De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht
Einde inhoudsopgave
De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (IVOR nr. 91) 2012/5.2.2:5.2.2 Golder t. Verenigd Koninkrijk
De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (IVOR nr. 91) 2012/5.2.2
5.2.2 Golder t. Verenigd Koninkrijk
Documentgegevens:
mr. A.J.P. Schild, datum 06-11-2012
- Datum
06-11-2012
- Auteur
mr. A.J.P. Schild
- JCDI
JCDI:ADS390026:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 21 februari 1975, appl. nr. 4451/70, NJ 1975, 462 m.nt. EAA (Golder t. Verenigd Koninkrijk).
EHRM 21 februari 1975, appl. nr. 4451/70, NJ 1975, 462 m.nt. EAA (Golder t. Verenigd Koninkrijk), § 34 en 35.
Beperkingen op dit recht zijn mogelijk, zie EHRM 21 september 1994, appl. nr. 17101/90, NJ 1995, 463 (Fayed t. Verenigd Koninkrijk), § 65.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In Golder t. Verenigd Koninkrijk was de vraag aan de orde of onder art. 6 EVRM ook het recht op toegang tot de rechter valt.1 Golder (een Britsingezetene) zat een gevangenisstraf uit van 15 jaar. Op een avond was sprake van serious disturbance in de recreatieruimte, waarbij onder meer een gevangenisbewaarder werd aangevallen. Golder werd aangewezen door een gevangenisbewaarder als één van de bij het incident betrokken personen. De gevangenisbewaarder nuanceerde zijn verklaring later in de zin dat hij dacht dat Golder bij het incident betrokken was, maar dit niet zeker wist. Een andere gevangenisbewaarder verklaarde dat Golder op het moment van het incident met hem in de televisiekamer aanwezig was en dus niet bij het incident betrokken kon zijn geweest. Tegen Golder werden geen disciplinaire maatregelen getroffen. In zijn dossier werd aangetekend “charges not proceeded with”.
Nadat Golder niet werd voorgedragen voor vervroegde invrijheidstelling (parole), naar hij meende vanwege de valselijke beschuldiging betrokken geweest te zijn bij het incident, wilde Golder de betreffende gevangenisbewaarder aanklagen voor libel. Golder vroeg daarop toestemming om een advocaat te raadplegen teneinde zijn zaak aanhangig te kunnen maken. Deze toestemming werd hem evenwel geweigerd. Ook een beroep bij de Home Office kon hem niet baten.
Golder klaagde daarop – nadat hij weer in vrijheid was gesteld – in Straatsburg dat art. 6 EVRM was geschonden. Het Verenigd Koninkrijk verweerde zich met de stelling dat aan art. 6 EVRM geen recht op toegang tot de rechter kan worden ontleend. Uit de tekst van art. 6 EVRM – met name de woorden “In the determination of his civil rights and obligations” – blijkt immers dat dit artikel slechts ziet op rechtsgedingen, nadat ze eenmaal aanhangig zijn gemaakt, aldus de stelling van het Verenigd Koninkrijk.
Het EHRM passeerde dat verweer, onder verwijzing naar het in de preambule opgenomen legaliteitsbeginsel en overwoog onder meer dat:
“in civil matters one can scarcely conceive of the rule of law without there being a possibility of having access to courts” en “It would be inconceivable, in the opinion of the Court, that Article 6 para. 1 (art. 6-1) should describe in detail the procedural guarantees afforded to parties in a pending lawsuit and should not first protect that which alone makes it in fact possible to benefit from such guarantees, that is, access to a court. The fair, public and expeditious characteristics of judicial proceedings are of no value at all if there are no judicial proceedings.”2
Het recht op een fair trial, zoals dat wordt beschermd door art. 6 EVRM omvat derhalve ook het recht op toegang tot de rechter.3 Bij een andere uitleg “a Contracting State could, without acting in breach of that text, do away with its courts, or take away their jurisdiction to determine certain classes of civilactions and entrust it to organs dependent on the Government.” (§ 35). Een vergelijkbare redenering hanteerde het EHRM in Hornsby t. Griekenland, welke zaak ik hierna zal toelichten.