 1988/832: ‘In ieder geval kan, zo zegt de HR, art. 2 Haags Echtscheidingsverdrag tot ‘richtsnoer’ worden genomen. Ik vat dit zo op dat men in ieder geval veilig vaart door een koers te volgen die aan de hand van genoemd art. 2 uitgezet is, maar dat men niet noodzakelijkerwijs in alle andere gevallen onveilig vaart’.
Asser/Vonken & Ibili 10-II 2025/246; P.A.M. Jongens-Lokin, GS Personen- en familierecht, IPR, Titel 7, Huwelijksvermogensrecht, HuwVermVo, Inleidende opmerkingen, aant. 3.
Vgl. K. Kroll-Ludwigs, Vereinheitlichung des Güterkollisionsrechts in Europa. Die EU-Ehegüterrechts- und EU-Parnerschafsverordnung (Teil 1), GPR 2016, p. 234.
Hetzelfde zou kunnen worden aangenomen voor een stilzwijgende forumkeuzeregeling waarin de beperking ontbreekt van art. 8 lid 1 HuwVermVo dat het aangezochte gerecht het gerecht van een lidstaat is ‘waarvan het recht overeenkomstig artikel 22 of artikel 26, lid 1, onder a) of b), van toepassing is’.
Beroepschrift 08‑01‑2025
PROCESINLEIDING VERZOEKPROCEDURE CARIBISCHE ZAAK1.
inzake
[de man]/[de vrouw]
Algemeen
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Adres: | Korte Voorhout 8 |
2511 EK DEN HAAG | |
Datum indiening: | 8 januari 2025 |
Partijen en advocaten
Verzoeker tot cassatie
Naam en woonplaats: | [de man] (hierna: ‘[de man]’), thans wonende in de Verenigde Arabische Emiraten |
Advocaten bij de Hoge Raad: | mrs. J.W.H. van Wijk en R. de Graaff, die door verzoeker als zodanig worden aangewezen om hem in het geding in cassatie te vertegenwoordigen |
Kantoor en kantooradres advocaten: | Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V. |
Bezuidenhoutseweg 57 | |
2594 AC DEN HAAG |
Verweerster in cassatie
Naam: | [de vrouw] (hierna: ‘[de vrouw]’), wonende in het Verenigd Koninkrijk |
Advocaat laatste feitelijke instantie: | mr. S.H. Barten |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Spigt Dutch Caribbean |
Scharlooweg 29 | Willemstad, Curaçao |
Bestreden uitspraak
Instantie: | Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: ‘het hof’) |
Datum: | 8 oktober 2024 |
Registratienummers: | CUR202003576 — CUR2022H00346 |
Middel van cassatie
Het hof heeft het recht geschonden en/of het vormvereiste van een toereikende motivering verzuimd doordat het heeft geoordeeld als vermeld in het bestreden vonnis, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
Algemene inleiding
In rov. 4.1–4.2 heeft het hof — als zodanig met juistheid — vooropgesteld dat het hof in deze procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv moet toetsen aan de vier cumulatieve Gazprombank-criteria (HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838). Het hof overweegt — als zodanig eveneens met juistheid — dat daarbij uitgangspunt is dat een buitenlandse beslissing in beginsel wordt erkend indien:
- (i)
de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is,
- (ii)
de buitenlandse beslissing tot stand is gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging,
- (iii)
de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Curaçaose openbare orde, en
- (iv)
de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Curaçaose rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Curaçao vatbaar is.
1. Onjuiste (toepassing) maatstaven bij toets aan eerste Gazprombank-criterium
Inleiding
In rov. 4.4–4.23 toetst het hof aan het achter (i) genoemde criterium. Deze toets geeft in de volgende opzichten blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
1.1
Bij de beoordeling of is voldaan aan het eerste Gazprombank-criterium moet de rechter toetsen of de bevoegdheid van de rechter die de buitenlandse beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. Het commune internationale bevoegdheidsrecht is daarbij beslissend, niet het internationale bevoegdheidsrecht van de buitenlandse rechter, noch het internationale bevoegdheidsrecht van de Curaçaose rechter. Het gaat bij de toets aan het eerste Gazprombank-criterium (dus) niet om de grond of de wijze waarop de buitenlandse rechter zijn bevoegdheid daadwerkelijk heeft aangenomen (de door de buitenlandse rechter ‘gekozen route’), maar om de vraag of de buitenlandse rechter bevoegd kan worden geacht op een internationaal algemeen aanvaarde grond. De Curaçaose rechter moet dit zelfstandig nagaan, ook los van de door de buitenlandse rechter ‘gekozen route’. Het hof heeft het voorgaande miskend.
Het hof heeft immers geoordeeld dat het moet beoordelen of de wijze waarop de UK-rechter2. zijn bevoegdheid heeft aangenomen (vastgesteld) internationaal aanvaardbaar is, niet of er ook andere verkieselijke routes waren, tenzij de gekozen route onnavolgbaar en onbegrijpelijk was en dus niet algemeen aanvaardbaar naar internationale normen (zie expliciet rov. 4.20, zie ook rov. 4.23). Vervolgens heeft het hof die maatstaven kennelijk toegepast en geoordeeld dat er geen sprake van is dat de gekozen route onnavolgbaar en onbegrijpelijk was en dus niet algemeen aanvaardbaar naar internationale normen. Daarmee heeft het hof miskend dat het bij de toets aan het eerste Gazprombank-criterium niet gaat om de wijze waarop de buitenlandse rechter zijn bevoegdheid heeft aangenomen (vastgesteld) (‘de gekozen route’), maar om de vraag of deze bevoegdheid berust op een grond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. Het hof heeft zich voorts ten onrechte beperkt tot de terughoudende (negatieve) toets of de door de buitenlandse rechter gekozen route onnavolgbaar en onbegrijpelijk was. Het hof had in plaats daarvan zelfstandig (en positief) moeten vaststellen of de bevoegdheid van de buitenlandse rechter berust op een grond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is.
Het hof heeft voorts — met miskenning van het voorgaande en toepassing van die onjuiste maatstaven — ten onrechte van (beslissend) gewicht geacht dat de beide UK-rechters (van de High Court) de verschillende verzoeken van de vrouw (tot echtscheiding, tot alimentatie en tot verdeling van het huwelijkse vermogen) van elkaar hebben onderscheiden, hun bevoegdheid ter zake die verschillende verzoeken op verschillende momenten in de procedure hebben beoordeeld en dit steeds hebben getoetst aan de (nationale en internationale) kaders die daarvoor gelden, terwijl de Court of Appeal kennelijk geen aanmerkingen op die oordelen had (zie rov. 4.20). Het hof heeft daarbij ten onrechte, in navolging van de UK-rechters, de bevoegdheid ten aanzien van de verschillende verzoeken los van elkaar beoordeeld, terwijl de in rov. 4.19 bedoelde Verordeningen juist aanknopingspunten/aanwijzingen opleveren om — bij de beoordeling van de vraag of de bevoegdheidsgrond internationaal algemeen aanvaardbaar is — de verzoeken in samenhang te bezien (zie onderdeel 2.1 hierna). Anders dan het hof ten onrechte heeft geoordeeld, is bij de toets aan het eerste Gazprombank-criterium ook niet relevant (althans niet doorslaggevend) of de hogere buitenlandse rechter aanmerkingen had op de oordelen van de lagere buitenlandse rechter (dus op de beslissingen waarvan erkenning wordt gevraagd).
1.2
Volgens de internationaal algemeen aanvaarde hoofdregel is primair de rechter van het land waar de verweerder zijn woon- of gewone verblijfplaats heeft, bevoegd (forum rei). Het aannemen van bevoegdheid van een andere rechter dan de rechter van het land waar de verweerder zijn woon- of gewone verblijfplaats heeft, is alleen mogelijk wanneer sprake is van bijzondere bijkomende omstandigheden. Een uitzondering op deze hoofdregel moet niet zonder meer en niet te snel worden aangenomen, moet eng worden uitgelegd en mag zich alleen uitstrekken tot in het commune internationale bevoegdheidsrecht algemeen aanvaarde gevallen. Niet algemeen aanvaard is de uitzondering dat de rechter van het land waar de verzoeker zijn woon- of gewone verblijfplaats heeft, bevoegd is (forum actoris). Deze bevoegdheidsgrond wordt internationaal zelfs algemeen als exorbitant beschouwd. Voor zover deze bevoegdheidsgrond al voor toepassing in aanmerking kan komen, gelden daarvoor aanvullende eisen.
Het hof heeft het voorgaande miskend door bij de toets aan het eerste Gazprombank-criterium niet de hoofdregel (forum rei) maar de uitzondering (forum actoris) voorop te stellen (zie expliciet rov. 4.19). Het hof heeft voorts miskend dat deze uitzondering niet zonder meer en niet te snel moet worden aangenomen, en dat reeds bestaande uitzonderingen eng moeten worden uitgelegd en zich alleen mogen uitstrekken tot welomschreven gevallen, met inachtneming van de voor die gevallen geldende aanvullende eisen. Immers, het hof heeft een uitzondering afgeleid uit twee Verordeningen die (indien op de juiste wijze en in de juiste verhouding/combinatie toegepast) deze uitzondering niet bevatten en die in een geval als het onderhavige niet leiden naar de rechter van het land van de gewone verblijfplaats van de verzoeker, maar naar de rechter van het land van de (toenmalige) woonplaats van de verweerder: Portugal (zie onderdeel 2).
1.3
Het hof heeft bovendien een buitenlands vonnis erkend dat ervan uitgaat dat het huwelijk is ontbonden door een islamitische scheiding en op basis daarvan een oordeel inhoudt over de verdeling van het huwelijkse vermogen (zie rov. 3.8 en 4.34). Dat levert behalve strijd met het derde Gazprombank-criterium (de openbare orde, zie onderdeel 4) ook strijd op met het eerste Gazprombank-criterium. Het is internationaal niet algemeen aanvaardbaar dat de rechter zich bevoegd acht om het huwelijkse vermogen te verdelen op basis van (als gevolg van) uitsluitend een religieuze (islamitische) echtscheiding. De bevoegdheid tot een verdeling van het huwelijkse vermogen op basis van (als gevolg van) ontbinding van het huwelijk (zoals de UK-rechter in casu heeft gedaan) is naar internationale maatstaven pas algemeen aanvaardbaar nadat rechtsgeldig een civiele echtscheiding tot stand is gebracht en/of is uitgesproken door een ter zake bevoegde civiele rechter. Het hof heeft het voorgaande miskend.
Heeft het hof het voorgaande niet miskend, dan is zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Immers, het hof heeft vastgesteld dat in dit geval (geen civiele maar) een islamitische scheiding (de Talaq) is bewerkstelligd (rov. 3.6), en dat de High Court in zijn uitspraak van 12 oktober 2016 (waarvan door [de vrouw] erkenning wordt verzocht) ervan is uitgegaan dat het huwelijk is ontbonden door de Talaq en heeft geoordeeld dat [de vrouw] gerechtigd is tot 50% van het tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen (zie rov. 3.8, zie ook 4.34). [de man] heeft aangevoerd dat er nooit een rechtsgeldige civiele echtscheiding tot stand is gebracht, wat een noodzakelijke voorwaarde is om tot erkenning te kunnen overgaan van een buitenlandse beslissing waarin het huwelijkse vermogen wordt verdeeld.3. [de man] heeft voorts aangevoerd dat de erkenning van de uitspraak van de High Court van 12 oktober 2016 in Portugal tot in hoogste instantie is afgewezen omdat een buitenlandse beslissing over de vermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding niet in Portugal kan worden erkend als tussen de partijen geen civiele echtscheiding bestaat die in Portugal is bevestigd of daar gevolgen kan hebben (maar slechts een islamitische scheiding),4. en heeft erop gewezen dat de Talaq in het Verenigd Koninkrijk evenmin wordt erkend als een rechtsgeldige echtscheiding.5. In het licht van deze (vast)stellingen is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende (begrijpelijk) dat de bevoegdheid van de UK-rechter die heeft beslist tot verdeling van het huwelijks vermogen, in het onderhavige geval berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is.
2. Gewone verblijfplaats verzoeker gedurende één jaar voor indiening verzoek: geen internationaal algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond
Inleiding
In rov. 4.4 stelt het hof — als zodanig met juistheid — voorop dat bij de beoordeling of de bevoegdheid van de buitenlandse rechter berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale normen algemeen aanvaardbaar is, aansluiting moet worden gezocht bij internationale verdragen en verordeningen en dat dit een aanwijzing oplevert voor wat internationaal aanvaardbaar wordt geacht.
In rov. 4.17 (en in rov. 4.23) concludeert het hof dat naar zijn oordeel voldoende is komen vast te staan dat de UK-rechter zijn bevoegdheid heeft aangenomen op gronden die naar internationale normen algemeen aanvaardbaar zijn. Voor dit oordeel sluit het hof (met partijen) aan bij de inhoud van de door partijen genoemde twee Verordeningen, die gelet op de Europese context van deze zaak (met in de UK en in Portugal aangespannen procedures) relevant moeten worden geacht: de Brussel II-bis Vo6. en de HuwVo.7.
In rov. 4.18 overweegt het hof dat de Brussel II-bis Vo (waarbij de UK in 2016 lidstaat was) alleen van toepassing is op procedures die strekken tot echtscheiding en niet op zelfstandige verzoeken inzake huwelijksvermogensrecht. Op die laatste verzoeken is de HuwVo (daterend uit 2016, waarbij de UK nooit lidstaat is geweest) van toepassing, maar alleen voor zaken die op of na 29 januari 2019 aanhangig zijn gemaakt. Dit alles doet niet af aan het belang van beide Verordeningen als aanknopingspunten voor de toets of de grond waarop de UK-rechter zijn bevoegdheid heeft aangenomen internationaal algemeen aanvaardbaar is, aldus nog steeds het hof.
In rov. 4.19 oordeelt het hof dat in beide Verordeningen het uitgangspunt is dat de gewone verblijfplaats van de verzoeker als grond voor bevoegdheid kan worden aangenomen als deze daar ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek zijn of haar gewone verblijfplaats had. De UK-rechter heeft deze grond toegepast op de op 13 januari 2016 ingediende ‘Application for Financial Relief’, welk verzoek nog niet eerder behandeld en beoordeeld was en heeft vervolgens geconstateerd dat de vrouw één jaar voorafgaand aan deze datum haar gewone verblijfplaats in de UK had, aldus nog steeds het hof.
Op de volgende punten geven de oordelen van het hof in rov. 4.17–4.19 en 4.23 blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn die oordelen onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
2.1
Het oordeel in rov. 4.19 dat in beide Verordeningen het uitgangspunt is dat de gewone verblijfplaats van verzoeker als grond voor bevoegdheid (reeds) kan worden aangenomen als deze daar ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek zijn of haar gewone verblijfplaats had (welke grond de UK-rechter volgens het hof heeft toegepast op de op 13 januari 2016 ingediende ‘Application for Financial Relief’, het verzoek tot verdeling van het huwelijkse vermogen), is rechtens onjuist.
De hoofdregel van art. 5 lid 1 HuwVo verklaart bevoegd de gerechten van de lidstaat waar op grond van de Brussel II-bis Vo een verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk aanhangig is gemaakt. Doel is huwelijksvermogensrechtelijke geschillen en de echtscheidingsprocedure te concentreren bij de gerechten in dezelfde lidstaat. Art. 3 lid 1 onder a), vijfde streepje, Brussel II-bis Vo bepaalt op zijn beurt, voor zover hier relevant, dat ter zake van echtscheiding bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat waar zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij (of zij) daar sedert ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft. Deze grond wordt echter internationaal als ‘te mager’ beschouwd voor een huwelijksvermogensrechtelijke bevoegdheid. Op grond van art. 5 lid 2 onder a HuwVo geldt daarom een aanvullende eis: de bevoegdheid is afhankelijk van een overeenkomst tussen de echtgenoten. In het onderhavige geval is gesteld noch gebleken dat een dergelijke overeenkomst is gesloten.
Art. 6 HuwVo regelt de bevoegdheid in andere gevallen dan de gevallen die zijn geregeld in art. 5 HuwVo.8. Geen van de vier in art. 6 HuwVo genoemde gronden kan evenwel leiden tot bevoegdheid van de rechter van het land waar (alleen) de verzoeker zijn gewone verblijfplaats heeft (forum actoris): de gewone verblijfplaats van de verzoeker wordt in deze bepaling niet genoemd als grond voor het aannemen van een bijzondere bevoegdheid. Toepassing van de getrapte bevoegdheidsladder van art. 6 HuwVo wijst, integendeel, in een geval als het onderhavige op bevoegdheid van de rechter van de (toenmalige) woonplaats van [de man]: Portugal.9.
Voor het oordeel van het hof, dat in beide Verordeningen het uitgangspunt is dat de gewone verblijfplaats van verzoeker als grond voor bevoegdheid (reeds) kan worden aangenomen als deze daar ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek zijn of haar gewone verblijfplaats had, bieden de Brussel II-bis Vo en de HuwVo dus geen aanknopingspunt. Die verordeningen leveren dus ook geen aanwijzing of aanknopingspunt op dat die bevoegdheidsgrond (welke grond de UK-rechter volgens het hof heeft toegepast op de op 13 januari 2016 ingediende ‘Application for Financial Relief’) (in een geval als het onderhavige) naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is.
Gelet op het voorgaande is het andersluidende oordeel van het hof ook onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, omdat [de man] gemotiveerd uiteengezet heeft dat het door het hof in rov. 4.19 geformuleerde uitgangspunt niet aan de Brussel II-bis Vo en de HuwVo kan worden ontleend en het hof daarop niet (kenbaar en gemotiveerd) heeft gerespondeerd.10.
2.2
Indien en voor zover het hof, met zijn overweging in rov. 4.17 dat het met partijen aansluit bij de inhoud van de door partijen genoemde twee Verordeningen, zou bedoelen dat (ook) [de man] zich op het standpunt heeft gesteld dat de Brussel II-bis Vo en de HuwVo aanknopingspunten bieden voor het door het hof in rov. 4.19 geformuleerde uitgangspunt en (dus) een aanwijzing of aanknopingspunt opleveren dat de daarin bedoelde bevoegdheidsgrond (in een geval als het onderhavige) naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, is dat oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. [de man] heeft immers aangevoerd dat toepassing van (de uitgangspunten in) deze Verordeningen geen bevoegdheid voor de UK-rechter zou creëren, maar juist zou leiden tot bevoegdheid voor de rechter van zijn (toenmalige) woonplaats: Portugal.11.
2.3
De klachten van de voorgaande subonderdelen vitiëren zelfstandig het oordeel van het hof in rov. 4.17 (en in rov. 4.23) dat is voldaan aan het eerste Gazprombank-criterium. Dat oordeel berust immers (mede) op het rechtens onjuiste en onbegrijpelijke/onvoldoende gemotiveerde oordeel in rov. 4.19 over het uitgangspunt in beide Verordeningen, dat kennelijk volgens het hof een aanwijzing of aanknopingspunt oplevert dat de in rov. 4.19 genoemde bevoegdheidsgrond (in een geval als het onderhavige) naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is.
3. Miskenning perpetuatio fori; geen gewone verblijfplaats gedurende één jaar voor rechtens relevante tijdstip (oorspronkelijke) indiening verzoek
Inleiding
In rov. 4.19 overweegt het hof dat in beide Verordeningen het uitgangspunt is dat de gewone verblijfplaats van de verzoeker als grond voor bevoegdheid kan worden aangenomen als deze daar ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek zijn of haar gewone verblijfplaats had. De UK-rechter heeft deze grond toegepast op de op 13 januari 2016 ingediende ‘Application for Financial Relief’, welk verzoek nog niet eerder behandeld en beoordeeld was en heeft vervolgens geconstateerd dat de vrouw één jaar voorafgaand aan deze datum haar gewone verblijfplaats in de UK had, aldus nog steeds het hof.
In rov. 4.21 verwerpt het hof het betoog van [de man] dat de UK-rechters onvoldoende hebben getoetst of [de vrouw] vanaf januari 2015 ‘habitually resident’ was in de UK. Het hof overweegt dat de tweede UK-rechter als vaststaand heeft aangenomen dat [de vrouw] vanaf 13 januari 2015 tot in elk geval 13 januari 2016 haar gewone verblijfplaats in de UK had, kennelijk omdat [de man] dat in die procedure niet heeft betwist. In deze procedure bij het Gerecht gaat [de man] er zelf ook nog vanuit dat [de vrouw] in januari 2015 in de UK is gaan wonen. Dat [de vrouw] in haar inleidende verzoek tot echtscheiding in de UK van 6 januari 2015 een adres in de USA heeft genoemd (waar zij voordien verbleef) en in een verzoek van 8 januari 2015 heeft verklaard dat zij op dat moment geen gewone verblijfplaats in de UK had, betekent nog niet dat het gewone verblijf van [de vrouw] in de UK niet op 13 januari 2015 kan zijn begonnen. Dit verweer van [de man] is daarmee onvoldoende onderbouwd en wordt daarom gepasseerd, aldus nog steeds het hof.
Indien en voor zover het hof (anders dan in onderdeel 2 is aangevoerd) wel heeft mogen uitgaan van het uitgangspunt dat de gewone verblijfplaats van verzoeker als internationaal aanvaarde grond voor bevoegdheid (in een geval als het onderhavige) (reeds) kan worden aangenomen als deze daar ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek zijn of haar gewone verblijfplaats had, geeft zijn oordeel dat is voldaan aan het eerste Gazprombank-criterium (en geven de daaraan ten grondslag liggende overwegingen in rov. 4.19 en 4.21) blijk van een onjuiste rechtsopvatting of is het oordeel (en zijn deze overwegingen) onvoldoende gemotiveerd op grond van het volgende.
3.1
Op grond van het perpetuatio fori-beginsel, dat onderdeel vormt van het commune internationale bevoegdheidsrecht en waaraan art. 6 HuwVo ook refereert,12. is het peilmoment voor de bevoegdheidstoetsing het tijdstip waarop de zaak (in dit geval dus: het verzoek tot verdeling van het huwelijkse vermogen) in eerste aanleg bij de rechter wordt aangebracht en kan een wijziging van omstandigheden na dit moment niet alsnog tot (on)bevoegdheid leiden. Een wijziging van het verzoek, althans een wijziging van zo ondergeschikte aard en inhoud als in het onderhavige geval, verandert niet het tijdstip van het aanbrengen van de zaak. Het hof heeft het voorgaande miskend.
Het hof heeft immers in de eerste plaats blijkens rov. 4.19 kennelijk juist geacht dat de UK-rechter de in rov. 4.19 genoemde bevoegdheidsgrond (gewone verblijfplaats verzoeker, in casu [de vrouw], één jaar voorafgaand aan indiening) heeft toegepast op de op 13 januari 2016 ingediende ‘Application for Financial Relief’, omdat dit verzoek ‘nog niet eerder behandeld en beoordeeld was’. Het hof heeft aldus miskend dat niet van belang is of het verzoek al eerder was behandeld en beoordeeld, maar of het verzoek (in feite/materieel) al eerder was ingediend (wat in het onderhavige geval zo was; zie hierna).
Het hof heeft in de tweede plaats blijkens rov. 4.21 louter beoordeeld of ([de man] voldoende heeft betwist dat) [de vrouw] ten tijde van de indiening van de tweede ‘Application for Financial Relief’ op 13 januari 2016 al ten minste een jaar ‘habitually resident’ was in de UK. In plaats daarvan had het hof moeten concluderen dat [de vrouw] ten tijde van de eerste ‘Application for Financial Relief’, die op 31 juli 2015 is ingediend (zie rov. 4.13, 4.16, 4.20), nog geen jaar haar gewone verblijfplaats in de UK had gehad, zodat niet was voldaan aan de door het hof in rov. 4.19 geformuleerde voorwaarde. In ieder geval is het oordeel van het hof onverenigbaar met de feitelijke vaststelling dat [de vrouw] (eerst) vanaf 13 januari 2015 haar gewone verblijfplaats in de UK had (zie rov. 4.16).
3.2
Indien en voor zover het hof in rov. 4.19 het tweede verzoek van 13 januari 2016 heeft gekwalificeerd als een volledig (feitelijk/materieel) nieuw verzoek, heeft het hof ten onrechte de feitelijke grondslag van het verweer van [de vrouw] aangevuld en/of is het hof getreden buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep. Immers, [de vrouw] heeft zich hier niet op beroepen, maar heeft juist gesteld dat zij het oorspronkelijke verzoek van 31 juli 2015 heeft ‘gewijzigd en ingediend’ op 13 januari 2016.13. [de man] heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat (volgens de UK-rechter) (slechts) sprake is geweest van een gewijzigd verzoek.14. Het hof heeft zelf ook vastgesteld dat het tweede verzoek ‘een kopie’ is (met daarop alleen ‘handgeschreven aanvullingen’) van het verzoek dat [de vrouw] eerder op 31 juli 2015 had ingediend (zie rov. 4.13). Het oordeel dat sprake is van een volledig nieuw verzoek is met die (vast)stellingen onverenigbaar en daardoor (ook) onbegrijpelijk. Het oordeel is bovendien onbegrijpelijk aangezien de ‘handgeschreven aanvullingen’ slechts redactioneel van aard zijn en niets veranderen aan de inhoud van het oorspronkelijke verzoek van 31 juli 2015.15.
3.3
Het hof is ook los van het voorgaande uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en/of heeft zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. [de man] heeft aangevoerd dat in de wet waarop de UK-rechter zijn bevoegdheid heeft gebaseerd (Part III van de Matrimonial and Family Proceedings Act 1984) onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds de indiening van een verzoek om toestemming tot indiening van een verzoek tot het treffen van financiële voorzieningen (leave) en anderzijds de daaropvolgende indiening van het verzoek tot het treffen van financiële voorzieningen (‘Application for Financial Relief’).16. Dan brengt het perpetuatio fori-beginsel (zie onderdeel 3.1) mee dat moet worden uitgegaan van het tijdstip van het verzoek om toestemming (leave), althans de verlening daarvan, als het tijdstip waarop de zaak in eerste aanleg bij de rechter is aangebracht. In dit geval is maar één keer om toestemming verzocht, namelijk in het verzoek van 8 januari 2015,17. en is deze toestemming op 30 juli 2015 verleend,18. waarna op 31 juli 2015 de eerste ‘Application for Financial Relief’ is ingediend.19. Niet gesteld of gebleken is dat voor het indienen van de tweede ‘Application for Financial Relief’ op 13 januari 2016 afzonderlijk toestemming is gevraagd of gegeven, hetgeen onderstreept dat dit tweede verzoek geen nieuw verzoek was en niet was voldaan aan de door het hof in rov. 4.19 geformuleerde voorwaarde voor het aannemen van een internationaal algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond.
4. Niet voldaan aan derde Gazprombank-criterium
Inleiding
In rov. 4.33–4.36 toetst het hof aan het derde Gazprombank-criterium. Het hof overweegt dat het daarbij moet nagaan of erkenning van de UK-uitspraken in strijd is met de openbare orde in Curaçao, dit om te voorkomen dat hier een buitenlandse rechterlijke beslissing wordt erkend die naar haar totstandkoming of inhoud in strijd is met de beginselen en waarden die in de rechtsorde in Curaçao als fundamenteel worden aangemerkt.
In rov. 4.34 overweegt het hof dat de man onvoldoende heeft aangevoerd om aan te nemen dat hiervan sprake is. Ook indien aangenomen zou worden dat de Talaq strijdig is met de openbare orde in Curaçao en hier niet ingeschreven kan worden, zoals de man heeft gesteld, dan leidt dit nog niet tot de conclusie dat de UK-uitspraken, die de Talaq als uitgangspunt nemen, maar alleen de verdeling van het huwelijkse vermogen van partijen betreffen, hier niet erkend zouden kunnen worden. Overigens hebben partijen ter mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat de echtscheiding tussen partijen inmiddels is uitgesproken (in Portugal), zodat verdeling van het huwelijkse vermogen (hoe dan ook) op enig moment zal moeten plaatsvinden, aldus nog steeds het hof.
In rov. 4.35 overweegt het hof dat ook bij de toetsing aan dit criterium van belang is dat de man niet alle beschikbare rechtsmiddelen in de UK heeft uitgeput, waarbij het hof (kennelijk) verwijst naar rov. 4.27–4.31.
Tenslotte concludeert het hof in rov. 4.36 op grond van het voorgaande (rov. 4.33–4.35) dat de man onvoldoende heeft aangevoerd om aan te nemen dat de UK-uitspraken in strijd zijn met de openbare orde in Curaçao en dat dit ook niet is gebleken. Naar het oordeel van het hof is dus ook aan het derde Gazprombank-criterium voldaan.
De toets aan het derde Gazprombank-criterium geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onvoldoende gemotiveerd.
4.1
In rov. 4.34 laat het hof in het midden of de Talaq strijdig is met de openbare orde in Curaçao en hier niet ingeschreven kan worden, zoals [de man] heeft gesteld, zodat daarvan in cassatie veronderstellenderwijs moet worden uitgegaan.
Daarvan uitgaande getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof in rov. 4.34 oordeelt dat de UK-uitspraken20. die de Talaq als uitgangspunt nemen, niet (eveneens) in strijd zijn met de openbare orde en in Curaçao kunnen worden erkend. Daaraan doet, anders dan het hof ten onrechte heeft geoordeeld, niet af dat deze UK-uitspraken alleen de verdeling van het huwelijkse vermogen betreffen. Aan een verdeling van het huwelijkse vermogen op basis van (als gevolg van) ontbinding van het huwelijk (zoals de UK-rechter in casu heeft gedaan),21. kan immers pas worden toegekomen nadat rechtsgeldig een civiele echtscheiding tot stand is gebracht en/of is uitgesproken door een ter zake bevoegde civiele rechter. Alleen zo kan immers worden voorkomen dat een buitenlandse rechterlijke beslissing wordt erkend die naar haar totstandkoming of inhoud in strijd is met de beginselen en waarden die in de rechtsorde in Curaçao als fundamenteel worden aangemerkt.
Het hof heeft in rov. 3.6 vastgesteld dat de Talaq (geen civiele maar) een islamitische scheiding is en dat de Talaq in dit geval door een Sharia-rechtbank in de Verenigde Arabische Emiraten is bevestigd. [de man] heeft aangevoerd dat de Talaq geen civiele echtscheiding is, dat de Talaq wegens strijd met de openbare orde niet kan worden ingeschreven in het register van de burgerlijke stand en dat een niet-ingeschreven echtscheiding in Curaçao geen (vermogensrechtelijke) rechtsgevolgen heeft. [de man] heeft voorts aangevoerd dat het (eveneens) in strijd met de openbare orde moet worden geacht om een uitspraak in Curaçao ten uitvoer te leggen waarin een buitenlandse rechter het huwelijkse vermogen verdeelt zonder dat een daaraan voorafgaande rechtsgeldige civiele echtscheiding tot stand is gebracht.22. In het licht van deze (vast)stellingen is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende (begrijpelijk) waarom de UK-uitspraken die ervan uitgaan dat het huwelijk is ontbonden door de Talaq en op basis daarvan een oordeel inhouden over de verdeling van het huwelijkse vermogen, terwijl de Talaq strijdig is met de openbare orde, in Curaçao kunnen worden erkend.
Het hof acht daarnaast ten onrechte relevant dat de echtscheiding tussen partijen ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep (23 januari 2024) inmiddels was uitgesproken (in Portugal), zodat de verdeling van het huwelijkse vermogen (hoe dan ook) op enig moment zal moeten plaatsvinden. Ten onrechte, omdat het niet erom gaat of de echtscheiding inmiddels, ten tijde van de toets (in hoger beroep) aan de Gazprombank-criteria, is uitgesproken. De te beantwoorden vraag is of de erkenning van de UK-uitspraak van 12 oktober 2016, die de Talaq (en niet een Portugese echtscheiding) als uitgangspunt neemt en op basis daarvan het huwelijkse vemogen verdeelt, in strijd is met de Curaçaose openbare orde.
Heeft het hof het voorgaande niet miskend, dan heeft het hof in elk geval miskend dat de buitenlandse echtscheidingsbeslissing waarop met de verdeling van het huwelijkse vermogen wordt voortgebouwd, onherroepelijk moet zijn geworden. Heeft het hof dit niet miskend, dan is zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het hof heeft in rov. 3.5 immers vastgesteld dat tegen het vonnis van de Portugese rechter die de echtscheiding heeft uitgesproken hoger beroep is aangetekend. [de man] heeft voorts aangevoerd dat dit vonnis hangende de procedure bij de hoogste Portugese rechter is geschorst.23.
4.2
Met zijn oordeel in rov. 4.35 dat bij de toetsing aan het derde Gazprombank-criterium van belang is dat de man niet alle beschikbare rechtsmiddelen heeft uitgeput (en de daarop mede voortbouwende conclusie in rov. 4.36 dat aan het derde Gazprombank-criterium is voldaan), miskent het hof dat naar commuun internationaal privaatrecht (slechts) de regel geldt dat de rechter betekenis kan toekennen aan de omstandigheid dat de beschikbare rechtsmiddelen in het land van herkomst niet zijn uitgeput; die omstandigheid kan in de weg staan aan het oordeel dat is voldaan aan strijd met de Curaçaose openbare orde als weigeringsgrond voor de erkenning van een buitenlandse beslissing. Het is aan de rechter om te beoordelen of, gelet op alle omstandigheden van het geval, hiervan sprake is, wat het hof eveneens miskent.
In rov. 4.35 overweegt het hof slechts dat ook bij de toetsing aan het derde Gazprombank-criterium van belang is dat de man niet alle beschikbare rechtsmiddelen in de UK heeft uitgeput. Mede op grond daarvan concludeert het hof in rov. 4.36 dat aan het derde Gazprombank-criterium is voldaan. Daarmee heeft het hof ten onrechte niet de omstandigheden van het geval, laat staan alle (relevante) omstandigheden van het geval (zie onderdeel 4.1), betrokken bij zijn kennelijke oordeel dat het feit dat [de man] niet alle beschikbare rechtsmiddelen in de UK heeft uitgeput, (mede) in de weg staat aan (kort gezegd) een geslaagd beroep van [de man] op het derde Gazprombank-criterium. Dit oordeel is daarmee in ieder geval onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het hof biedt immers geen enkel inzicht in zijn gedachtegang die tot dit oordeel heeft geleid.
De terugverwijzing naar de toets aan het tweede Gazprombank-criterium (rov. 4.27–4.31) kan geen voldoende (begrijpelijke) motivering opleveren. In dat verband heeft het hof zich immers (naast het oordeel dát [de man] niet alle beschikbare rechtsmiddelen in de UK heeft uitgeput) alleen uitgelaten over de door [de man] gestelde procedurele gebreken (zie rov. 4.31: ‘Daarbij komt dat…’), die evenwel geen rol spelen bij de toets aan het derde Gazprombank-criterium (strijd met de openbare orde).
Op grond van dit middel verzoekt verzoeker vernietiging van het bestreden vonnis met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad passend acht, met veroordeling van verweerster in de kosten van het geding, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen arrest.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 08‑01‑2025
Het beroep in cassatie in deze Caribische zaak, waarin door het hof een vonnis is gewezen, wordt in cassatie aanhangig gemaakt volgens de regels die gelden voor de verzoekprocedure. [de man] verzoekt uw Raad op grond van art. 3.1.19.2 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden een datum te bepalen voor het geven van een schriftelijke toelichting.
In dit middel wordt niet gesproken van de Engelse rechter maar, in navolging van het hof, van de UK-rechter.
Conclusie van antwoord, nrs. 3.16–3.20; memorie van grieven, nrs. 4.28–4.29; pleitnota hoger beroep, nrs. 4.1–4.3.
Conclusie van antwoord, nr. 3.17 (met verwijzing naar de uitspraak van het Tribunal da Relação in Lissabon, Portugal, van 29 april 2021, overgelegd als Productie 9); memorie van grieven, nrs. 2.4 (met verwijzing naar de uitspraak van het Supremo Tribunal de Justiça van 29 september 2022) en 4.29; pleitnota hoger beroep, nrs. 4.1–4.3.
Pleitnota hoger beroep, nr. 3.10.
Verordening (EG) 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000, PbEU 2003, L 338/1.
Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels, PbEU 2016, L 183/1.
En het hier niet toepasselijke art. 4 HuwVo.
Aangezien de echtgenoten op het tijdstip van het aanbrengen van de zaak niet meer allebei in Portugal woonden (rov. 3.3 van het vonnis), zou aan grond (a) niet zijn voldaan. De gronden (b), (c) en (d) wijzen wél naar de Portugese rechter als bevoegde rechter. Portugal is immers de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten (rov. 3.2–3.3 van het vonnis) en [de man] woonde destijds nog in Portugal (rov. 3.3 van het vonnis), zodat is voldaan aan grond (b) en (bij gebreke daarvan) aan grond (c). Bij gebreke daarvan wijst grond (d) eveneens naar de Portugese rechter, nu [de man] en [de vrouw] allebei de Portugese nationaliteit hebben (rov. 3.1 van het vonnis).
Conclusie van antwoord, randnrs. 3.4 en 3.8; conclusie van dupliek, randnrs. 5–8, 13; pleitnota eerste aanleg, randnrs. 8–11; pleitnota hoger beroep, randnrs. 2.19–2.23, 4.2.
Conclusie van antwoord, randnrs. 3.4 en 3.8; conclusie van dupliek, randnrs. 5–8, 13; pleitnota eerste aanleg, randnrs. 8–11; pleitnota hoger beroep, randnrs. 2.19–2.23, 4.2.
In alle vier de in art. 6 HuwVo genoemde gronden wordt aangeknoopt bij het tijdstip van het aanbrengen van de zaak: in grond (a) gaat het om de gewone verblijfplaats van de echtgenoten ‘op het tijdstip van het aanbrengen van de zaak’, in grond (b) om de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten, mits een van hen daar ‘op het tijdstip van aanbrengen’ nog verblijft, in grond (c) om de gewone verblijfplaats van de gedaagde ‘op het tijdstip van aanbrengen’ en in grond (d) om de nationaliteit van de beide echtgenoten ‘op het tijdstip van aanbrengen’.
Memorie van antwoord, nr. 3.2.3.
Conclusie van dupliek, nrs. 6–7; pleitnota eerste aanleg, nr. 9; pleitnota hoger beroep, nrs. 2.5–2.6.
Zie Productie 9 bij akte zijdens [de vrouw] van 23 april 2024: alleen de data zijn veranderd en één zin (‘will have been habitually resident here for a period of more than twelve months in January 2016’) is in de verleden tijd omgezet (‘has been habitually resident for a period of more than twelve months’).
Akte uitlating na tussenvonnis van [de man] van 21 mei 2024, nrs. 18–21.
Pleitnota hoger beroep van [de man], nr. 2.3; akte uitlating na tussenvonnis van [de man] van 21 mei 2024, nr. 12.
Zie rov. 4.10–4.12 van het bestreden vonnis.
Zie rov. 4.13, 4.16, 4.20 van het bestreden vonnis.
In navolging van het hof wordt verwezen naar de UK-uitspraken, maar dat laat onverlet dat in deze procedure slechts erkenning wordt gevraagd van één uitspraak, te weten de uitspraak van de High Court van 12 oktober 2016 (zie rov. 4.1 van het bestreden vonnis).
Zie rov. 3.8 van het bestreden vonnis.
Memorie van grieven, nrs. 4.28–4.29; pleitnota hoger beroep, nrs. 4.1–4.3; conclusie van antwoord, nrs. 3.19–3.20.
Pleitnota hoger beroep, nr. 4.3.