Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/IV.A.7.8
IV.A.7.8 Wordt het rechtsverkeer inderdaad beschermd?
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS407189:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ontwerp Meijers 4.5.3.10, p. 177.
Ontleendaan I.VAN DE VELDE, De boedelafwikkeling in het nieuwe erfrecht, preadvies BCN1955, p.70.
Zie ook Hoge Raad26 november 1982, NJ 1983, 442.
I.VAN DE VELDE, De boedelafwikkeling in het nieuwe erfrecht, preadvies BCN 1955, p.70 en 71.
Rapport Commissie Erfrecht KNB (1960), p. 89.
MvA 3771, nr. 6, p.70.
Verslag van het mondeling overleg tevens eindverslag 3771, nr. 8, p. 68.
Zie S.E. BARTELS, De titel van overdracht in driepartijenverhoudingen (diss. Utrecht), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2004, p. 256 zet de sfeer rondom deze situatie neer: 'Wat we waarnemen, is dat wanneer het goederenrecht samenloopt met het verbintenissenrecht, doordat de betaling een goederenrechtelijke component heeft, het goederenrecht in resultaat achter lijkt te blijven. Mijns inziens is het wenselijk dit gat tussen het goederenrecht en het verbintenissrenrecht te dichten, door de goederenrechtelijke gevolgen van een betaling zo veel mogelijk te laten aansluiten bij de verbintenisrechtelijke gevolgen.'
Anders ASSER-VAN DER PLOEG-PERRICK, Erfrecht, WE.J. Tjeenk Willink: Deventer 1996, p. 500, noot 81b, waar reeds onder ouderfrecht aangenomen werddat bevoegdheidsbeperkingen van de executeur slechts interne werking hadden.
Zie WALTER VAN GERVEN, Bewindsbevoegdheid, Een rechtsvergelijkende bijdrage tot een algemene theorie van bewindover andermans vermogen (diss. Leuven), Brussel: Etablis-sements Emile Bruylant 1962, p. 110 e.v.
Vergelijk W. BREEMHAAR, De uiterste wilsbeschikking (diss. Groningen), Deventer: Klu-wer1992, p. 167.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 2005.
HR 26 januari 2007, Notafax 2007, 32.
Wie zijn oor in de notariele praktijk te luister legt, hoort daar de terechte geluiden dat de notaris voor een onaantastbare titel van overdracht staat en men de bevoegdheden van een executeur kritisch bekijkt. Het is dan ook goed om -naast het hiervoor reeds aangestipte slechts intern werkende overleg- en toestemmingsvereiste - uitgebreidte bezien in hoeverre het rechtsverkeer be-schermdwordt als een executeur 'zijn vertegenwoordigingsboekje' te buiten gaat, bijvoorbeeldomdat de verkoop niet noodzakelijk was om schulden van de nalatenschap te voldoen. Hierbij speelt de wetsgeschiedenis een zeer belangrijke rol voor een goedinzicht in de materie, aangezien er bij de totstandkoming van art. 4:147 BW nog al gesleuteldis aan de bepaling, zulks juist met het oog op de bescherming van het rechtsverkeer.Voor een goed begrip van de voorgeschiedenis is van belang vooraf te constateren dat de bevoegdheid van de executeur om goederen te gelde te maken en de bevoegdheid van de vereffenaar om goederen te gelde te maken in het verleden in een en dezelfde bepaling, te weten art. 4.5.3.10 werden geregeld. Later heeft de executeur een eigen plaats in de wet gekregen naast de regeling van de vereffening volgens de wet, zonder dat er op het gebied van de bevoegdheid van de executeur om goederen te gelde te maken een materiele wijziging beoogdis.
Daarnaast zal stilgestaan worden bij de vraag wat een notaris op het gebied van de verkoopbevoegdheid 'ten minste' zal moeten controleren. Het is van belang hier steeds een onderscheid te maken tussen het civielrechtelijke gel-digheidsvraagstuk en de tuchtrechtelijke norm.
Hoe dacht Meijers in zijn ontwerp over de bescherming van het rechtsverkeer in het kader van de bevoegdheid van de executeur om goederen te gelde te maken?
In het ontwerp Meijers1 luidde het laatste lid van het betreffende art. 4.5.3.10:
'Heeft de vereffenaar (BS lees:executeur) in strijd met het in dit artikel bepaalde goederen verkocht, dan is de verkoop geldig, mits de verkrijger te goeder trouw is, en onverminderd de aansprakelijkheid van de vereffenaar (BS lees: executeur) jegens de erfgenamen en de schuldeisers.'
Hij gaf hierbij de navolgende toelichting:
'In navolging van art. 72 Faillissementswet is in het belang der rechtszekerheid bepaald, dat overtreding dezer voorschriften slechts interne werking heeft, d.w.z. de geldigheid van de koop niet aantast, mits de verkrijger te goeder trouw is. Onder verkrijgers worden niet alleen de kopers, maar ook zij, die hun recht van de kopers afleiden, verstaan.Wie echter van een koper te goeder trouw verkrijgt, wordt steeds beschermd, daar hij van de eigenaar verkrijgt.' (Curs. BS)
Twee dingen vallen op. Er werd een link gelegd met de interne werking van art. 72 Faillissementswet en 'slechts' de koper te goeder trouw wordt beschermd.
Dit nodigt uit om de bevoegdheid van de faillissementscurator om goederen te verkopen uit de boedel eens nader te bezien. Art. 72 Faillissementswet zoals het destijds2 luidde, sprak zeer duidelijke taal:
'Al is de onbevoegdheid van den curator bekend aan hem met wien deze handelt, de handeling is geldig.'
De geest van het huidige art. 72 lid 1 Faillissementswet is overigens op dit punt niet veranderd.3 Het was vervolgens Van de Velde die zich in zijn preadvies voor de BCN4 verzette tegen het feit dat er voor de executeur/vereffenaar toch nog een uitzondering werd gemaakt op het uit de Faillissementswet overgenomen beginsel van 'slechts interne werking' van bevoegdheidsoverschrijdingen door de faillissementscurator. Hij was van mening dat de rechtszekerheid hierdoor aanzienlijk verminderd werd. En stelde zich voor de praktijk de vragen: Hoe zal de goede trouw van de verkrijger worden bewezen? En wanneer zal men die goede trouw kunnen aannemen? En kwam tot de conclusie dat dit 'niet te spoedig' het geval was.
De Commissie Erfrecht van de KNB5 sloot zich bij de kritiek van Van de Velde over art. 4.5.3.10 aan. De minister6 was echter nog niet helemaal 'om' en reageerde als volgt op beide publicaties:
'Aldaar is voorgesteld aan de voorschriften van dit artikel uitsluitend interne werking te geven, zodat alleen de ontrouwe vereffenaar (BS lees:executeur) door zijn opvolger of de erfgenamen zou kunnen worden aangesproken. Aldus zou degene die met een vereffenaar handelt, geen onderzoek behoeven in te stellen of deze zijn bevoegdheden te buiten gaat door een verkoop die niet nodig is om schulden der nalatenschap te voldoen, door overleg met de erfgenamen na te laten ofschoon dit mogelijk is, of door een beslissing van de boedelrechter te negeren. De ondergetekende kan hiermede in hoofdzaak instemmen. Maar het zou naar zijn mening te ver gaan deze bescherming van de wederpartij uit te strekken tot het geval dat het komt vast te staan dat deze met de overtreding op de hoogte was.' (Curs. BS)
De verkrijger te kwader trouw zou en moest buiten de deur gehouden worden als het aan de minister lag, maar was het voor het overige met de kritiek eens en vervolgde met de mededeling:
'Derhalve is lid4 in die zin gewijzigd, dat wanneer een vereffenaar (BS lees: executeur) een rechtshandeling verricht heeft in strijd met het in dit artikel bepaalde, deze rechtshandeling vernietigd kan worden, indien de wederpartij met de overtreding bekend was.'
Na aandringen van de Commissie voor Justitie ging de minister uiteindelijk overstag en liet hij (zelfs) het bewuste vijfde lid (voorheen lid 4) vervallen. Gezien het grote belang voor de rechtspraktijk en om alle 'misverstanden' weg te nemen, zal ik ook deze passages uit de parlementaire geschiedenis opnemen:7
'Een aantal leden der commissie uitte beduchtheid, dat het voorschrift van het vijfde lid ten gevolge zou hebben, dat bankinstellingen zich ervan zullen willen overtuigen, dat alle erfgenamen met rechtshandelingen van de executeur zijn akkoordgegaan.
Verdient het, vanuit dit gezichtspunt beschouwd, geen aanbeveling het vijfde lid te doen vervallen? Van de zijde van de Regering werd opgemerkt, dat de bedoeling achter het vijfde lid wel allerminst was gericht op een bemoeilijking van het verkeer. Juist vergemakkelijking in het verkeer wordt in het artikel beoogd in gevallen, waarin erfgenamen, [...] over de gehele wereld zijn verspreid. In het licht van de vanuit de commissie gemaakte opmerking achtte de regering het raadzaam, bedoeld vijfde lid uit de tekst van het ontwerp te laten vervallen, ten einde stroefheid door al te grote voorzichtigheid, bij voorbeeld van de zijde van de banken die waarden van de nalatenschap onder zich hebben, te voorkomen. Een wezenlijke lancune ontstaat daardoor niet. De bedoeling zat slechts voor, duidelijk kenbare niet-oirbare handelingen te bestrijden. Met het oog daarop behoudt men, bij het wegvallen van het onderwerpelijke voorschrift, de actie uit onrechtmatige daad.' (Curs. BS)
Indachtig het Duitse recht ten aanzien van de Testamentsvollstrecker vul ik de woorden van de minister waar het de actie uit onrechtmatige daad betreft nog aan met de opmerking dat de executeur sowieso 'eens' rekening en verantwoording zal moeten afleggen.
Met het uitdrukkelijk laten vervallen van het betreffende lid 5 is derhalve uiteindelijk de visie van Van de Velde in de wet gekomen, die opriep tot het toepassen van het in art. 72 van de Faillissementswet neergelegde beginsel van interne werking op het handelen van de executeur.
Resume.- De executeur heeft op grond van de wetsgeschiedenis civielrechtelijk gezien in alle gevallen vertegenwoordigingsmacht, ook al wordt er niet over-legdmet de erfgenamen, al heeft hij niet de vereiste toestemming en ook al betreft het niet een tegeldemaking in het kader van de schulden van de nalatenschap, waarbij vertegenwoordigingsmacht niet verward dient te worden met de beladen term vertegenwoordigingsbevoegdheid. Hier uit zich het onderscheid tussen de interne en de externe vertegenwoordigingsbevoegdheid. De term vertegenwoordigingsmacht dient bezien te worden in het licht van de externe vertegenwoordigingsbevoegdheid. Gezien de wetsgeschiedenis is ook de wetenschap van de wederpartij niet relevant voor de rechtsgeldige totstandkoming van de binding van de erfgenamen en de op deze causa gebaseerde levering.8
De onderhavige civielrechtelijke conclusie over de rechtsmacht van de executeur neemt niet weg dat er tuchtrechtelijke normen zijn, zoals een zorgplicht jegens de executeur, die de notaris niet uit het oog mag verliezen, waarover hierna meer.
Van belang is te constateren dat in het hierboven reeds vermelde arrest van Hof Amsterdam van 8 september 1994, NJ 1995, 700 (Klaver/De Roomsch-Katholieke Parochie van de Heilige Georgius), gewezen onder oude erfrecht, anders9 geleerdwerd. Het hof nam aan dat testamentaire beperkingen van de bevoegdheid van de executeur-boedelberedderaar niet alleen interne werking hadden, maar ook werking tegenover derden.
Op basis van de wetsgeschiedenis kan eenvoudig aangetoond worden dat de wetgever (met het laten vervallen van lid 5 van art. 4:147 BWen het duidelijk aangeven van de reden hiervan) 'willens en wetens' gekozen heeft voor een vertegenwoordingsbevoegdheid van de executeur waarvan de beperkingen slechts interne werking hebben. Dit werkt door naar het bepaalde in art. 3:40 lid3 BW waaruit zonder meer blijkt dat er wetsbepalingen kunnen zijn die niet de strekking hebben de geldigheid van daarmee strijdig verrichte rechtshandelingen aan te tasten. De strekking van de beperkingen op grond van art. 4:147 BW is in de parlementaire geschiedenis zeer duidelijk aangegeven. Niet mogen is immers iets anders dan niet kunnen oftewel de executeur kan de erfgenaam binden zonder het te mogen.10 Dit betekent vanzelfsprekend niet dat de executeur misbruik mag maken van deze vertegenwoordi-gingsmacht.11 Van een koper mag overigens wel verwacht worden dat hij verlangt dat de executeur zijn vertegenwoordigingsmacht aantoont door een verklaring van executele of andere verklaring van erfrecht als bedoeld in art. 4:188 BW. Iedereen kan immers wel zeggen dat hij executeur is?
Zoals opgemerkt bevrijdt de civielrechtelijke conclusie ten aanzien van vertegenwoordigingsmacht van de executeur, de notaris niet van zijn eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot intern werkende bevoegdheidsbeperkingen. Voordat ik in zal gaan op de vraag wat de notaris op grond van de tuchtrechtelijke normen dient te controleren om een executeur in een akte van levering bij een te gelde making van nalatenschapsgoederen zelfstandig te kunnen laten optreden, besteed ik eerst nog aandacht aan de grenzen van de beheersbevoegdheid van de executeur als bedoeld in art. 4:144 BW.
Aan deze algemene bevoegdheid, zou onder omstandigheden wellicht ook een bevoegdheid om goederen van de nalatenschap te vervreemden afgeleid kunnen worden.
De methode voor de erfgenaam om zich vooraf tegen de vertegenwoordigingsmacht van de executeur te beschermen is overigens het conservatoir beslag. In de parlementaire geschiedenis12 wordt - zij het in een andere context - de navolgende hint gegeven:
'Vreest de legataris dat de erfgenamen of executeur het goed ten nadele van hem zouden willen vervreemden, dan dient hij, evenals bijv. een koper in soortgelijke omstandigheden kan doen, conservatoir beslag tot levering te leggen;[...]'
Wat de actie uit onrechtmatige daad betreft tegen de koper, wijs ik op een recent arrest van de Hoge Raad waarbij het passeren van een voorkeursrecht van de pachter een onrechtmatige daad opleverde van de koper. De Hoge Raadgaf op 26 januari 2007 het navolgende richtsnoer:13
'Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad is het handelen met iemand terwijl men weet dat deze door dat handelen een door hem met een derde gesloten overeenkomst schendt, op zichzelf jegens die derde niet onrechtmatig (HR 12 januari 1962, 246).Van onrechtmatigheidis pas sprake indien die aangesproken partij weet of behoort te weten dat zijn wederpartij door het sluiten van de desbetreffende overeenkomst, kort gezegd, wanprestatie pleegt jegens een derde,en bovendien sprake is van bijkomende omstandigheden (zie onder meer HR 17 mei 1985, nr. 6663, NJ 1986,760). Dezelfde normen hebben te gelden wanneer, zoals in het onderhavige geval, op de in de vorige zin bedoelde wederpartij niet een verbintenis uit overeenkomst berust, maar uit de wet.' (Curs. BS)
De 'bijkomende omstandigheden' zullen derhalve de doorslag moeten geven om het handelen van de derde als een onrechtmatige daad te kunnen aanmerken. Ik denk hierbij met name aan 'samenspanning' tussen executeur en koper.