Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/7.4.2.4.2
7.4.2.4.2 Toelichting en rechtvaardiging
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971861:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Kluiver 2000, p. 239; en Koelemeijer (diss.) 1999, p. 346-347.
Zie HR 4 april 2014, JOR 2014/290 m.nt. R.G.J. de Haan (Cancun), r.o. 4.2.1; en HR 10 februari 2023, JOR 2023/119 m.nt. B. Kemp (Cordial III), r.o. 3.4.2. Vgl. Hof Amsterdam (OK) 15 juni 2023, ARO 2023/94 (SleeperCharger), waarin de gronden voor de toewijzing van het enquêteverzoek hoofdzakelijk werden gevonden in schendingen van de aandeelhoudersovereenkomst.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 26 januari 2021, ARO 2021/42 (Erfboom), r.o. 3.8; en Hof Amsterdam (OK) 28 oktober 2011, ARO 2011/167 (Twister Media Group), r.o. 3.13 en 3.14.
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 24 februari 2017, ARO 2017/72 (Care Group), r.o. 3.5.
Ik wijs bijvoorbeeld op het belang dat werd gehecht aan de beoogde aandeelhoudersgelijkheid tussen de joint venture-partners in Cancun (zie HR 4 april 2014, JOR 2014/290 m.nt. R.G.J. de Haan (Cancun)). Hoewel dit niet als zodanig aan bod is gekomen in deze beschikking, kan ik mij voorstellen dat die gelijkwaardigheid zich mede uitte in de toegang tot informatie.
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 14 december 2022, ARO 2023/3 (APM), waarin betekenis is toegekend aan de bedoeling van partijen achter de certificering van de aandelen en de weerslag daarvan op (onder meer) de informatierechten van de certificaathouders.
Zie Hof Amsterdam (OK) 25 mei 2020, ARO 2020/114 (Wagenborg Bulk Terminal), r.o. 3.8. Zie ook Hof Amsterdam (OK) 14 december 2022, ARO 2023/3 (APM), r.o. 3.6.
Vgl. De Kluiver 2000, p. 235: “Als [een partij] eerder heeft aangegeven linksaf te gaan, kan hij niet plotseling rechtsaf slaan als dat de ander schaadt. Consistent handelen wordt aldus een eis van redelijkheid en billijkheid.”
Hof Amsterdam (OK) 14 juli 2017, JOR 2018/7 m.nt. J.L. van der Schriek (Fortuna II), r.o. 2.23. Daarbij zal overigens een rol hebben gespeeld dat deze commissaris exclusief bevoegd was om te beslissen over de aard, omvang, inhoud en timing van de informatieverstrekking aan aandeelhouders met het oog op de betreffende transactie (zie ook par. 8.3.2.1 hierna).
Zie bijvoorbeeld Meppelink 2019, waarin op basis van precedenten bij beursvennootschappen onder meer is gekeken welke informatieverstrekking in de praktijk gebruikelijk is indien een transactie op grond van artikel 2:107a BW ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de algemene vergadering.
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 9 juli 2010, NJ 2010/544 m.nt. P. van Schilfgaarde (ASMI), r.o. 4.4.2 onder (iv), waarin de Hoge Raad overweegt dat: “iedere vennootschap binnen de grenzen van de wet vrij is haar (vennootschappelijke) organisatie naar eigen inzicht in te richten”.
Aan dit gezichtspunt ligt ten grondslag dat de aard en strekking van deze organisatie een rol speelt bij de inkleuring van de redelijkheid en billijkheid1 alsmede het vennootschappelijk belang.2 Daarbij is niet alleen van belang wat betrokkenen precies hebben afgesproken, maar ook wat zij daarmee hebben beoogd – de ‘geest’ van de afspraken3 – en welke gebruiken en omgangsvormen zich binnen de vennootschap hebben ontwikkeld. De inrichting van de vennootschap kan bijvoorbeeld eraan bijdragen dat een contractueel informatierecht breed wordt uitgelegd en toepassing vindt buiten vergadering.4 Ook kan ik mij voorstellen dat de beoogde gelijkwaardigheid tussen joint venture-partners zich mede vertaalt in een gelijkwaardige toegang tot informatie.5 De inrichting van de vennootschap bepaalt mede de rol en positie van de kapitaalverschaffers en is daarmee ook van belang voor het bepalen van hun informatierechten.6
Onderdeel van de organisatie van de vennootschap is niet alleen wat partijen concreet hebben afgesproken, maar ook de (ongeschreven) bestendige gebruiken die zich tussen hen hebben ontwikkeld. Ik bedoel dan op de eerste plaats het bestendig gebruik binnen de vennootschap. Ook daaraan kunnen aandeelhouders informatierechten ontlenen. Illustratief in dit verband is Wagenborg Bulk Terminal, waarin de Ondernemingskamer overwoog dat de vennootschap “haar door bestendig gebruik gevestigde informatieverplichting jegens de minderheidsaandeelhouders” onvoldoende nakwam, onder meer doordat de hoeveelheid informatie opgenomen in maandrapportages mettertijd terugliep.7 Dat komt mij terecht voor; de aandeelhouder kan redelijkerwijs bepaalde verwachtingen ontlenen aan het bestendig gebruik. De redelijkheid en billijkheid vergt in dergelijke gevallen consistent handelen van de vennootschap(sleiding).8 Overigens wil ik niet uitsluiten dat ook dient te worden gekeken naar wat in de markt gebruikelijk is. Ik verwijs bijvoorbeeld naar Fortuna, waarin de Ondernemingskamer belang hechtte aan een bevestiging van de door haar benoemde commissaris dat “dat de bij de oproep verschafte informatie adequaat is en gebruikelijk voor dit type transactie”.9 Met name bij beursvennootschappen wordt veelvuldig gekeken naar wat in de markt gebruikelijk is, ook waar het ziet op informatieverstrekking.10 Ontwikkelingen in de praktijk kunnen op die manier invulling geven aan hetgeen redelijkerwijs van de vennootschap mag worden verwacht. Market practice is niet zonder betekenis.
Het voorgaande brengt tot uitdrukking de vrijheid die partijen hebben bij de inrichting van hun samenwerkingsverband.11 De wet stelt de dwingende kaders waarbinnen de autonomie van partijen mijns inziens zoveel mogelijk dient te worden gehonoreerd. Naarmate partijen hun samenwerkingsverband – en daarmee ook, al dan niet impliciet, de daaruit voortvloeiende gedragsnormen –verder hebben ingevuld, is er minder behoefte aan, en resteert dus ook minder ruimte voor een nadere invulling daarvan door middel van artikel 2:8 BW.