Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/6.2.1:6.2.1 Richtlijnconforme uitleg van de vordering
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/6.2.1
6.2.1 Richtlijnconforme uitleg van de vordering
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS298621:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie A-G Van Gerven voorafgaand aan HvJ EU 28 september 1994, C-200/91, Jur. 1994, p. 1-4389 (Coloroll), sub. 59; Wissink 2001, p. 302 e.v. Overigens anders: Hartkamp 2011, p. 156-157 (nr. 190).
Uit het in artikel 4, lid 3 VWEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking volgt de verplichting om zoveel mogelijk bij te dragen aan de effectiviteit van het EU-recht in het algemeen en een verplichting tot richtlijnconforme interpretatie in het bijzonder (vgl. Chalmers, Davies & Monti 2010, p. 294 e.v.).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
211.
Moet de rechter de vordering zo uitleggen dat de consument zich verzekerd zal zien van de aan hem onder de Richtlijn toekomende bescherming? Vormt het bestaan van een consumentenbeschermende EU-richtlijn een relevant gezichtspunt bij de uitleg van de vordering, en zo ja, welk gewicht moet dan worden toegekend aan dit gezichtspunt? Bij de uitleg van rechtshandelingen is wel bepleit dat dit, indien de wijze van uitleg zulks toelaat, zoveel mogelijk in conformiteit met een toepasselijke EU-richtlijn dient te geschieden.1 Wat zou het praktisch resultaat van een dergelijke uitleg kunnen zijn?
De uitleg van procesrechtelijke rechtshandelingen is objectiever van aard. Immers, een vordering (en de dagvaarding) wordt eenzijdig opgesteld. De bedoeling van de opsteller zal voor de wederpartij slechts kunnen blijken uit de daaraan ten grondslag gelegde stellingen en het als gevolg daarvan gevoerde partijdebat. Bij de uitleg zal er minder ruimte zijn voor een richtlijnconforme interpretatie van de rechtshandeling. Als de wederpartij zich in voldoende mate moet kunnen verdedigen dient de uitleg van een dergelijke rechtshandeling niet afhankelijk te zijn van allerlei moeilijk te objectiveren factoren. En die informatiefunctie brengt ook met zich dat de rechter nimmer kiest voor een uitleg die niet kenbaar was of had behoren te zijn voor de wederpartij.
Biedt het criterium dat de interpretatie van een vordering aan de hand van de stellingen en het partijdebat dient te geschieden de ruimte om daarbij (het doel van) een EU-richtlijn te betrekken, dan zal de rechter mijns inziens wel van deze ruimte gebruik moeten maken.2