Einde inhoudsopgave
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/5.3.2
5.3.2 Niveaus van hindsight bias
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen
- JCDI
JCDI:ADS111371:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voorts het onderzoek naar risicoperceptie in de financiële sector van Biais & Weber 2009, p. 1022-1023.
Walster 1967, p. 239-249.
Fischhoff & Beyt 1975, p. 1-16. Zie ook: Fischhoff 1975.
Roese & Vohs 2012, p. 412-413; Biais & Weber 2009, p. 1019.
OK Meavita, r.o. 6.22. Zie voorts: het interview met een raadsheer van de Ondernemingskamer via https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2066693-vroegere-top-meavita-schuldig-aan-wanbeleid.html.
OK Meavita, r.o. 13.19.
OK Meavita, r.o. 11.13-11.23.
Hermans 2017, p. 484; noot Raaijmakers bij OK Meavita: AA 2016, 3, p. 199- 200.
Hermans 2017, p. 509.
Zie par. 6.4.3.
Van belang voor het doorgronden van hindsight bias is het onderscheiden van drie verschillende niveaus van hindsight bias. Het eerste niveau van hindsight bias is die van de geheugenvervorming (memory distortion). Geheugenvervorming is het gevoel van ‘ik zei dat het zou gebeuren’ en daarbij het verkeerd herinneren van uw vorige mening. Ex post is het moeilijk voor te stellen hoeveel onzekerheid er was ex ante.1 Dit fenomeen kwam als neveneffect naar voren in een onderzoek uit 19672 en werd doelbewust onderzocht enkele jaren later door Fischhoff en Beyt. Fischoff en Beyt worden dan ook beschouwd als de grondleggers van het hindsight bias-fenomeen.3 In hun onderzoek vroegen zij aan deelnemers de waarschijnlijkheid van bepaalde uitkomsten van het bezoek van president Nixon in 1972 aan Peking en Moskou te beoordelen voordat de reis plaatsvond. Nadat de reis had plaatsgevonden, vroegen Fisschoff en Beyt de deelnemers om hun eerdere voorspellingen weer te herinneren en aan te geven of de deelnemers dachten dat de uitkomst die de deelnemers als waarschijnlijk hadden aangegeven, daadwerkelijk had plaatsgevonden. Om te voorkomen dat de deelnemers dachten dat zij de vragenlijst moesten invullen ‘met de kennis van nu’ vroegen Fischhoff en Beyt hen expliciet om de vragenlijst in te vullen met dezelfde antwoorden als dat de deelnemers twee weken daarvoor (voor de perstrip) hadden gegeven. Fischhoff en Beyt ontdekten dat de deelnemers een grote mate van bias vertoonden door gebeurtenissen waarvan zij dachten dat zij gebeurd waren achteraf een hogere mate van voorzienbaarheid toe te delen dan de deelnemers vooraf hadden voorspeld. Andersom gold dit eveneens. Deelnemers beoordeelden gebeurtenissen waarvan zij dachten dat zij niet waren gebeurd achteraf als minder waarschijnlijk dan zij vooraf hadden geoordeeld.
Een verkiezingsvoorbeeld kan memory distortion nog meer verduidelijken. Stelt u zich de volgende situatie voor. Tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016 acht u de kans op winst voor Obama 60%. Nadat hij won, zou u onder invloed van hindsight bias kunnen zeggen dat u de kans op winst voor Obama 80% achtte. Hetzelfde geldt voor de winst van uw favoriete voetbalclub. Tijdens de wedstrijd had u er een zwaar hoofd in. Maar achteraf kan uw gevoel zeggen ‘ik zei dat zij zouden winnen!’. Hindsight bias corrumpeert hier aldus het oordeel.
Het tweede en derde niveau van hindsight bias zijn inzichtelijker samen uit te leggen. Het tweede niveau is het niveau van onvermijdelijkheid (inevitability); ‘het moest gebeuren’. Het derde niveau is het niveau van de voorzienbaarheid (foreseeability); ‘ik wist dat het zou gebeuren’ of ‘ik kon weten dat het zou gebeuren’.4 Op het niveau van voorzienbaarheid kunt u achteraf zeggen ‘ik wist dat Obama de verkiezingen zou winnen’. Hieraan kan het niveau van onvermijdelijkheid gekoppeld worden door te zeggen ‘ik wist dat Obama zou gaan winnen, zeker gelet op de economische ontwikkelingen in de Verenigde Staten in 2008’. De winst van Obama was dus, bezien vanuit die bepaalde objectieve wereld en de noodzakelijkheid van die economische ontwikkelingen daarin, onvermijdelijk. Het niveau van de onvermijdelijkheid bevat een mate van noodzakelijke causaliteit. Het zegt iets over onze persoonlijke opvatting over de wereld om ons heen. Voorzienbaarheid en geheugenvervorming hebben meer te maken met de eigen persoonlijke opvatting over onszelf en onze gedachten.
Onvermijdelijkheid en onvoorzienbaarheid liggen in de rechtspraak veelvuldig op de loer. Deze vormen van hindsight bias komen ook terug in de Meavita-casus. Zo neemt de Ondernemingskamer in ogenschouw dat de bestuurders en de commissarissen opereerden in een moeilijke periode.5 De wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) leidden tot een veranderd kostenmodel en meer concurrentie in de zorg. Deze omstandigheden leveren volgens de Ondernemingskamer wel een verklaring op voor de situatie dat het minder goed gaat in de onderneming, maar het is geen rechtvaardiging. De bestuurders en toezichthouder kenden die omstandigheden of konden ze althans grotendeels zien aankomen. In plaats van extra zorg te betrachten ‘vervielen de bestuurders en toezichthouders in een cumulatie van tekortkomingen’.6 Zo was het telefoonproject onvoldoende voorbereid en was sprake van onzorgvuldige besluitvorming. Het project kostte erg veel tijd en energie en had een grote impact op de organisatie. Bovendien lanceerden bestuurders het project in een periode dat de onderneming het al heel moeilijk had.7 Toen het mislukte, stonden veel banen op het spel. Impliceert de Ondernemingskamer met het aanhalen van deze omstandigheden dat de bestuurders en commissarissen juist door die moeilijke omstandigheden waarin de vennootschap verkeerde het faillissement hadden moeten (kunnen) zien aankomen? Of was het faillissement door die omstandigheden, waarvan een deel buiten de oorzaak lag van de bestuurders en commissarissen, zoals de wetswijzigingen en het concurrerende klimaat, wellicht onvermijdelijk?
Zoals Raaijmakers en Hermans terecht opmerken, geeft de Ondernemingskamer hier een oordeel over de ondernemersbeslissingen die zijn genomen. In de woorden van Hermans: ‘[de Ondernemingskamer] overschat […] de rechterlijke competentie om een oordeel te geven over typische ondernemersbeslissingen’.8 Hermans pleit ervoor om de drempel voor het aannemen van wanbeleid te verhogen, om het risico op hindsight bias te verlagen.9 Het enkele feit van het verhogen van een drempel voor wanbeleid voorkomt mijns inziens hindsight bias niet, net zoals ik dat bepleit in het kader van invoering van de business judgment rule in Nederland.10