De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/18.2.2:18.2.2 Voorstellen tot wijzigingen die het verjaringsrecht inhoudelijk niet veranderen
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/18.2.2
18.2.2 Voorstellen tot wijzigingen die het verjaringsrecht inhoudelijk niet veranderen
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS369020:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Mijns inziens zouden (i) de herformulering van art. 3:310 BW, (ii) de herformulering van art. 3:317 BW en (iii) het verruilen van een formele voor een materiële hoofdregel ons verjaringsrecht niet, of in elk geval niet ingrijpend wijzigen. Herformulering van 3:310 geeft geen verandering omdat het artikel nu ook al zo moet worden uitgelegd als de geherformuleerde versie zou bepalen. Hetzelfde geldt voor art. 3:317 BW. Het verruilen van de formele hoofdregel voor een materiële hoofdregel geeft nauwelijks verandering omdat, eenvoudig, de beoogde wettelijke hoofdregel nu ook al de materiële hoofdregel is. Waar het om te doen is, is om het geldend recht duidelijker uit de wettelijk regeling te doen blijken.
Om dat te bereiken moet wat betreft art. 3:310 BW het kennisvereiste centraal blijven staan, maar moet adequater worden aangegeven wélke kennis vereist is. Wat betreft de herformulering van 3:317 geldt dat duidelijker dan thans het geval is tot uiting moet komen dat niet méér vereist is dan een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat het de crediteur met zijn vordering nog menens is.
Wat uitgebreider over het derde punt, het verheffen van de formele hoofdregel tot materiële hoofdregel: een regime, zoals dat ook geldt in Duitsland en Engeland, waar een korte subjectieve termijn de hoofdregel is, heeft de voorkeur omdat (i) een korte subjectieve termijn als wettelijke vertaling van de rechtsverwerkingsgedachte een zeer breed geldende inhoudelijke rechtvaardiging heeft en, belangrijker nog uit praktisch oogpunt, omdat (ii) met de introductie van een hoofdregel die ook materieel de hoofdregel is, de verwachting gerechtvaardigd is dat het belang van kwalificatievragen af- en daarmee de rechtszekerheid toeneemt.
De wetgever zou bij het formuleren van de nieuwe hoofdregel het volgende tot uitgangspunt moeten nemen. De hoofdregel is een korte subjectieve verjaringstermijn. Die moet aanvangen op het moment waarop van de crediteur redelijkerwijze verwacht kan worden dat hij tot juridische actie komt. Die nog erg open norm moet, om een voldoende rechtszeker houvast te bieden, nader worden geconcretiseerd. Waarschijnlijk is het onontkoombaar dat de wetgever voor een aantal verschillende soorten vorderingen verschillende aanvangsmomenten definieert. Zo moet bij schadevergoedingsvorderingen de kennis van de benadeelde de kern van het criterium vormen, en bij vorderingen tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst het moment van opeisbaarheid.
Belangrijk is dat de verschillende aanvangsmomenten loten zijn aan dezelfde normatieve stam. Naarmate de wetgever bij de formulering van de aanvangsmomenten van de subjectieve termijn het 'moment waarop van de crediteur redelijkerwijze juridische actie verlangd mag worden' preciezer vertaalt, worden kwalificatieproblemen en consistenties binnen het verjaringsrecht geringer.
Buiten het toepassingsgebied van de korte subjectieve termijn moet de wetgever slechts die vorderingen brengen waar de `rechtsverwerkingsgedachte' niet geldt, dus waar wij van de crediteur niet verlangen dat hij tot juridische actie komt zodra hij hiertoe in staat is. Te denken is in dit verband bijvoorbeeld aan familieverhoudingen. Tot zover over de beoogde veranderingen.
Concluderend: als men met mij wil aannemen dat aanpassing van de art. 3:310 en 3:317 BW en het verruilen van een formele hoofdregel voor een materiële hoofdregel inderdaad de kenbaarheid van het recht vergroten en materieel geen wezenlijke veranderingen teweeg brengen, lijkt te zijn gegeven dat de wetgever er verstandig aan doet de verjaringsregeling op deze punten inderdaad te wijzigen.