NJB 2026/599
Opzettelijk doden van een damhert en vraag of de verdachte toestemming had tot het plegen van dit feit, art. 3.15 lid 7 Wet natuurbescherming (oud): in casu heeft de verdediging aangevoerd dat betrokkene 1 aan betrokkene 2 – die net als de verdachte ook lid was van de Wildbeheereenheid Schouwen – toestemming heeft verleend om damherten te doden op zijn grond en dat die toestemming via de vereniging werd ‘doorgegeven’ aan alle leden van de vereniging, dus ook aan de verdachte. Het verweer faalt omdat de wet niet voorziet in de mogelijkheid dat de door de grondgebruiker op grond van art. 3.15 lid 7 Wnb verleende toestemming door degene aan wie die toestemming is verleend, aan een ander wordt doorgegeven, zonder dat de grondgebruiker daarmee heeft ingestemd.
HR 10-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:154
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10 maart 2026
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T. Kooijmans, F. Damsteegt
- Zaaknummer
24/03045
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:154, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑03‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:1352, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑12‑2025
- Wetingang
(art. 3.15 Wnb)
Essentie
Opzettelijk doden van een damhert en vraag of de verdachte toestemming had tot het plegen van dit feit, art. 3.15 lid 7 Wet natuurbescherming (oud): in casu heeft de verdediging aangevoerd dat betrokkene 1 aan betrokkene 2 – die net als de verdachte ook lid was van de Wildbeheereenheid Schouwen – toestemming heeft verleend om damherten te doden op zijn grond en dat die toestemming via de vereniging werd ‘doorgegeven’ aan alle leden van de vereniging, dus ook aan de verdachte. Het verweer faalt omdat de wet niet voorziet in de mogelijkheid dat de door de grondgebruiker op grond ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.