Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief
Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/6.1:6.1 Inleiding
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS417117:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vanaf de 16e eeuw bleek in Frankrijk behoefte aan de hervorming van het generale pandrecht op onroerende zaken. Deze behoefte heeft eerst geleid tot hervormingen van de regeling van het pandrecht en uiteindelijk tot de afschaffing van het generale pandrecht in 1798.1 Deze afschaffing is in de Code civil van 1804 gehandhaafd en heeft in 1811 geleid tot de afschaffing van het generale pandrecht in Nederland. In dit hoofdstuk beantwoord ik de vraag welke argumenten een rol hebben gespeeld in de discussie over de herziening en de afschaffing van het generale pandrecht. Voor de volledigheid wijs ik er op dat de hervormingen zich vooral uitstrekten tot pandrechten op onroerende zaken. Het stille pandrecht op roerende zaken kwam in het droit commun français niet voor en een schuldenaar kon zijn roerende zaken slechts in vuistpand geven.2 De schuldenaar kon zijn vorderingen slechts openbaar verpanden. Aan deze uitgangspunten heeft men niet getornd.
De opbouw van dit hoofdstuk is op hoofdlijnen chronologisch. Eerst analyseer ik de herzieningspogingen om tot een registerstelsel te komen voor de vestiging van pandrechten op onroerende zaken (§6.2). Vóór de revolutie zijn deze pogingen op niets uitgelopen (§6.2.1), maar zijn verkrijgers van onroerende zaken op andere manieren beschermd dan door publiciteit van zekerheidsrechten (§6.2.2). Pas na de revolutie kreeg Frankrijk een registerstelsel (§6.2.3 en 6.2.4). Vervolgens analyseer ik de Loi du 11 Brumaire an VII (1798) die het generale pandrecht op onroerende zaken afschafte en koos voor het specialiteitsbeginsel (§6.3). De commissie die daarna de opdracht van Napoleon had gekregen om een burgerlijk wetboek op te stellen, was voornemens om het generale pandrecht opnieuw in te voeren, maar stuitte op weerstand van het Tribunal de Cassation – de latere Cour de Cassation –, de gerechtshoven van de verschillende departementen en de Conseil d’État. In §6.4 ga ik uitvoerig in op de discussie over de beginselen van publiciteit en specialiteit in de aanloop tot de invoering van de Code civil. Uiteindelijk was er een meerderheid voor de afschaffing van het generale pandrecht. De Code civil van 1804 kent slechts speciale pandrechten op onroerende zaken, het vuistpandrecht op roerende zaken en het openbare pandrecht op vorderingen (§6.5).