Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/7.2
7.2 Evenwichtige informatierechten nader beschouwd
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971927:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 2.2.1 hiervoor.
Zie hierover Mackaay (diss.) 1982, p. 110-110: “It is obvious that in general it is not optimal to inform oneself exhaustively on a given problem. (…) It is the basis for a refined sense of rationality, in which the ideal of looking for what is substantively the best solution is abandoned as unrealistic. Instead, to be rational in this sense means to look for the best solution that is worth looking for.”
Dit principe wordt geïllustreerd in Mackaay (diss.) 1982, p. 111, maar de idee is als volgt. De verhouding tussen de transactiekosten en de waarde van informatie dient netto positief te zijn. Stel dat voor een bepaald probleem een set aan informatie ter beschikking wordt gesteld. In situatie A vergt die set 10 aan transactiekosten om 15 aan waarde te genereren. De betreffende informatie vertegenwoordigt dan een positieve nettowaarde van 5. In situatie B wordt een uitgebreidere set aan informatie verstrekt en bedragen de transactiekosten 20. De waarde die daarmee wordt gegenereerd, bedraagt in dit geval 17. In deze situatie vertegenwoordigt de informatie een negatieve nettowaarde van -3. Hoewel de selection power van de informatie is toegenomen, staat dit dus niet in verhouding tot de transactiekosten die daarvoor zijn gemaakt. De allocatie van informatie in situatie A is daarmee efficiënter dan die in situatie B, hoewel de informatie op zichzelf genomen een hogere waarde – in de zin van meer selection power – vertegenwoordigde.
Zie ook Kalss 2020, p. 218: “Der Nutzen von Information steigt nicht linear mit ihrer Menge. Hat eine Person mehr Information, geht damit nicht unbedingt einher, dass sie ausreichend Information hat. Vielmehr kann erst dadurch oft der Bedarf an noch mehr Information hervorgerufen werden. Ein ‘Mehr’ an Information heißt nicht unbedingt ein ‘Mehr’ an Wissen und eine bessere Entscheidungsgrundlage. Information stößt dann an ihre Verarbeitbarkeit und ihre Relevanz. Zu viel Information kann sogar einen umgekehrten Effekt herbeiführen und die Entscheidungsrichtigkeit reduzieren.”; en in gelijke zin Van der Grinten 1976, p. 222 onder a; alsmede Jansen (diss.) 2012, p. 7 met verwijzingen aldaar.
Zie Van Boom, Giesen & Verheij 2008, p. 26-27; en uitvoeriger Rassin 2008.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2022, JOR 2022/172 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek I), r.o. 3.12, waarin onevenredige belasting van de vennootschap is erkend als een zwaarwichtig belang van de vennootschap dat zich verzet tegen informatieverstrekking. De tweedefasebeschikking illustreert voorts wat voor belasting informatieverzoeken met zich kunnen brengen voor de vennootschapsleiding (zie par. 5.2.4.5.3 hiervoor).
Zie par. 2.5.1 hiervoor.
In de voorgaande hoofdstukken is steeds gezocht naar de gevallen waarin het belang van de aandeelhouder toegang rechtvaardigt tot bepaalde informatie van de vennootschap. In zoverre wordt in die gevallen het geheimhoudingsrecht van de vennootschap terzijde gesteld. De vennootschap heeft evenwel een (intrinsiek) belang bij geheimhouding. Tegen die achtergrond zal iedere inbreuk op of beperking van het geheimhoudingsrecht van de vennootschap dat belang schaden. Een optimaal evenwicht veronderstelt dat de belangen van de aandeelhouder in voorkomende gevallen zo goed mogelijk worden gediend met een zo min mogelijke inbreuk op het belang van de vennootschap. De rechtseconomie kan helpen om dit evenwicht te vinden.
Ik begin bij het perspectief van de aandeelhouder. Informatie van de vennootschap vertegenwoordigt voor hem waarde in de zin van selection power, maar daar staan transactiekosten tegenover gezien de inspanning en investering die is vereist voor de vergaring en verwerking van die informatie.1 Naarmate een partij over meer relevante informatie beschikt, zal de waarde van aanvullende informatie echter afnemen terwijl dat niet geldt voor de kosten voor het verkrijgen van die informatie. Anders gezegd: op een gegeven moment is de aandeelhouder in staat om tot een informed judgment te komen, en boet aanvullende informatie in aan relevantie: er is geen ‘more’ informed judgment. Toegang tot meer informatie resulteert dan slechts in (nog) hogere transactiekosten, maar levert niet noodzakelijkerwijs meer waarde op. Het is derhalve niet reëel en ook niet efficiënt om steeds alle informatie te (willen) vergaren.2 Van geval tot geval dient een kosten-batenanalyse te worden gemaakt.3
Ook moet ervoor worden gewaakt dat de aandeelhouder te veel informatie ontvangt. In dat geval staat de inspanning van het vergaren en verwerken van die informatie niet meer in verhouding tot de toename in selection power. Te veel informatie kan bovendien de rationele keuze vertroebelen en daardoor zelfs averechts werken door afbreuk te doen aan de selection power van die informatie.4 Denkbaar is bijvoorbeeld dat relevante informatie over het hoofd wordt gezien in een groter geheel. Ook kunnen verschillende cognitieve factoren beïnvloeden hoe een partij bepaalde informatie verwerkt en gebruikt.5 Als gevolg daarvan is mogelijk dat aanvullende relevante informatie niet (volledig) wordt benut, waardoor de eventuele meerwaarde van die informatie afneemt. Een te ruim informatierecht schiet aldus zijn doel voorbij.
Dan het perspectief van de vennootschap. Wat weerhoudt haar ervan om de hiervoor bedoelde informatie steeds te verstrekken aan de aandeelhouder? Door informatie te verstrekken, verliest de vennootschap die informatie immers niet noch boet de selection power van die informatie in; informatie kan oneindig worden gekopieerd. Zoals ik in hoofdstuk 2 echter heb toegelicht, heeft de vennootschap een (intrinsiek) belang bij geheimhouding van haar informatie. Het geheimhoudingsrecht van de vennootschap dient ter bescherming van gevoelige en waardevolle informatie, alsmede ter waarborging van de vrijheid van de vennootschap om haar activiteiten in alle vrijheid, zonder oneigenlijke inmenging van buitenaf, te kunnen ontplooien. Aan informatieverstrekking zijn bovendien transactiekosten verbonden, in de vorm van de inspanning die is vereist om de informatie daadwerkelijk te vergaren en te verstrekken.6 Die kosten kunnen aanzienlijk zijn, te meer indien de verlangde informatie als zodanig niet voorhanden is en dient te worden afgeleid of samengesteld uit verschillende bronnen. Informatieverstrekking is niet ‘gratis’. Ook indien het aandeelhoudersbelang en het vennootschapsbelang in belangrijke mate parallel lopen waar het ziet op de informatieverstrekking,7 zal derhalve een balans moeten worden gezocht.
Een optimale allocatie van informatie vergt dat de aandeelhouder dient te beschikken over precies voldoende relevante informatie om rationeel te kunnen handelen; tot een informed judgment te kunnen komen. Krijgt de aandeelhouder te weinig informatie, dan gaat dit ten koste van zijn selection power. Het informatierecht schiet dan te kort en het zicht op de juiste keuze wordt vertroebeld door onzekerheid. Krijgt de aandeelhouder daarentegen te veel informatie, dan schiet het informatierecht zijn doel voorbij. Dit leidt tot onevenredige benadeling van de vennootschap, waar geen concreet voordeel van de aandeelhouder tegenover staat. In tegendeel: de aandeelhouder zal meer transactiekosten moeten maken om de grotere hoeveelheid informatie te verwerken, terwijl dat niet bijdraagt aan zijn selection power. Een informatieovervloed kan zelfs de selection power van de aandeelhouder aantasten.
In geen van beide extremen die ik hiervoor heb geschetst, komt de aandeelhouder tot een optimale informed judgment. Van geval tot geval zullen de grenzen van de informatieverstrekking moeten worden bepaald in het licht van alle omstandigheden van het geval, waaronder de complexiteit en potentiële impact van het onderwerp waarop de informatie ziet.