Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/5.4
5.4 Erkenning en betwisting van vorderingen in surseance
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS449766:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor faillissement is het doel liquidatie en vereffening van de boedel. Surseance is gericht op continuïteit en sanering van de financiële positie van de schuldenaar. Voor de beide akkoordregelingen is het doel evenwel hetzelfde. Anders: Van Galen/ Verstijlen, Faillissementswet, Deventer: Kluwer (losbl), art. 252 Fw, aant. 2.
Art. 232 Fw.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, 2-III, wetswijzigingen, 1995, p. 530.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, 2-III, wetswijzigingen, 1995, p. 531 en 532.
Een betwisting van een vordering moet blijken uit de lijst die is vastgehecht aan het proces-verbaal van de vergadering (art. 266 lid 3 jo. art. 269 Fw).
Het niet toelaten van de desbetreffende schuldeiser kan de gehele vordering betreffen of een gedeelte daarvan. Verschoof, (T&C Fw), art. 266 Fw, aant. 1.
De gevolgen van een erkenning dan wel betwisting van een vordering nadat het faillissement of de surseance is beëindigd door een akkoord, worden in hoofdstuk 7 besproken.
Het uitgangspunt dat de wetgever aan het faillissement en de surseance ieder een eigen doel1 heeft toegekend, brengt met zich dat de regels ten aanzien van de erkenning en betwisting van ingediende vorderingen in de twee regelingen niet identiek zijn. Zo kent surseance in tegenstelling tot faillissement geen echte verificatieprocedure. De procedure rondom de erkenning en betwisting van de vorderingen in surseance is om die reden niet primair gericht op het vaststellen van de rechten van schuldeisers, maar is van belang te kunnen bepalen welke schuldeisers voor welk bedrag tot de stemming over het akkoord kunnen worden toegelaten.2
In surseance is de indiening van vorderingen gekoppeld aan het meestemmen over een akkoord, nu in surseance indiening van vorderingen is voorbehouden aan schuldeisers met concurrente vorderingen. Alle andere vorderingen worden immers niet door de surseance geraakt.3Om deze reden wordt in art. 257 lid 2 Fw uitdrukkelijk bepaald dat vorderingen ten aanzien waarvan de surseance niet werkt, niet voor indiening in aanmerking komen. Worden deze vorderingen niettemin ingediend, dan gaat daarmee een aan de vordering verbonden voorrecht, retentierecht, pandrecht of hypotheekrecht verloren. Dit is alleen anders indien deze vorderingen voor de stemming over een akkoord worden teruggenomen. Door de minister is indertijd overwogen of het verlies van voorrang niet eerst zou moeten intreden bij het deelnemen aan de stemming over het akkoord.
"Overwogen is, of dit verlies niet eerst kan worden verbonden aan het uitbrengen van eene stem der crediteurenvergadering. Dit denkbeeld stuit echter hierop af, dat een preferente crediteur, die zijne vordering indient, doch niet meestemt, niettemin op het resultaat der stemming invloed uitoefent. De ondergeteekende meent dat het gevaar, dat een schuldeischer door onbekendheid met de wet zijn voorrecht zal verliezen, of onder de werking van de surseance zal vallen, grootendeels te hebben weggenomen door de bepaling, dat in de kennisgevingen aan de schuldeischers op de gevolgen der indiening wordt gewezen (art. 256, tweede lid) en door de bepaling dat de schuldeischers voor den aanvang der stemming hunne vorderingen kunnen terugnemen (art. 257, tweede lid)."4
Voorts is door de minister opgemerkt:
"De bewindvoerders zullen eene preferente vordering niet steeds als zoodanig onderkennen, b.v. indien zij niet weten, dat er een pandrecht is. Er zou dus steeds een kans zijn, dat een ingediende vordering verkeerd zou worden gerubriceerd en aldus ten onrechte invloed op den uitslag der stemming zou uitoefenen, ook al neemt de betreffende crediteur zelf aan de stemming geen deel. Dergelijke moeilijkheden worden voorkomen door het stelsel van het ontwerp: de crediteur wake zelf. Aldus is met name eene praktische oplossing gekregen voor het geval de vordering preferent is op een bepaald goed: de schuldeischer zal dan deze preferentie schatten en daarnaar zijne houding bepalen.
(...)
Opgemerkt zij nog, dat voor den aanvang der stemming eene vordering kan worden teruggenomen, dat niets een crediteur verhindert om aan de bewindvoerders inlichtingen te vragen, terwijl bovendien de aandacht van crediteuren op de bepaling wordt gevestigd bij de in art. 256, lid 2, bedoelde kennisgeving."5
Uit de reactie van de minister spreekt dat eigen oplettendheid van de schuldeiser is geboden. Hij dient te waken over zijn eigen belangen. Wil een schuldeiser met een recht van voorrang invloed uitoefenen op de stemming over een akkoord, dan dient hij zijn vordering bij de bewindvoerder in te dienen. Van een schuldeiser met een recht van voorrang wordt derhalve verlangd dat hij een keuze maakt: ofwel hij maakt gebruik van zijn voorrang en valt daarmee buiten het bereik van de surseance, ofwel hij dient zijn vordering in en verliest daarmee overeenkomstig art. 257 lid 2 Fw zijn recht van voorrang, tenzij hij voor de stemming over het akkoord zijn vordering terugneemt. Opmerking verdient dat de regeling van art. 257 lid 2 Fw jo. art. 256 lid 2 Fw geen pendant kent in faillissement noch in de schuldsaneringsregeling. In faillissement geldt de regeling van art. 143 Fw, waarbij schuldeisers met een recht van voorrang voor de stemming over het akkoord op de voet van art. 143 lid 1 Fw afstand kunnen doen van hun recht van voorrang. Ingevolge art. 143 lid 2 Fw verworden zij daarmee tot concurrente schuldeisers, ook als het akkoord niet wordt aangenomen. De regeling van art. 332 lid 2 Fw in de schuldsaneringsregeling ziet slechts op de pand- en hypotheekhouder en de retentor. Ook zij kunnen voor de stemming over het akkoord afstand doen van hun recht van parate executie en ook deze afstand is definitief.
Wat is het verdere verloop nadat de vorderingen zijn ingediend? De ingediende vorderingen worden door de bewindvoerder op een lijst (art. 259 Fw) aangebracht, alwaar hij heeft aangetekend welke vorderingen door hem erkend dan wel betwist zijn. Op de vergadering kan de bewindvoerder - net zoals de curator in faillissement - op een gedane erkenning dan wel betwisting terugkomen (art. 266 lid 1 Fw). Ook de schuldenaar en de schuldeisers van de ingediende vorderingen kunnen vorderingen ter vergadering betwisten (art. 266 Fw). Een motivering voor de gedane betwisting is evenwel niet vereist.6 Dit in tegenstelling tot faillissement, waar art. 126 Fw van de schuldenaar verlangt dat hij een gedane betwisting nader motiveert. Voor de rechter-commissaris of bij gebreke daarvan de rechtbank kan een niet-gemotiveerde betwisting echter wel een rol spelen bij de beoordeling of een schuldeiser van een betwiste vordering al dan niet moet worden toegelaten tot de stemming over het akkoord. Een betwisting door de schuldenaar in surseance is anders dan in faillissement echter even sterk als een betwisting door de bewindvoerder of een schuldeiser en heeft derhalve dezelfde rechtsgevolgen.
Indien vorderingen zijn betwist, is het de rechter-commissaris (of de rechtbank) die beslist of en tot welk bedrag de schuldeisers van de betwiste vorderingen tot de stemming over het akkoord worden toegelaten (art. 267 Fw).7 Zoals opgemerkt, is de rechter-commissaris (dan wel de rechtbank) vrij in zijn weging, maar wél afhankelijk van hetgeen hierover door schuldenaar, schuldeisers en bewindvoerder al dan niet schriftelijk ter vergadering wordt aangevoerd. De beslissing van de rechter-commissaris de schuldenaar van de betwiste vordering toe te laten, kan de gehele vorde ring betreffen of een gedeelte daarvan.8 Het al dan niet toelaten van een schuldeiser wiens vordering is betwist, is een beslissing van de rechtercommissaris (dan wel de rechtbank) die is gebaseerd op een summier onderzoek naar het bestaan en de omvang van de betwiste vordering. Benadrukt dient hier te worden dat de toelating door de rechter-commissaris (of de rechtbank) op de voet van art. 267 Fw slechts ziet op het mogen stemmen over een akkoord en derhalve niets van doen heeft met het onherroepelijk vaststellen van een vordering van de schuldeiser jegens de schuldenaar. Anders dan in faillissement kent surseance geen renvooiprocedure en evenmin een verificatieprocedure, waardoor er geen vaststelling van vorderingen plaatsvindt zoals in faillissement.9 Het betwisten van een vordering door de schuldenaar brengt echter met zich dat de schuldeiser van de betwiste vordering na afloop van de surseance geen executoriale titel verkrijgt (art. 274 Fw). De vraag of dat ook het geval is indien alleen de bewindvoerder of een schuldeiser een vordering betwist, is niet eenvoudig te beantwoorden. Hierop zal in hoofdstuk 6 nader worden ingegaan.