Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/I.3
I.3 Doelstelling en belang van het onderzoek
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598612:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ik denk dan in het bijzonder aan de boeken van Stuckenberg (1998), Tophinke (2000), Henrion (2006), Stumer (2010) en Lippke (2016).
Zie bijv. Stumer 2010 en daarover nader § III.1.
Anders dan in bijv. Frankrijk, Italië, Spanje en Oostenrijk: zie lid III van het preliminaire artikel van de Franse Code de Procédure Pénale, art. 27 van de Italiaanse constitutie, art. 24 lid 2 van de Spaanse constitutie, respectievelijk § 8 van de Oostenrijkse Strafprozessordnung.
Voorlopig kan die assumptie dat het gaat om een ‘principe’ of ‘beginsel’, worden gerechtvaardigd doordat ik die assumptie deel met velen. Zie onder een schier eindeloze hoeveelheid EHRM-uitspraken die van de Grote Kamer in EHRM (GK) 8 februari 1996, nr. 18731/91, NJ 1996, 726, m.nt. Knigge, par. 54 (John Murray/Verenigd Koninkrijk); EHRM (GK) 3 oktober 2006, nr. 543/03, par. 43 (McKay/Verenigd Koninkrijk); EHRM (GK) 12 juli 2013, nr. 25424/09, EHRC 2013, 219, m.nt. Bemelmans, par. 103 (Allen/Verenigd Koninkrijk); EHRM (GK) 17 juli 2014, nrs. 32541/08 & 43441/08, par. 131 (Svinarenko en Slyadnev/Rusland). Zie voorts de punten 6 en 30 van General Comment 2007/32 van het CRM. Ook de EC spreekt van een principle, zie punt 6 van en het explanatory memorandum bij de conceptrichtlijn, COM (2013), 821/2. Vgl. ook het Amerikaans Supreme Court 4 maart 1895, 156 U.S. 432, 453 (Coffin/United States). De Hoge Raad heeft het over een in art. 6 lid 2 EVRM ‘neergelegd beginsel’, zie bijv. HR 22 maart 1988, NJ 1988, 848, r.o. 6.2.2; HR 28 februari 1989, NJ 1989, 687, r.o. 7.1.2. Zie ter illustratie verder Keijzer 1987, p. 251; Ashworth 2006, p. 69; Jackson & Summers 2007, p. 199; Buruma 2009, alsook de huidige president van de Hoge Raad, M.W.C. Feteris, annotatie bij: EHRM (GK) 17 december 1996, nr. 19187/91, BNB 1997, 254 (Saunders/Verenigd Koninkrijk).
Op dat onderscheid en het karakter van rechtsbeginselen kom ik terug in § IX.2.2.
§ IX.2.
Op 25 augustus 2014 werd een concept-wetsvoorstel strekkende tot het opnemen van een bepaling over het recht op een eerlijk proces in de Grondwet ter consultatie aan de daarvoor geëigende instanties voorgelegd, alsook op internet gepubliceerd. Directe aanleiding voor het voorstel is een unanieme aanbeveling daartoe in het rapport van de Staatscommissie Grondwet 2010, p. 60-64.
Aldus Mevis 2009; Leeuw 2013, p. 206-207.
Ten tijde van de afronding van dit onderzoek zijn de eerste twee boeken van een nieuw Wetboek van Strafvordering en de toelichtingen daarbij ter consultatie aangeboden aan diverse instanties.
Zie RvdR 2015, p. 5: “De Raad mist een samenhangend kader van grondslagen en beginselen. [...] Wat de Rechtspraak betreft gaat het in ieder geval om de volgende breed gedeelde beginselen en doelstellingen: [...]vermoeden van onschuld [...].” En soortgelijk NOvA 2014, p. 3 en 15: “De rechtsstatelijke beginselen en strafrechtelijke uitgangspunten, zoals het legaliteitsbeginsel en de onschuldspresumptie, worden daarbij herhaaldelijk met de mond beleden, maar op geen enkele wijze geconcretiseerd.” Mevis (2014) beveelt eveneens aan dat in dit verband meer dan thans het geval is, “wordt nagegaan op welke onderdelen de regeling van de strafvordering meer naar Straatsburgs model van inhoud van rechtsbescherming moet worden gemoderniseerd”.
Het primaire doel van dit onderzoek is tweeledig: 1) de precieze betekenis van de onschuldpresumptie vanuit verschillende invalshoeken en op verschillende niveaus – rechtshistorie, rechtstheorie en internationaal verdragsrecht – blootleggen en ontrafelen en 2) de juridische toepassing ervan in het Nederlandse straf(proces)recht in kaart brengen en analyseren.
Tot op heden komt de onschuldpresumptie slechts in kleinere Nederlandse publicaties aan de orde.1 Een proefschrift biedt de ruimte de onschuldpresumptie te beschouwen vanuit een rechtshistorisch, rechtstheoretisch en een positiefrechtelijk perspectief. Doordat de onschuldpresumptie zo’n breed toepasselijk beginsel is, bestaat in kleinere publicaties evenmin de mogelijkheid het principe in de volle breedte van haar betekenis te behandelen. Ook ten opzichte van meeromvattende publicaties uit het buitenland onderscheidt dit.2 Ten eerste omdat in sommige buitenlandse publicaties reeds a priori een ‘kern’ van de onschuldpresumptie wordt geselecteerd waarop de auteur zich richt.3 Daarnaast omdat het Nederlandse strafproces(recht) een belangrijke rol speelt in dit boek. De betekenis voor de Nederlandse strafvordering draagt een geheel eigen karakter, vanwege de eigen kenmerken van dat proces en omdat de onschuldpresumptie in de Nederlandse wetgeving als zodanig niet is gecodificeerd.4 Daar komt nog bij dat veel van de – zowel binnen- als buitenlandse – literatuur inmiddels is verouderd.
Hiervoor duid ik het vermoeden van onschuld een aantal keren aan als ‘(rechts)principe’. De term ‘(rechts)beginsel’ zal ik als synoniem gebruiken. De onderliggende assumptie is dat de onschuldpresumptie in ieder geval iets anders is dan een concrete rechtsregel of een zeer specifiek recht.5 Rechtsprincipes of -beginselen verschillen (al dan niet gradueel) van concrete rechtsregels in meerdere opzichten.6 De assumptie dat de onschuldpresumptie een rechtsbeginsel is, kan pas definitief worden getoetst nadat de inhoud en werking van de onschuldpresumptie zijn onderzocht. Waarom inderdaad van een rechtsbeginsel sprake is, komt dan ook aan de orde in hoofdstuk IX.7
Dat het onschuldvermoeden een rechtsbeginsel is, betekent dat het zich minder eenvoudig rechtstreeks in een individueel geval laat toepassen, dat het zich niet gemakkelijk in een ‘als-dan’-formule laat dringen en dat het beginsel meestal geen hapklare oplossingen biedt, maar wijst en stuurt in een bepaalde richting. Beginselen zijn doorgaans abstracter en algemener van aard.
Een en ander betekent echter niet dat onderzoek naar zo’n rechtsbeginsel louter voor de academicus van nut is, integendeel. Dit onderzoek gaat bijvoorbeeld nader in op de (ontbrekende) normerende kracht van de onschuldpresumptie voor de Nederlandse strafvordering. Daarmee wordt juist nagegaan wat het beginsel de rechtstoepasser te bieden heeft. De grote algemeenheid, het brede toepassingsbereik en het tamelijk abstracte karakter, maken de onschuldpresumptie en de precieze betekenis en toepassing ervan ook voor de dagelijkse strafrechtspraktijk een in het bijzonder relevant thema en wel in allerlei opzichten.
In de eerste plaats beoogt het boek bij te dragen aan het maatschappelijke debat over de vergroting van de mogelijkheden tot opsporing van strafbare feiten en de efficiëntie van de strafrechtelijke afdoening daarvan waarin als gezegd de onschuldpresumptie een veelgehoord tegengeluid vormt. Dit onderzoek creëert een dieper begrip van de betekenis van de onschuldpresumptie en zal daarmee het beroep erop beter kunnen legitimeren of ontkrachten. Dat draagt bij aan een genuanceerd en grondig debat over de wenselijkheid van allerlei strafvorderlijke ontwikkelingen in het licht van de onschuldpresumptie.
Het onderzoek is daarnaast juist nu in het bijzonder van belang voor de wetgever. De grondwetgever is voornemens het recht op een eerlijk proces in de Grondwet te verankeren.8 De onschuldpresumptie wordt in dat voorstel niet expliciet genoemd, maar maakt onderdeel uit van het recht op een eerlijk (straf)proces. Volgens zowel Mevis als Leeuw heeft het voorstel niet alleen een symboolfunctie, maar is het ook te beschouwen als een legitimatie en stimulans voor de wetgever (en trouwens ook voor de rechter) om aan het open geformuleerde recht op een eerlijk proces nader handen en voeten te geven en de nieuwe grondwetsbepaling tot uitgangspunt en toetsingskader te nemen bij het opstellen en beoordelen van nieuwe wetgeving.9 De omvangrijke operatie tot modernisering van het Wetboek van Strafvordering lijkt een mooie (eerste) gelegenheid om het (grondwettelijk) recht op een eerlijk proces op nationaal niveau identiteit en kleur te geven.10 Kritiek bestond dan ook op het ontbreken van fundamentele bespiegelingen over doelstellingen, uitgangspunten en beginselen van het strafproces, waaronder de onschuldpresumptie, in de aanvankelijk in het kader van die moderniseringsoperatie gepresenteerde nota’s en wetsvoorstellen.11 Naar aanleiding van die kritiek bevat de eerste titel van het (concept)wetsvoorstel voor het eerste boek van een nieuw Wetboek van Strafvordering zoals dit ten tijde van de afronding van dit boek voorligt, een aantal fundamentele rechten, waaronder in artikel 1.1.1.3 het vermoeden van onschuld.12 Dat bevestigt dat de hier beantwoorde vragen over betekenis en uitwerking van een belangrijk, maar nog onvast omlijnd, subprincipe van het recht op een eerlijk proces én prominent uitgangspunt en beginsel van strafprocesrecht, vragen zijn waarvoor ook de wetgever zich gesteld ziet.
Bovendien bevat het onderzoek een uitgebreide analyse van internationale verplichtingen en ontwikkelingen. Daarmee gaat het onderzoek in feite – al dan niet via derden zoals de Nederlandse rechter in het EHRM – in discussie met Europese en internationale autoriteiten. Voor zowel de wetgever als de rechter is daarnaast van belang dat de consequenties van de ontwikkelingen op dat terrein, en vooral die van inwerkingtreding van de richtlijn, eveneens voor het voetlicht worden gebracht.
Dit boek is ook bedoeld als steun voor de praktijkjurist die betrokken is bij de Nederlandse afdoening van strafbare feiten. Het brede toepassingsbereik maakt de onschuldpresumptie relevant voor een groot aantal strafzaken. Volgens mij bestaat behoefte aan een overzichtelijke en integrale beschouwing over de positiefrechtelijke werking van de onschuldpresumptie onder het EVRM, IVBPR en EU-instrumenten. Met name de hoofdstukken V en VI beogen in die behoefte te voorzien. Ook bij de analyse van het geldende Nederlandse strafprocesrecht op basis van die bevindingen kunnen de strafrechter, de leden van het Openbaar Ministerie en de als raadsman optredende advocaat gebaat zijn.