De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/7.4:7.4 Hoofdstuk 4: de door de benadeelde aan te spreken partijen
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/7.4
7.4 Hoofdstuk 4: de door de benadeelde aan te spreken partijen
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS397192:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoofdstuk 4 is gewijd aan de vraag welke partijen de benadeelde van een ongeval in het internationale gemotoriseerde wegverkeer kan aanspreken.
De benadeelde
Eerst heb ik aandacht besteed aan de vraag wie in het kader van de Richtlijn worden begrepen onder de term 'benadeelde'. Daarvoor is om verschillende redenen aanleiding. Vastgesteld is dat de Nederlandse versie van de Richtlijn in diverse artikelen verschillende termen hanteert om de te beschermen personen aan te duiden. De vraag is dus of de Richtlijn daarmee onderscheid heeft willen maken tussen bijvoorbeeld - benadeelden in brede zin (degenen die schade hebben geleden door toedoen van een motorrijtuig), direct gelaedeerden en hun rechtverkrijgenden (het directe slachtoffer en zijn familie en nagelaten betrekkingen bijvoorbeeld) en regresnemende sociale en particuliere verzekeraars. Op grond van een vergelijking van de Nederlandse tekst met andere versies van de Richtlijn (de Franse, Duitse en Engelse) moet worden geconstateerd dat de Richtlijn een dergelijk onderscheid in het algemeen niet beoogt en dat de Nederlandse tekst van de Richtlijn in dit opzicht verwarring schept. Een uitzondering lijkt daarbij te moeten worden gemaakt ten aanzien van het waarborgfonds waar de Richtlijn een enger benadeelde-begrip toestaat.
Wel behandelt de Richtlijn verschillende categorieën 'benadeelden' op verschillende wijze. Bepaalde (natuurlijke en rechts-) personen die schade hebben geleden door een ongeval maar niet zelf bij het ongeval betrokken waren (zoals particuliere en sociale verzekeringsinstellingen met een regresvordering), kunnen bijvoorbeeld door de nationale wetgever van toegang tot het waarborgfonds of het schadevergoedingsorgaan worden uitgesloten. Maar als de nationale wetgever van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, zijn ook zij benadeelden in de zin van de Richtlijn. Wel moet telkens per aan te spreken partij worden nagegaan welke categorieën 'benadeelden' op grond van de verschillende richtlijnbepalingen een aanspraak hebben. Ook moet daarbij nationaal recht worden betrokken, omdat de Richtlijn slechts minimumharmonisatie beoogt.
Onder verschillende omstandigheden verschillende aan te spreken partijen
Om de lezer op hoofdlijnen een overzicht te bieden heb ik eerst globaal beschreven welke partijen al naar gelang van de omstandigheden door de benadeelde kunnen worden aangesproken. Daarbij moet 'aanspreken' niet alleen in de juridische zin van 'in rechte betrekken' worden opgevat. Bepaalde partijen (in het bijzonder de benoemde correspondent in het kader van het groenekaartstelsel en de schaderegelaar in het kader van het bezoekende slachtoffer) treden slechts als vertegenwoordiger van andere partijen (Bureau, respectievelijk verzekeringsmaatschappij van de aansprakelijke) op, hetgeen betekent dat in een procedure het Bureau, respectievelijk de verzekeraar moet worden betrokken.
Dit globale overzicht is afgesloten met een viertal 'beslisschema's', die de lezer behulpzaam kunnen zijn bij het vinden van de in de specifieke omstandigheden van het geval aan te spreken partijen.
De aanspraak jegens de verzekeraar
Als eerste heb ik de aanspraak jegens de verzekeraar aan een onderzoek onderworpen. Daarbij heb ik vastgesteld dat tegenover de verzekeraar het ruimste benadeelde-begrip geldt. Vervolgens is de rechtstreekse vordering van art. 18 van de Richtlijn onderzocht. Daarbij is de klassieke action directe, die (slechts) meebrengt dat de benadeelde derde het ius agendi van de verzekerde bij uitsluiting uitoefent, vergeleken met de figuur van het eigen recht, zoals bijvoorbeeld art. 6 Wam in het leven roept. Vastgesteld is dat de rechtstreekse vordering van art. 18 van de Richtlijn het kenmerk van een eigen recht heeft, omdat de benadeelde tegenover de verzekeraar onder omstandigheden aanspraken geldend kan maken waarover de aansprakelijke verzekerde niet beschikt.
Kort beschreven is welk recht het rechtstreekse vorderingsrecht beheerst. Daarbij is zowel het regime van het Haags Verkeersongevallenverdrag 1971 als dat van Verordening Rome II bezien. Vastgesteld is dat Verordening Rome II de benadeelde de mogelijkheid geeft om te kiezen tussen het recht dat van toepassing is op de niet-contractuele verbintenis en het recht dat de verzekeringsovereenkomst beheerst. Het Haags Verdrag biedt deze keuzemogelijkheid niet.
Daarna is besproken welke gerechten kennis kunnen nemen van een vordering van de benadeelde tegen de verzekeraar. Uitgebreid aandacht is daarbij besteed aan het arrest van het HvJ EG inzake FBTO/Jack Odenbreit. Uit dit arrest volgt dat de benadeelde de verzekeraar tegen wie hij een rechtstreeks vorderingsrecht heeft, voor de gerechten van zijn eigen woonplaats kan dagen. In een volgend arrest van het HvJ EU inzake Vorarlberger Gebietskrankenkasse is de vraag aan de orde geweest of deze mogelijkheid ook is gegeven aan een regresnemende sociale verzekeringsinstelling. Het Hof heeft beslist dat deze mogelijkheid niet toekomt aan niet als economisch zwak aan te merken 'benadeelden', omdat art. 11 lid 2 van de Verordening Brussel I, als uitzondering op de hoofdregel dat benadeelden met woonplaats in de EU alleen voor de gerechten van hun eigen lidstaat kunnen worden gedaagd, beperkt moet worden uitgelegd. Onduidelijk is daarbij welke partijen moeten worden aangemerkt als economisch niet zwak. In zoverre verwezenlijkt het arrest niet de door het Hof blijkens zijn uitspraak zo belangrijk geachte hoge mate van voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels.
De bezoeker aansprakelijk: de aanspraak op het Bureau
In het kader van het internationale ongeval heb ik als eerste aandacht besteed aan de aanspraken van de benadeelde van het ongeval waarvoor een bezoekend motorrijtuig aansprakelijk is. Deze benadeelde kan zich in beginsel tot het Bureau wenden. Benadeelden in deze zin zijn dezelfden die ook een aanspraak tegen de verzekeraar hebben.
Onderzocht is onder welke voorwaarden het Bureau kan worden aangesproken. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de op de groene kaart (het Internationale Verzekeringsbewijs) te baseren aanspraak en de aanspraak die - als de groene kaart geen voorwaarde voor schaderegeling is omdat het criterium van 'gewoonlijk gestald' geldt - voortvloeit uit de omstandigheid dat het aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald in een land waarvan het Bureau de Multilateral Agreement heeft ondertekend.
De bezoeker aansprakelijk: de groene kaart
Allereerst zijn de eisen onderzocht waaraan een groene kaart moet voldoen, wil zij door het Bureau van het land van het ongeval als grondslag voor de schaderegeling worden aanvaard en door het Bureau onder welks gezag zij werd afgegeven worden gegarandeerd. Ik heb daarbij onderscheid gemaakt tussen formele aspecten enerzijds en de vorm en de inhoud anderzijds. Bij de formele aspecten is besproken welke verzekeraars tot het afgeven van IVB's aan hun verzekerden bevoegd zijn en aan welke verzekerden zij mogen worden afgegeven. Bij de vorm en inhoud van het IVB is het model van de groene kaart en détail besproken en is onder meer aandacht besteed aan de vraag op welke wijze en binnen welke termijn wijzigingen in het model van de groene kaart moeten worden doorgevoerd en wat het rechtsgevolg is van groene kaarten die nog niet aan het gewijzigde model zijn aangepast. Vervolgens zijn de regels rond de garanties in geval van valse en ongeoorloofd gewijzigde groene kaarten aan de orde gesteld. Daarna heb ik uiteengezet op welke wijze de benadeelde kan aantonen dat de aansprakelijke in het bezit was van een ten tijde van het ongeval en in het land van het ongeval geldige groene kaart.
Vastgesteld is dat noch de Europese regels noch - althans voor zover het Nederlands recht betreft - de nationale wetgeving specifieke handvatten biedt voor de interpretatie van het begrip 'geldige' groene kaart. Bepleit is dat de rechter zich in voorkomende gevallen baseert op de overeenkomsten tussen de Bureaus, hoewel deze overeenkomsten vanzelfsprekend derden niet rechtstreeks kunnen binden.
De bezoeker aansprakelijk: gewoonlijk gestald
Vervolgens heb ik onderzocht onder welke omstandigheden de Bureaus aansprakelijkheid voor een ongeval aanvaarden op grond van het begrip 'gewoonlijk gestald'. In dat geval heeft een eventueel afgegeven groene kaart voor de schaderegeling geen betekenis. Het begrip 'grondgebied van een lidstaat waarop het voertuig gewoonlijk is gestald' in de Richtlijn is geanalyseerd, waarna uitvoerig aandacht is besteed aan de situatie waarin - kort gezegd - aan het kenteken van het aansprakelijke voertuig een gebrek kleeft, in de zin dat het niet of niet langer met het voertuig overeenstemt. De jurisprudentie van het HvJ van de EU uit de jaren '80 en '90 van de vorige eeuw in de zaken Gambetta, BCF en Fournier is onderzocht en geconstateerd is dat de ruime uitleg die de Europese Commissie na de invoering van de 5e Richtlijn aan het begrip 'niet langer overeenstemmen' heeft gegeven deze arresten heeft achterhaald, maar tot onbevredigende resultaten leidt. Op grond daarvan heb ik bepleit om de bepaling van art. 1, onderdeel 4, letter d) van de Richtlijn aldus te wijzigen dat de schade ten laste komt van het Bureau (en dus de verzekeringsmarkt) van de lidstaat waar het aansprakelijke, maar een niet of niet langer ermee overeenkomend kenteken dragende voertuig laatstelijk regelmatig gewoonlijk was gestald, dat wil zeggen conform de regels was geregistreerd.
Analoog aan de vraag hoe de benadeelde kan aantonen of de aansprakelijke in het bezit is van een geldige groene kaart heb ik onderzocht op welke wijze hij kan aantonen dat een voertuig gewoonlijk op het grondgebied van een bepaalde lidstaat is gestald. Betoogd is dat alleen het juist en volledig genoteerde kenteken dat bewijs kan leveren.
De juridische grondslag van de aanspraak van benadeelde op het Bureau
Een belangrijk aspect van mijn onderzoek van de aanspraak van de benadeelde op het Bureau is de juridische grondslag daarvan. De overeenkomsten tussen de Bureaus - de Agreement between Member Bureaux of the Council of Bureaux (de overeenkomst waarbij de groene kaart de grondslag voor de schaderegeling vormt) en de Multilateral Agreement (in het kader van de aansprakelijkheid gebaseerd op het begrip 'gewoonlijk gestald') - en de Internal Regulations (de standaardvoorwaarden waarin de rechten en verplichtingen van de Bureaus zijn uitgewerkt) zijn daarvoor de basis. Daarbij is allereerst geconstateerd dat in alle aan het groenekaartstelsel deelnemende landen aan de benadeelde een in de wet verankerde rechtstreekse vordering op het Bureau ter beschikking staat. Na een onderzoek van een aantal in de literatuur verdedigde opvattingen over de constructie van het groenekaartstelsel is als eigen mening naar voren gebracht dat de meest bevredigende figuur die is van de eigen garantie van het 'regelend' Bureau van het land van het ongeval dat het de schade met de benadeelde zal regelen, zulks versterkt door een volmacht en een garantie van het garanderend Bureau dat dit Bureau de schade (en eventuele gemaakte kosten en een schaderegelingshonorarium) zal restitueren. Deze constructie past zowel bij de situatie dat de groene kaart de basis voor de schaderegeling vormt als voor het geval dat het begrip 'gewoonlijk gestald' de grondslag is.
Het 'regelend' Bureau: jurisdictie en toepasselijk recht
Een tweede relevante vraag is die voor welke gerechten het Bureau kan worden gedaagd. Daarbij heb ik als standpunt ingenomen dat een vordering tegen het Bureau niet kan worden gegrond op de afdeling van Verordening Brussel I die aan verzekeringszaken is gewijd, omdat het Bureau geen verzekeraar is in de zin van deze Verordening. Daarna is kort stilgestaan bij het op de vordering tegen het Bureau toepasselijke recht. Daarbij heb ik geconcludeerd dat het Bureau geen verzekeringsonderneming is en dat het vergeleken kan worden met een waarborgfonds.
Nu het Haags Verkeersongevallenverdrag niet op vorderingen tegen waarborgfondsen van toepassing is, heb ik verdedigd dat het ook niet op het Bureau van toepassing is. Dat betekent dat Verordening Rome II deze vordering beheerst. De keuze tussen het toepasselijke recht dat de niet-contractuele verbintenis beheerst en het recht dat op de verzekeringsovereenkomst van toepassing is staat de benadeelde echter niet ter beschikking, nu de verplichtingen van het Bureau niet op een met hem gesloten verzekeringsovereenkomst zijn gebaseerd en het Bureau geen verzekeraar is. De vordering tegen het Bureau wordt daarmee beheerst door het recht van het land van het ongeval.
De benoemde correspondent in het kader van het groene-kaartstelsel
De 'benoemde correspondent' is een voor de praktijk zeer belangrijke figuur: het overgrote deel van de in het kader van het groenekaartstelsel afgewikkelde schadegevallen wordt behandeld door correspondenten. De correspondent heb ik gekwalificeerd als dienaar van twee heren: hij is de lasthebber van de verzekeraar op wiens verzoek hij is aangesteld en de gevolmachtigde van het Bureau van het land waar hij werkzaam is en die zijn aanstelling heeft goedgekeurd. Deze positie brengt mee dat de lastgevingsverhouding tussen de correspondent en de verzekeraar geen strijdigheden met de grondbeginselen van het groenekaartstelsel mag bevatten. Dit betekent dat de correspondent het toepasselijk recht zelfstandig en zonder instructies van de verzekeraar moet uitleggen en dat hij de benadeelde zelf schadeloos moet stellen zonder dat hij kan wachten totdat de verzekeraar de benodigde gelden eerst aan hem heeft overgemaakt. Ook is stilgestaan bij de mogelijkheid dat de correspondent zelf op enigerlei wijze betrokken is bij het schadegeval, hetzij op grond van Selbsteintritt, hetzij omdat hij een tegenstrijdig belang heeft omdat hij ook optreedt voor de benadeelde. Naar Nederlands burgerlijk recht heeft hij in het laatste geval zijn recht op loon verspeeld.
In geval van een procedure dient het Bureau - en niet de correspondent die immers slechts de vertegenwoordiger van het Bureau is - te worden gedagvaard.
De bezoeker aansprakelijk: het waarborgfonds
Als tweede instantie die de benadeelde van een bezoekend motorrijtuig onder omstandigheden kan aanspreken, heb ik aandacht besteed aan het waarborgfonds. Het waarborgfonds komt in beeld als de aansprakelijke motorrijtuigbestuurder niet in het bezit is van de noodzakelijke groene kaart, als het aansprakelijke voertuig weliswaar gewoonlijk is gestald in een lidstaat maar het kenteken van het voertuig niet of niet langer overeenstemt met het voertuig (dat wil zeggen dat het ten onrechte geen kenteken draagt, dan wel een kentekenplaat die vals is, dan wel geschorst, ingetrokken of vervallen verklaard) of als het aansprakelijke voertuig in de lidstaat op welks grondgebied het gewoonlijk is gestald, op grond van art. 5 lid 2 van de Richtlijn van de verzekeringsplicht is vrijgesteld.
Het waarborgfonds en van verzekeringsplicht vrijgestelde voertuigen
Daarna heb ik onderzocht onder welke omstandigheden de Richtlijn de benadeelde een aanspraak op het waarborgfonds verschaft. Deze aanspraken zijn niet beperkt tot de benadeelde van een ongeval dat door een bezoekend motorrijtuig is veroorzaakt, maar gelden ook als het een zuiver 'nationaal' ongeval betreft. De benadeelde moet zich tot het waarborgfonds kunnen richten als de aansprakelijke hetzij onbekend, hetzij onverzekerd is. De regeling met betrekking tot de op grond van art. 5 lid 2 van de verzekeringsplicht vrijgestelde motorrijtuigen is tegen het licht gehouden. Ik heb daarbij vastgesteld dat de Richtlijn de benadeelde van een bezoekend, aldus vrijgesteld voertuig een aanspraak op het waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval geeft, terwijl het meer voor de hand zou hebben gelegen hier het Bureau als garant voor niet verzekerde, gewoonlijk in andere lidstaten gestalde (verzekerde en) onverzekerde voertuigen te laten optreden. Het vrijgestelde voertuig is immers gewoonlijk gestald in een andere lidstaat dan die van het ongeval en in het stelsel van de internationale schaderegeling kan voor dergelijke schadegevallen het Bureau worden aangesproken.
Het waarborgfonds en voertuigen met een kenteken met een gebrek
De regeling van de aanspraken in het geval van een niet van een kenteken of van een niet of niet langer overeenstemmend kenteken voorzien voertuig heb ik kritisch onder ogen gezien. Ik heb bepleit dat het Bureau en niet het waarborgfonds de schaderegeling ter hand neemt als het voertuig ondanks het gebrek toch verzekerd blijkt te zijn. De Richtlijn bepaalt immers dat het voertuig met een ontbrekend of gebrekkig kenteken geacht wordt gewoonlijk te zijn gestald in de lidstaat van het ongeval. Het Bureau draagt in het stelsel van de Richtlijn en van het groenekaartstelsel geen aansprakelijkheid voor gewoonlijk op zijn grondgebied gestalde motorrijtuigen.
Polisuitsluiting voor gestolen voertuigen
De lidstaten kunnen bepalen dat schade door gestolen of door geweldpleging verkregen voertuigen niet op de verzekeringspolis van het voertuig gedekt is of gedekt behoeft te zijn. In dat geval moet de benadeelde zich tot het waarborgfonds kunnen wenden, behoudens de inzittenden van het gestolen voertuig die daarin geheel vrijwillig hebben plaatsgenomen, als de verzekeraar aantoont dat zij van de diefstal of de geweldpleging op de hoogte waren.
Insolvente verzekeraars: geen richtlijnaanspraak op het waarborgfonds
De Richtlijn voorziet er niet in dat de benadeelde die een insolvente Wam-verzekeraar tegenover zich treft, zich tot het waarborgfonds moet kunnen wenden. Bepleit is dat de Europese wetgever in een regeling daarvoor voorziet. Het is toch niet goed verdedigbaar dat enerzijds wel in een verzekeringsplicht wordt voorzien, maar dat deze verzekeringsplicht en het daarbij behorende vangnet van het waarborgfonds geen soulaas bieden als de verzekeraar insolvent is. Bedacht zij daarbij dat de benadeelde derde geen enkele invloed heeft op de keuze van de laedens voor zijn verzekeraar. Op een algemene vangnetregeling voor insolventie van schadeverzekeraars kan niet worden gewacht.
De subsidiaire positie van het waarborgfonds
Uitvoerig heb ik stilgestaan bij de vraag van de subsidiariteit van het waarborgfonds. De Richtlijn staat het de lidstaten toe de toegang tot het waarborgfonds - naar moet worden aangenomen om de financiële lasten voor de directe financiers ervan, de verzekeringsmaatschappijen, te beperken - sterk in te perken. In veel landen blijken regresnemers van aanspraken op het waarborgfonds te zijn uitgesloten, maar verdergaande varianten komen ook voor. Zo sluiten Frankrijk en in mindere mate Duitsland onder omstandigheden ook aanspraken uit als de benadeelde, ook het direct getroffen slachtoffer, zijn schade uit andere bron vergoed kan krijgen. In vergelijking daarmee is de positie van het Nederlandse Waarborgfonds Motorverkeer nauwelijks subsidiair te noemen. Niet alleen heeft de Nederlandse benadeelde de keuze tussen het aanspreken van zijn eigen voorzieningen (zoals een cascoverzekering), ook kunnen regresnemers zich tot het Waarborgfonds Motorverkeer wenden en heeft de Nederlandse wetgever geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid om inzittenden van gestolen of door geweldpleging verkregen voertuigen van vergoeding door het waarborgfonds uit te sluiten.
Het toepasselijk recht op de vordering tegen het waarborgfonds
Op de vordering tegen het Waarborgfonds Motorverkeer zijn de regels van het Haags Verkeersongevallenverdrag niet toepasselijk op grond van art. 2 onder 6 van het Verdrag. Verordening Rome II kan wel toepasselijk zijn omdat deze Verordening geen uitzondering kent voor vorderingen tegen openbare waarborgfondsen voor automobielen. Onder Rome II zal doorgaans Nederlands recht moeten worden toegepast, omdat de hoofdregel van deze Verordening de lex loci delicti is. In bepaalde situaties kan het Nederlandse Waarborgfonds echter worden aangesproken op basis van het recht van een andere lidstaat. Daarvan kan sprake zijn bij een ongeval in een andere lidstaat, veroorzaakt door een in Nederland gestald, maar onverzekerd voertuig waarbij een inwoner van een derde lidstaat schade heeft geleden. Maar ook als een Nederlandse 'elobike' - vrijgesteld van de verzekeringsplicht - in een andere lidstaat schade veroorzaakt zal het Waarborgfonds Motorverkeer in regres worden aangesproken door het waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval, en wel op grond van het recht van die lidstaat.
Het bezoekende slachtoffer: de schaderegelaar
Het volgende gedeelte van hoofdstuk 4 is gewijd aan het bezoekende slachtoffer in de zin van de 4e Richtlijn.
In dat kader heb ik eerst aandacht besteed aan de schaderegelaar: de door elke verzekeringsonderneming met een vestiging in een lidstaat in de andere lidstaten aan te stellen vertegenwoordiger die de naar eigen land teruggekeerde benadeelde van een ongeval in een andere lidstaat dan die van zijn woonplaats kan aanspreken tot de regeling van zijn schade.
De voorwaarden waaraan moet zijn voldaan wil een benadeelde zich tot de schaderegelaar kunnen wenden zijn onderzocht: wie als benadeelde kwalificeert, de relevantie van de woonplaats van benadeelde, die van het land waar het ongeval plaatsvindt, die van de lidstaat waar het aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald en die van de lidstaat waar het is verzekerd, dit alles in onderlinge samenhang. Aandacht is besteed aan ongevallen in bij het groenekaartstelsel aangesloten landen die geen lidstaat zijn.
Het bezoekende slachtoffer en van verzekeringsplicht vrijgestelde voertuigen
In dit kader heb ik geconstateerd dat de positie van het bezoekende slachtoffer dat schade lijdt door toedoen van een op grond van art. 5, lid 1 of 2 van de Richtlijn van verzekeringsplicht vrijgesteld voertuig verbetering behoeft. De benadeelde van een door een op grond van het eerste lid van art. 5 vrijgesteld voertuig veroorzaakt ongeval zal zich hebben te wenden tot degene die in de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald verantwoordelijk is voor de afhandeling van schadegevallen. Ook de bezoekende benadeelde van een ongeval, veroorzaakt door een op grond van art. 5 lid 2 vrijgesteld voertuig heeft geen schaderegelaar in eigen land tot zijn beschikking en zal zich naar moet worden aangenomen hebben te wenden tot het waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval. Bepleit wordt evenwel voor deze situaties art 25 van de Richtlijn te gebruiken. Art. 25 ziet onder meer op de situatie dat de verzekeringsonderneming van de aansprakelijke niet kan worden geïdentificeerd en geeft de benadeelde dan een aanspraak op het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van zijn woonplaats. Nu het artikel geen onderscheid maakt naar de reden waarom een verzekeringsonderneming niet kan worden gevonden, kan wellicht een beroep worden gedaan op het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van benadeelde. Wel verdient het aanbeveling dat de Europese wetgever hier duidelijkheid verschaft.
De schaderegelaar: lasthebber van de verzekeraar
De juridische positie van de schaderegelaar is die van lasthebber van de verzekeraar. Ik heb daarbij vastgesteld dat de Richtlijn wel aanwijzingen geeft dat deze lastgeving zeer ruim moet zijn, maar dat er nog veel onduidelijkheden bestaan omtrent de mogelijkheden van de verzekeraar om zich met de schaderegeling in te laten. Ik heb verdedigd dat tegen invloed van de verzekeraar op de wijze waarop de schaderegelaar het schadegeval behandelt, minder bezwaar behoeft te bestaan dan in het geval van de behandeling door een onder het groenekaartstelsel aangestelde benoemde correspondent, omdat de schaderegelaar het schadegeval doorgaans zal moeten behandelen op grond van het recht van het land van het ongeval. Dat is in de meeste gevallen het recht van het land van vestiging van de verzekeraar. Nu de schaderegelaar daarin minder ingevoerd zal zijn dan de verzekeraar en hij voorts feitelijke informatie uit het land van het ongeval nodig zal hebben om de schade te kunnen regelen, is contact met de verzekeraar onvermijdelijk.
Ik heb daarbij opgemerkt dat de Richtlijn meebrengt dat de schaderegelaar ook bevoegd moet zijn om tot betaling aan de benadeelde over te gaan, maar heb tegelijkertijd vastgesteld dat een verplichting van de schaderegelaar tot het verrichten van betalingen aan de benadeelde moeilijk te construeren is en zich ook niet eenvoudig in rechte laat afdwingen. De schaderegelaar zal in veel gevallen ook niet de financiële middelen hebben om (grotere) schadebedragen 'voor te schieten'.
De positie van de schaderegelaar naar Nederlands recht is besproken. Daarbij is ook aandacht besteed aan de vraag welk recht de overeenkomst van lastgeving van de door een buitenlandse verzekeraar in Nederland en door een Nederlandse verzekeraar in andere lidstaten benoemde schaderegelaar beheerst. Mijn conclusie luidt dat deze verhouding zal worden beheerst door het recht van het land waar de schaderegelaar is gevestigd.
Het bezoekende slachtoffer: het schadevergoedingsorgaan
Een belangrijke instantie in het kader van de bescherming van het bezoekende slachtoffer is het schadevergoedingsorgaan. Dat treedt op in twee situaties.
De eerste is die van art. 24 van de Richtlijn: het aansprakelijke voertuig is verzekerd, maar de verzekeraar heeft ofwel geen schaderegelaar aangesteld, dan wel deze (of de verzekeraar zelf) doet niet binnen drie maanden een onderbouwd aanbod of geeft, als aansprakelijkheid of schadeomvang nog niet (voldoende) vaststaan, binnen die termijn geen met redenen omkleed antwoord op alle punten van het verzoek om schadevergoeding. Het 'met redenen omklede antwoord' is uitgebreider onderzocht in hoofdstuk 5.
De tweede situatie waarin het schadevergoedingsorgaan kan worden aangesproken is die waarin het aansprakelijke voertuig niet verzekerd is of niet kan worden geïdentificeerd; deze situatie is geregeld in art. 25 van de Richtlijn.
Het schadevergoedingsorgaan en de hoedanigheid van benadeelde
In het kader van het schadevergoedingsorgaan heb ik uitvoerig stilgestaan bij de vraag welke partijen kwalificeren als benadeelde en bij de kwestie van de subsidiariteit van het schadevergoedingsorgaan. Het lijkt de bedoeling van de opstellers van de Richtlijn te zijn geweest dat het schadevergoedingsorgaan niet door gesubrogeerde regresnemers kan worden aangesproken, maar de tekst van de Richtlijn is bepaald niet eenduidig. Als gevolg daarvan blijken de lidstaten de positie van deze regresnemers ten opzichte van het schadevergoedingsorgaan op verschillende wijze te hebben geregeld: in een aantal lidstaten hebben deze partijen geen aanspraken op het schadevergoedingsorgaan, in een aantal andere wordt hun vordering wel in behandeling genomen.
Uiteengezet is dat de rol van het schadevergoedingsorgaan in het kader van art. 24 van de Richtlijn een andere is dan in het geval van art. 25. Onder art. 24 heeft het orgaan vooral de rol van katalysator om het schaderegelingsproces op gang te brengen. Pas als dat niet - binnen twee maanden - lukt, zal het schadevergoedingsorgaan het schadegeval zelf behandelen. Kritiek is geuit op de onduidelijkheid rond de verantwoordelijkheid van het schadevergoedingsorgaan als de verzekeraar pas na afloop van de respijttermijn van twee maanden alsnog met een gemotiveerd antwoord komt. Terwijl de Richtlijn dan lijkt mee te brengen dat het schadevergoedingsorgaan het dossier aan de verzekeraar moet overdragen, verdient steun de clausule in de overeenkomst tussen de schadevergoedingsorganen dat het orgaan in de lidstaat van woonplaats van de benadeelde het dossier ten einde afhandelt.
Als zwak aspect van de regeling kan voorts worden genoemd het ontbreken van mogelijkheden voor het schadevergoedingsorgaan om in te grijpen als een verzekeraar of schaderegelaar wel een eerste gemotiveerd antwoord geeft, maar de schaderegeling daarna ernstige vertraging oploopt.
In het kader van art. 25 treedt het schadevergoedingsorgaan wel onmiddellijk op. Er is dan immers geen verzekeraar die tot actie gemaand kan worden.
Het schadevergoedingsorgaan is gekwalificeerd als wettelijke borg van het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat waar de verzekeringsonderneming van het aansprakelijke voertuig gevestigd is, dan wel van het waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval of van de gewoonlijke standplaats van het onverzekerde aansprakelijke voertuig.
Het Nederlandse Schadevergoedingsorgaan
De Nederlandse wetgever heeft de regeling van het schadevergoedingsorgaan in het algemeen 'richtlijngetrouw' in de Wam overgenomen, maar deze zou op twee punten moeten worden aangepast. In de eerste plaats maakt de Wam niet duidelijk dat de verplichting van de schaderegelaar om ook claims te behandelen ter zake van ongevallen in niet-lidstaten (voor zover deze zijn aangesloten bij het groenekaartstelsel) geen verplichting meebrengt voor de Nederlandse verzekeraar om zijn dekking tot deze landen uit te breiden. In de tweede plaats brengt een letterlijke lezing van de Wam mee dat de Nederlandse benadeelde zich ook tot het Nederlandse Schadevergoedingsorgaan zou kunnen wenden als het ongeval plaatsvindt in een ander land, niet zijnde een lidstaat, en is veroorzaakt door een in een andere lidstaat gestald maar niet verzekerd motorrijtuig. Dat is een onjuiste omzetting van de Richtlijn en deze fout verdient bij de eerstvolgende wijziging van de Wam te worden rechtgezet.
Anders dan in het kader van het waarborgfonds heeft de Nederlandse wetgever het Schadevergoedingsorgaan wel subsidiair gemaakt: regresnemers kunnen zich niet tot het Nederlandse Schadevergoedingsorgaan wenden.
Ten onrechte ontbreekt in de Wam een schakelbepaling als die van art. 26 Wam waarin art. 7 Wam ook op het Waarborgfonds Motorverkeer van toepassing wordt verklaard - voor het Schadevergoedingsorgaan. Het gevolg daarvan is dat het Schadevergoedingsorgaan alleen voor het gerecht van zijn eigen vestigingsplaats kan worden gedaagd.
Met betrekking tot het recht dat toepasselijk is op de aanspraak van de naar Nederland teruggekeerde benadeelde bij een ongeval in een andere lidstaat wordt het standpunt verdedigd dat dit in beginsel het recht is van de lidstaat van het ongeval. Dit recht beheerst niet slechts de aansprakelijkheidsvraag en de vraag naar de omvang van de schadevergoeding maar ook de uitkeringsvoorwaarden van het schadevergoedingsorgaan.
Het bezoekende slachtoffer en het waarborgfonds
Ook het waarborgfonds kan een rol spelen als een inwoner van een lidstaat in het buitenland slachtoffer is geworden van een ongeval. Bij de bespreking van de aanspraken van de benadeelde op het waarborgfonds ligt het accent op het Nederlandse slachtoffer, dat slechts dan het waarborgfonds van het land van het ongeval zal behoeven aan te spreken als het ongeval is veroorzaakt door een onbekend of onverzekerd voertuig en plaatsvindt in een land dat geen lidstaat is. Bij een ongeval in een lidstaat heeft hij - op grond van art. 25 van de Richtlijn - doorgaans toegang tot het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van zijn woonplaats.
De vraag waar de Nederlandse benadeelde toegang tot de rechter heeft moet worden beantwoord aan de hand van het recht van het land van het ongeval, welk recht ook de omvang van zijn aanspraken op het waarborgfonds zal beheersen.
Het Nederlandse Waarborgfonds Motorverkeer zal voor zover het bezoekers van Nederland betreft die hier slachtoffer worden van een ongeval alleen worden aangesproken door inwoners van niet-lidstaten in gevallen waarin de aansprakelijke onbekend of niet verzekerd blijkt te zijn. Inwoners van lidstaten kunnen zich immers wenden tot het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van hun woonplaats. De jurisdictieregels van de Wam zijn van toepassing en de vordering zal worden beheerst door Nederlands recht.