Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/11.2
Paragraaf 11.2 Slachtoffers in de zin van art. 34 EVRM
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS388290:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. EHRM 13 december 2005, 54811/00 (Veselá en Loyka/Slowakije) en Harris, O’Boyle & Warbrick 2009, p. 5 en 16.
Art. 34 EVRM wijkt inhoudelijk niet af van zijn voorganger, art. 25 EVRM. De op art. 25 EVRM gebaseerde jurisprudentie is daarom nog steeds relevant. Zie Explanatory report Protocol No. 11 to the Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms, restructuring the control machinery established thereby, nr. 85-86, via http://conventions.coe.int/treaty/en/reports/html/155.htm.
ECRM 5 mei 1979, 7805/77, punt 2 (X. en Church of Scientology/Zweden).
ECRM 12 oktober 1986, 11921/86, punt 1 (Verein “Kontakt-Information-Therapie en Siegfried Hagen/Oostenrijk).
EHRM 29 november 1991, 12742/87, punt 42 (Pine Valley Developments Ltd e.a./Ierland).
Emberland 2006, p. 103.
EHRM 15 juli 1982, 8130/78, punt 66 (Eckle/Duitsland); EHRM 27 juni 2000, 35178/97, punt 1 (Ankarcrona/Zweden).
ECRM 12 oktober 1986, 11921/86, punt 1 (Verein “Kontakt-Information-Therapie enSiegfried Hagen/Oostenrijk). Zie ook EHRM 15 juli 1982, 8130/78 (Eckle/Duitsland); EHRM 1 april 2004, 50357/99, punt 1 (Camberrow MM5 AD/Bulgarije).
EHRM 24 oktober 1995, 14807/89, punt 66 (Agrotexim e.a./Griekenland(1)) en EHRM 7 november 2002, 30417/96; JOR 2003/112, punt 59 (Olczak/Polen).
IGH 5 februari 1970, ICJ Rep 3, punt 40, 41, 46 (Barcelona traction).
IGH 5 februari 1970, ICJ Rep 3, punt 56 (Barcelona traction).
Wie toegang wenst te krijgen tot het EHRM, moet niet alleen de nationale rechtsmiddelen hebben uitgeput, maar moet ook kwalificeren als ‘slachtoffer’ in de zin van art. 34 EVRM. Het EHRM legt dit begrip autonoom, dus onafhankelijk van nationaal recht, en teleologisch uit.1 Art. 34 EVRM2 luidt:
‘Het Hof kan verzoekschriften ontvangen van ieder natuurlijk persoon, iedere niet-gouvernementele organisatie of iedere groep personen die beweert slachtoffer te zijn van een schending door een van de Hoge Verdragsluitende Partijen van de rechten die in het Verdrag of de Protocollen daarbij zijn vervat. De Hoge Verdragsluitende Partijen verplichten zich ertoe de doeltreffende uitoefening van dit recht op generlei wijze te belemmeren.’
Om te worden toegelaten als slachtoffer moet een klager dus voldoen aan de volgende criteria:
De klager is een natuurlijk persoon (volgens de Engelstalige versie van het EVRM ‘a person’; in de Nederlandse versie wordt ‘een natuurlijk persoon’ gebruikt), een niet-gouvernementele organisatie of een groep personen en
Een verdragsrecht van de klager is geschonden.
Ad 1. Natuurlijk persoon, niet-gouvernementele organisatie of groep personen
Zoals gezegd, is het klachtrecht niet beperkt tot natuurlijke personen: ook organisaties en groepen kunnen bescherming genieten onder het EVRM. Een kerk als ‘corporation’ valt onder de niet-gouvernementele organisaties3 en hetzelfde geldt voor een Verein.4Art. 34 EVRM stelt niet de eis dat een organisatie rechtspersoonlijkheid moet hebben. De financiële status van een persoon is niet relevant voor zover het gaat om het recht om een verzoek in te dienen als slachtoffer van een schending. Ook al kan insolventie gevolgen hebben op het nationale niveau, dit kan niet het recht ontnemen dat art. 34 EVRM toekent aan ‘any person’.5 Relevant is dat het EHRM het effectiviteitsprincipe hanteert: het kijkt niet zozeer naar de formele categorisatie, maar concentreert zich pragmatisch op de realiteit van de claim.6
Ad 2. Schending: direct en daadwerkelijk geraakt
Men kan pas klagen bij het EHRM als sprake is van een schending van een verdragsrecht. Een klager is ‘slachtoffer’ in de zin van art. 34 EVRM als hij direct en daadwerkelijk is geraakt door het handelen of nalaten in kwestie.7 ‘Directe geraaktheid’ wil zeggen dat een eigen recht is geschonden.8 Als een eigen recht van een rechtspersoon is geschonden, bijvoorbeeld het recht op eigendom, dan is de vennootschap als eigenaar direct geraakt en zijn bijvoorbeeld de aandeelhouders, die wel last kunnen hebben van de schending bijvoorbeeld doordat hun aandelen in waarde dalen, in de meeste gevallen slechts indirect geraakt. ‘Indirecte geraaktheid’ is onvoldoende om te kwalificeren als slachtoffer en dus om een actie in te stellen bij het EHRM.9 Over de relatie tussen rechtspersoon en aandeelhouders oordeelde het EHRM in de zaak Olczak/Polen:
‘the concept of the public company is founded on a firm distinction betweenthe rights of the company and those of its shareholders. Only the company,endowed with legal personality, can take action in respect of corporatematters. A wrong done to the company can indirectly cause prejudice to itsshareholders, but this does not imply that both are entitled to claimcompensation. Whenever a shareholder’s interests are harmed by a measuredirected at the company, it is up to the latter to take appropriate action.’
Het EHRM verwijst in Olczak/Polen naar de Barcelona traction-zaak van het Internationaal Gerechtshof (IGH). Het IGH maakt daarin een onderscheid tussen organisaties met en organisaties zonder zelfstandige vennootschappelijke persoonlijkheid (independent corporate personality).10 Een organisatie wordt aangemerkt als een organisatie met vennootschappelijke persoonlijkheid als de organisatie aan een aantal kenmerken voldoet:
de aandeelhouder en de vennootschap worden gescheiden door barrières, hebben elk hun eigen rechten en kunnen niet met elkaar vereenzelvigd worden. De scheiding van eigendomsrechten is een belangrijke uiting van dit onderscheid en
in beginsel kan alleen de vennootschap in een nationale procedure opkomen in het kader van vennootschappelijke zaken en zij behartigt daarmee automatisch de belangen van de bij de vennootschap betrokkenen.
Welke naam een nationaal rechtsstelsel aan de organisatie geeft, is irrelevant. Als een organisatie aan deze kenmerken voldoet, dan kan in beginsel alleen die organisatie opkomen bij het EHRM en kunnen de overige betrokkenen dit alleen in uitzonderlijke omstandigheden.11 In Olczak/Polen ging het over een limited liability company, een rechtspersoon. Van belang lijkt echter niet te zijn of de entiteit volgens het nationale recht een rechtspersoon is, maar of het feitelijk de kenmerken, dus de zelfstandigheid, van een rechtspersoon heeft. De genoemde kenmerken zijn in belangrijke mate ook kenmerken van de VOF. Zo kunnen de vennoten in privé niet beschikken over de vennootschappelijke goederen, die zijn afgescheiden van de privévermogens van de vennoten, heeft de VOF zelfstandig procesbevoegdheid en kunnen VOF en vennoten vorderingen over en weer hebben. Daarbij komt dat het EHRM het effectiviteitsprincipe hanteert. In het licht daarvan is het mijns inziens niet goed voorstelbaar dat een staat een entiteit het recht kan ontnemen om te klagen bij het EHRM alleen door haar formeel rechtspersoonlijkheid te ontzeggen. Het is dan ook goed verdedigbaar dat de VOF door het EHRM zal worden gezien als een zelfstandige eenheid, een niet-gouvernementele organisatie, die wordt erkend als slachtoffer in de zin van art. 34 EVRM indien zij direct en daadwerkelijk is geraakt door een schending van haar eigen verdragsrechten.