Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.3.2.1
III.3.2.1 Het juridisch kader op hoofdlijnen
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS301950:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ook elders is veelal sprake van ‘ongecodificeerde’ praktijken, zij het dat sommige Europese landen volledig uitgewerkte regelingen kennen. Zie Vanfraechem, Aertsen en Willemsens 2010, Tak 2011 en Varfi 2013.
De wet spreekt van ‘bemiddeling’; wij gebruiken de term herstelbemiddeling. Art. 51a lid 1 onder d Sv (nieuw), zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding van het Wets-voorstel tot implementatie van richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU 2012, L 315), spreekt van herstelrecht dat vervolgens als volgt wordt gedefinieerd: ‘het in staat stellen van het slachtoffer en de verdachte of de veroordeelde, indien zij er vrijwillig mee in-stem-men, actief deel te nemen aan een proces dat gericht is op het oplossen van de gevolgen van het strafbare feit, met de hulp van een onpartijdige derde.’ Zie Kamerstukken I 2015/16, 34 236, A.
Besluit slachtoffers van strafbare feiten van 24 augustus 2016, Stb. 2016, 310 (nog niet in werking getreden).
Bijlage bij Kamerstukken II 2015/16, 33 552, nr. 23. In deze beleidsreactie werd overigens de beëindiging van de pilots ‘mediation naast strafrecht’ aangekondigd; die beleidsbeslissing is inmiddels herroepen.
Zie Kamerstukken II 2014/15, 34 236, nr. 3, par. 2.12.
Zie Lauwaert 2009, p. 77-78. Overigens stelt Lauwaert dat het vanwege het risico op ‘net widening’ dagvaardingswaardige zaken moet betreffen. Hoewel dit laatste inderdaad een punt van zorg is, is het niet realistisch om de herstelbemiddeling gelet op de betekenis van het buitengerechtelijk spoor te beperken tot dagvaardingswaardige zaken.
Mediators kunnen in dienst zijn van Slachtoffer in Beeld (SiB gelieerd aan Slachtofferhulp Nederland) of zelfstandig als Mfn-mediator (Mediation-federatie Nederland) werkzaam zijn. Cleven e.a. constateerden eerder verschil in inzicht tussen beide groepen, maar geven aan dat de werkwijzen inmiddels op elkaar lijken te zijn afgestemd (Cleven, Lens en Pemberton 2015, p. 10).
Zie Van Schijndel 2009.
Zie Kamerstukken II 2003/2004, 27 213, nr. 8, p. 9-10.
Zie de Aanwijzing slachtofferzorg (2010A029) van 13 december 2010, Stcrt. 2010, 20476 (in werking getreden op 1 januari 2011), onder ‘Opsporing’ onder 2, Informatie-verstrekking. Zie voorts Recht doen aan slachtoffers, par. 3.2.3, gevoegd als bijlage bij Kamerstukken II 2012/13, 33 552, nr. 2, en eerder Kamerstukken II 2009/10, 32 363, nr. 3, p. 9-10.
Cleiren spreekt van ‘integratief onderhandelen op basis van belangen’, waarmee zij doelt op de meervoudige doelen die zo kunnen worden gediend (Cleiren 2001, p. 12). Overigens ligt ‘net widening’ op de loer; zie: Demeestere 2015, hoofdstuk 5; Tak 2011, p. 8 en 45.
Vrijblijvend als in de zin van niet mee te wegen in de (verdere) strafrechtelijke afdoening door het Openbaar Ministerie en/of de rechter.
Anders dan voor de strafbeschikking is er geen uitgewerkt wettelijk kader voor de herstelbemiddeling.1Art. 51h Sv biedt weliswaar een wettelijke grondslag, maar heeft het karakter van een raambepaling. Het Openbaar Ministerie heeft tot taak te bevorderen dat de politie betrokkenen informeert over de mogelijkheid tot (herstel)bemiddeling.2 Voorts wordt de rechter opgedragen om bij oplegging van een straf en/of maatregel rekening te houden met de uitkomsten van de herstelbemiddeling. Tezamen met het Besluit slachtoffers van strafbare feiten3 en het Beleidskader herstelbemiddeling ten behoeve van slachtoffers van 20164 biedt dit het raamwerk waarbinnen herstelbemiddeling momenteel wordt toegepast. Het Wetsvoorstel tot implementatie van richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten5 en het wetgevingsproject Modernisering Wetboek van Strafvordering zullen geen belangrijke wijzigingen voor het thans geldende regime meebrengen.
Van belang is voor ogen te houden dat de wetgever geen aanleiding ziet om een wettelijk afdwingbaar recht op herstelbemiddeling in te voeren.6 Uitgangspunt is dat herstelbemiddeling enkel is toegestaan wanneer het slachtoffer daarmee, na volledig te zijn geïnformeerd, instemt. Voorkomen moet worden dat het slachtoffer opnieuw wordt gevictimiseerd. Voorts moet de verdachte het feit erkennen.7 Waar het op neerkomt is dat op initiatief van het slachtoffer of de verdachte (of beiden) – mogelijk na daartoe geïnformeerd te zijn door de politie, het Openbaar Ministerie of de rechter – verkend wordt of het mogelijk is communicatie op gang te brengen. Deze communicatie is gericht op het duiden van het strafbare feit en de gevolgen daarvan en de mogelijkheid tot het redresseren van de schade. Die verkenning en de daaruit voortvloeiende onderhandelingen worden uitgevoerd onder leiding van een onpartijdige derde, de mediator.8 De herstelbemiddeling kan uitmonden in een persoonlijke ontmoeting, met een daaruit volgende vaststellingsovereenkomst, maar ook pendelbemiddeling is mogelijk. De mediator bericht over de uitkomst van de herstelbemiddeling aan het Openbaar Ministerie en/of de rechter; de mediator heeft daarbij een vertrouwelijke functie en mag zich eventueel beroepen op het verschoningsrecht.9
Toepassing van herstelbemiddeling is in beginsel binnen de context van alle genoemde vormen van buitengerechtelijke afdoening mogelijk. Over de rechtsgevolgen van ‘mediation naast strafrecht’ geeft het genoemde Besluit slachtoffers van strafbare feiten echter geen uitsluitsel. Niettemin kan uit de parlementaire geschiedenis worden afgeleid dat de wetgever hier denkt aan een (on)voorwaardelijk sepot (bij schadebemiddeling door politie en/of Openbaar Ministerie), of het verdisconteren van de uitkomsten van herstelbemiddeling binnen de straftoemeting door de rechter.10 Voorts staat ook in de Aanwijzing slachtofferzorg een verplichting voor de politie opgenomen om het slachtoffer in een vroegtijdig stadium te informeren over de mogelijkheid van herstelbemiddeling.11 Het is mogelijk te volstaan met de uitkomsten van de herstelbemiddeling, bijvoorbeeld door het feit na uitvoering van de vaststellingsovereenkomst op basis van het opportuniteitsbeginsel af te doen met een onvoorwaardelijk sepot. Wanneer het Openbaar Ministerie van mening is dat dit niet volstaat, bijvoorbeeld omdat men wil kunnen ingrijpen als de vaststellingsovereenkomst niet naar behoren wordt nagekomen, kan echter ook worden gekozen voor een voorwaardelijk sepot. Ook kan een strafbeschikking worden uitgevaardigd met meerdere aanwijzingen, waaronder de herstelbemiddeling (waarvan dan wel op voorhand duidelijk moet zijn dat verdachte en slachtoffer daartoe bereid zijn). Dagvaarding is eveneens mogelijk, ook na een geslaagde mediation. Wat in het individuele geval opportuun is met betrekking tot het voorstellen en meewegen van herstelbemiddeling zal afhangen van het profiel van de voorliggende strafzaak en de door het Openbaar Ministerie te maken afweging van de betrokken belangen, die van de gemeenschap en het slachtoffer enerzijds, en dat van de verdachte anderzijds.12 Afhankelijk daarvan fungeert de herstelrechtelijke reactie als ‘eindsanctie’, of als aanvulling op een nader te bepalen strafrechtelijke sanctie. Wat de uitkomst ook is, duidelijk moge zijn dat de uitkomst van de herstelbemiddeling onderdeel uitmaakt van de strafrechtelijke afdoening en derhalve geen vrijblijvende aanvulling is.13