Parketnummer 20-000577-23. Het arrest is op rechtspraak.nl gepubliceerd onder ECLI:NL:GHSHE:2024:2469.
HR, 10-03-2026, nr. 24/03045
ECLI:NL:HR:2026:154
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-03-2026
- Zaaknummer
24/03045
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:154, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑03‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1352
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:2469
ECLI:NL:PHR:2025:1352, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:154
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0086
JM 2026/66 met annotatie van mr. S. Pieters
JM 2026/26 met annotatie van mr. S. Pieters
Uitspraak 10‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Economische zaak. Opzettelijk doden van damhert, art. 3.10.1.a Wet natuurbescherming (oud). Heeft hof verweer dat verdachte toestemming had tot plegen van dit feit kunnen verwerpen? Hof heeft vastgesteld dat aan grondgebruikers in provincie Zeeland, onder wie A, ten behoeve van bestrijding van schadeveroorzakende dieren een vrijstelling is verleend van verbod om damherten opzettelijk te doden. A’s perceel was gelegen in gebied waarvoor die vrijstelling gold. A heeft geen schriftelijke en gedagtekende toestemming verleend aan verdachte of aan Wildbeheereenheid (vereniging waarvan verdachte lid was) om i.h.k.v. schadebestrijding damherten te doden op perceel dat bij hem in gebruik was. Verdediging heeft aangevoerd dat A aan B (die ook lid was van Wildbeheereenheid) toestemming heeft verleend om damherten te doden op zijn grond en dat die toestemming via vereniging werd “doorgegeven” aan alle leden, dus ook aan verdachte. ’s Hofs oordeel daarover houdt in dat wet niet voorziet in mogelijkheid dat door grondgebruiker o.g.v. art. 3.15.7 Wnb (oud) verleende toestemming door degene aan wie die toestemming is verleend, aan ander wordt doorgegeven, zonder dat grondgebruiker daarmee heeft ingestemd. Op dit oordeel gebaseerde verwerping van verweer, getuigt in licht van art. 3.15.7 Wnb (oud) niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03045 E
Datum 10 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, economische kamer, van 26 juli 2024, nummer 20-000577-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.J.J.E. Stassen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 8224770722 bewezenverklaarde opzettelijk doden van een damhert over de verwerping door het hof van het verweer dat de verdachte toestemming had tot het plegen van dit feit.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 82-247707-22 bewezenverklaard dat:
“hij op 26 april 2021, te Burgh-Haamstede , in de gemeente Schouwen-Duiveland , onverminderd artikel 3.5 eerste, vierde en vijfde lid van de Wet natuurbescherming, een in het wild levend zoogdier van een soort genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij genoemde wet, te weten een damhert (Dama dama), opzettelijk heeft gedood.”
2.2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“Met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 82-247707-22 tenlastegelegde feit (d.d. 26 april 2021) verklaart de verdachte als volgt:
Het klopt dat het in deze zaak gaat om schadebestrijding door of namens grondgebruikers. Ik heb heel vaak damherten gedood in het kader van schadebestrijding. Zo ook op 26 april 2021. Toen heb ik op de grond van [betrokkene 1] te Burgh-Haamstede een damhert gedood. (...) Door de verbalisanten werd specifiek gevraagd naar de grondgebruikersverklaring van [betrokkene 1] . Hij heeft toestemming verleend aan [betrokkene 2] om op zijn grond ten behoeve van schadebestrijding wilde dieren, waaronder damherten, te doden. [betrokkene 2] heeft deze toestemming vervolgens onderverhuurd aan de Wildbeheereenheid (WBE) Schouwen , die op haar beurt haar leden heeft gemachtigd. Ik ben één van die leden. (...)
Door een bestuurslid van de WBE Schouwen worden alle, ook de aan individuele leden toegekende, grondgebruikersverklaringen op een centrale plaats gearchiveerd. Dit bestuurslid maakt periodiek voor alle leden van de WBE onderverhuurovereenkomsten ten behoeve van de jacht en schadebestrijding. (...)
De WBE Schouwen hanteerde een bepaalde werkwijze/systematiek, opdat alle leden in het gehele gebied konden jagen. Damherten in de kop van Schouw zijn zwervende dieren. We gaan meestal op pad met de auto. Waar je een damhert aantreft, ga je aan de slag. Dan moet je een grondgebruikersverklaring hebben voor het desbetreffende perceel, maar eigenlijk ook van alle omliggende percelen. Dat zou een heel pak papier opleveren, dat ieder lid dan altijd bij zich zou moeten dragen. Omdat dat ondoenlijk is, heeft de WBE de hiervoor door mij toegelichte systematiek/werkwijze in het leven geroepen. (...)
[betrokkene 1] had in eerste instantie aan [betrokkene 2] toestemming gegeven. [betrokkene 2] had die toestemming ingebracht bij de WBE . (...)
De raadsman vult aan:
Boeren hebben een vaste jager op hun erf. Die vertrouwen ze. Een jachtveld moet minimaal 40 hectare zijn. Versnippering zorgt ervoor dat een groot aantal percelen van grondgebruikers niet 40 hectare omvatten. Op die percelen kan dan alleen gejaagd worden, indien ook door de grondgebruikers van de omliggende percelen toestemming is afgegeven. Ook gelet hierop heeft de WBE Schouwen de werkwijze gehanteerd waarbij alle leden worden gemachtigd ten aanzien van alle toestemmingen, waaronder ook de toestemmingen die aan individuele leden van de WBE is afgegeven.
[betrokkene 1] verhuurt aan zijn vaste jager in plaats van aan de WBE . Hij kent [betrokkene 2] en wil niet met de WBE te maken hebben.”
2.2.3
Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als “overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3.10, eerste lid, aanhef in samenhang met onderdeel a, van de Wet natuurbescherming, opzettelijk begaan”. Het hof heeft het verweer waarop het cassatiemiddel doelt, als volgt samengevat en verworpen:
“Op grond van artikel 3.10, eerste lid onder a, van de Wet natuurbescherming (oud en hierna: de wet) is het verboden om in het wild levende zoogdieren, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij die wet, opzettelijk te doden of te vangen. Het damhert (Dama dama) is een zoogdier genoemd in voormelde bijlage, onderdeel A. Overtreding van artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming levert een economisch delict op.
Provinciale Staten kunnen echter, ten behoeve van – kort gezegd – de bestrijding van schadeveroorzakende dieren (die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen) bij verordening een vrijstelling verlenen van de verboden van artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming ten aanzien van door de Provinciale Staten aangewezen dierensoorten als bedoeld in dat artikel 3.10, eerste lid. Die vrijstelling wordt uitsluitend verleend aan grondgebruikers, voor handelingen als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming op door de grondgebruiker gebruikte gronden of in het omringende gebied (zie de artikelen 3.15 derde, vierde en vijfde lid, 3.8, tweede lid, en artikel 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming).
De Provinciale Staten van de provincie Zeeland heeft van deze vrijstellingsmogelijkheid gebruik gemaakt door in de Omgevingsverordening Zeeland 2018, artikel 6.19, te bepalen dat het grondgebruikers – in afwijking van artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming – is toegestaan om de in bijlage K bij die verordening genoemde schadesoorten opzettelijk te doden op de door hen gebruikte gronden, ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, of in het omringende gebied, voor zover deze gronden zijn gelegen binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid in de provincie Zeeland. In bijlage K zijn voorts beperkingen en nadere voorwaarden en voorschriften gesteld waaraan dient te worden voldaan. Eén van de in bijlage K genoemde schadesoorten betreft het damhert (Dama dama).
Op grond van artikel 3.15, zevende lid, van de Wet natuurbescherming kunnen grondgebruikers bij schriftelijke en gedagtekende toestemming de hun ingevolge het tweede tot en met vijfde lid van dat artikel toegestane handelingen door een wildbeheereenheid of door anderen doen uitoefenen.
In artikel 1.1 in combinatie met artikel 3.14 van de Wet natuurbescherming wordt een wildbeheereenheid gedefinieerd als een vereniging, waarin jachthouders met een jachtakte en anderen zich hebben georganiseerd ter uitvoering van het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan en ter bevordering van een duurzame uitvoering van het beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren en van de jacht, een en ander in samenwerking met en ten dienste van grondgebruikers of terreinbeheerders en overeenkomstig het vastgestelde en door gedeputeerde staten goedgekeurde faunabeheerplan.
Een wildbeheereenheid kan belast worden met de uitvoering van maatregelen in het kader van schadebestrijding door grondgebruikers. Nu de wildbeheereenheid een vereniging en dus een rechtspersoon is, ligt het in de rede dat die maatregelen en de op grond van artikel 3.15, zevende lid van de Wet natuurbescherming uit te oefenen handelingen, feitelijk door natuurlijke personen namens de vereniging dienen te worden uitgevoerd, indien en voor zover dat in overeenstemming is met de door de grondgebruiker verleende – schriftelijk en gedagtekende – toestemming aan de wildbeheereenheid.
(...)
De feiten en omstandigheden
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld dat de verdachte op 26 april 2021 (...) te Burgh-Haamstede met opzet een damhert (Dama dama) heeft gedood.
Het hof stelt op grond van het procesdossier vast dat [het] aan de verdachte tenlastegelegde feit [plaatsvond] in de provincie Zeeland, dat derhalve op [dit] feit de hierboven bedoelde, in de Omgevingsverordening Zeeland 2018 voorziene vrijstellingsregeling voor grondgebruikers van toepassing is, en dat de gronden alwaar de tenlastegelegde handelingen zijn verricht, gelegen zijn in het in bijlage K van die verordening genoemde werkgebied van de faunabeheereenheid waarvoor de vrijstelling geldt. Voorts staat niet ter discussie dat bij de verrichte handelingen op beide data aan de beperkingen, voorwaarden en voorschriften, genoemd in bijlage K is voldaan.
De in de Omgevingsverordening Zeeland 2018 aangeduide grondgebruikers ontlenen aan deze verordening een vrijstelling van de verboden handelingen, als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. Het is hun in het kader van schadebestrijding (onder de voorwaarden die de verordening stelt) toegestaan opzettelijk schadeveroorzakende dieren te doden.
Overwegingen
(...) De verdachte [heeft] aangevoerd dat hij (...) in de veronderstelling was dat hij al dan niet met tussenkomst van de Wildbeheereenheid Schouwen de vereiste toestemming had van de grondgebruiker van de gronden in kwestie voor wie de door de Provinciale Staten van de provincie Zeeland verleende vrijstelling van het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming gold om op zijn grond schadeveroorzakende damherten te doden.
(...)
[Het hof overweegt dat] [betrokkene 1] de grondgebruiker was van het perceel Westerschouwen, E 2637 waar de verdachte op 26 april 2021 een damhert heeft doodgeschoten. [betrokkene 1] heeft geen schriftelijke en gedagtekende toestemming verleend aan de verdachte of aan de Wildbeheereenheid Schouwen, waarvan de verdachte lid was, om in het kader van schadebestrijding damherten te doden op het perceel dat bij hem in gebruik was. Door het ontbreken van die toestemming kan de verdachte geen aanspraak maken op de vrijstelling van artikel 3.15, zevende lid, van de Wet natuurbescherming. Dat na het plegen van het feit op 26 april 2021 door [betrokkene 1] alsnog schriftelijk toestemming is gegeven aan de verdachte, maakt dit niet anders.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat binnen de Wildbeheereenheid Schouwen beleid was vastgesteld dat indien aan één van haar leden op persoonlijke titel een toestemmingsverklaring van een grondgebruiker was verleend, deze toestemming kon worden ingebracht in de wildbeheereenheid en vervolgens worden doorgegeven aan ieder lid van de vereniging. [betrokkene 1] had aan [betrokkene 2] , zijnde een lid van de vereniging, toestemming verleend om damherten te doden op zijn grond in het kader van schadebestrijding. Op grond van het binnen de Wildbeheereenheid Schouwen vastgestelde beleid zou deze toestemming aan [betrokkene 2] via de vereniging worden doorgegeven aan al haar leden, dus ook aan de verdachte. In de visie van de verdediging beschikte de verdachte derhalve, net als [betrokkene 2] , over de vereiste toestemming voor de vrijstelling van het verbod om damherten te doden op zijn grond. Nu de wet niet voorziet in een mogelijkheid om zonder toestemming van de grondgebruiker de eenmaal verleende toestemming van deze grondgebruiker aan anderen door te geven, verwerpt het hof dit verweer.
Ook de omstandigheid dat [betrokkene 2] bij het feit op 26 april 2021 aanwezig zou zijn geweest, doet aan het voorgaande niet af. De regels die gelden voor jagen in gezelschap zijn immers op doden in het kader van schadebestrijding niet van toepassing.
Er zijn ook verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het bovenstaande feit is strafbaar.”
2.3
De volgende bepalingen, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde, zijn van belang.
“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (...)
- grondgebruiker: degene die gerechtigd is de grond te gebruiken krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; (...)
- wildbeheereenheid: wildbeheereenheid als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid.”
“2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6, tweede lid, ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten.
5. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;
b. zij is nodig: (...)
2°. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; (...)
c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.”
“1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden:
a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; (...).
2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen:
c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden.”
- Artikel 3.14 lid 1 Wnb:
“Jachthouders met een jachtakte organiseren zich met anderen in een wildbeheereenheid, die de rechtsvorm van een vereniging heeft, ter uitvoering van het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan en om te bevorderen dat een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, bestrijding van schadeveroorzakende dieren en jacht worden uitgevoerd in samenwerking met en ten dienste van grondgebruikers of terreinbeheerders. Ook grondgebruikers en terreinbeheerders kunnen lid worden van de vereniging.”
- Artikel 3.15 lid 3, aanhef en onder b en c, lid 4, 5 en 7 Wnb:
“3. Provinciale staten kunnen bij verordening (...) dieren van soorten als bedoeld in artikel (...) 3.10, eerste lid, aanwijzen die:
b. niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, en
c. in hun provincie schade veroorzaken.
4. Provinciale staten verlenen bij verordening een vrijstelling als bedoeld in artikel (...) 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid, voor de bestrijding van schadeveroorzakende vogels en dieren als bedoeld in het derde lid uitsluitend aan grondgebruikers.
5. De vrijstelling, bedoeld in het tweede en vierde lid, wordt verleend voor handelingen op door de grondgebruiker gebruikte gronden, dan wel in of aan door hem gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied.
7. De grondgebruiker kan bij schriftelijke en gedagtekende toestemming de hem ingevolge het tweede tot en met vijfde lid toegestane handelingen door een wildbeheereenheid of anderen doen uitoefenen.”
- Bijlage bij de Wnb:
“Onderdeel A (behorende bij artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a)
Zoogdieren
(...)
Damhert
(...)”
2.4.1
Het hof heeft de volgende vaststellingen gedaan. Aan grondgebruikers in de provincie Zeeland, onder wie [betrokkene 1] , is ten behoeve van de bestrijding van schadeveroorzakende dieren een vrijstelling verleend van het verbod om damherten opzettelijk te doden. Het perceel van [betrokkene 1] was gelegen in het gebied waarvoor die vrijstelling gold. [betrokkene 1] heeft geen schriftelijke en gedagtekende toestemming verleend aan de verdachte of aan de Wildbeheereenheid Schouwen – een vereniging waarvan de verdachte lid was – om in het kader van de schadebestrijding damherten te doden op het perceel dat bij hem in gebruik was.
2.4.2
De verdediging heeft aangevoerd dat [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] – die ook lid was van de Wildbeheereenheid Schouwen – toestemming heeft verleend om damherten te doden op zijn grond en dat die toestemming via de vereniging werd “doorgegeven” aan alle leden van de vereniging, dus ook aan de verdachte. Het oordeel van het hof daarover houdt in dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid dat de door de grondgebruiker op grond van artikel 3.15 lid 7 Wnb verleende toestemming door degene aan wie die toestemming is verleend, aan een ander wordt doorgegeven, zonder dat de grondgebruiker daarmee heeft ingestemd. De op dit oordeel gebaseerde verwerping van het verweer waarop het cassatiemiddel doelt, getuigt in het licht van artikel 3.15 lid 7 Wnb niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026.
Conclusie 16‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Economische zaak. Opzettelijk doden damhert (Dama dama). Mocht schriftelijke toestemming van grondgebruiker aan natuurlijk persoon om schadebestrijding voor grondgebruiker te doen uitoefenen a.b.i. art. 3.15 lid 7 Wet natuurbescherming (oud), zonder toestemming van die grondgebruiker worden doorgegeven aan wildbeheereenheid en (daarmee) aan zijn leden? AG gaat in op de aard en ratio van de vrijstelling a.b.i. 3.15 lid 7 Wet natuurbescherming (oud). De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03045 E
Zitting 16 december 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 26 juli 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch1.in de zaak met parketnummer 82-24707-22 wegens "overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3.10, eerste lid, aanhef in samenhang met onderdeel a, van de Wet natuurbescherming, opzettelijk begaan" veroordeeld zonder dat daarvoor een straf of maatregel is opgelegd.
1.2
Namens de verdachte heeft M.J.J.E. Stassen, advocaat in Tilburg, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de wet niet voorziet in een mogelijkheid om zonder toestemming van de grondgebruiker de eenmaal verleende toestemming van deze grondgebruiker aan anderen door te geven.
2.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 82-24707-22 bewezenverklaard dat:
“hij op 26 april 2021, te [plaats] , onverminderd artikel 3.5 eerste, vierde en vijfde lid van de Wet natuurbescherming, een in het wild levend zoogdier van een soort genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij genoemde wet, te weten een damhert (Dama dama), opzettelijk heeft gedood.”
2.3
Het hof heeft met betrekking tot de strafbaarheid van het bewezenverklaarde overwogen:
“Het juridisch kader (kort geschetst en voor zover in de onderhavige zaak van belang)
[…]
Op grond van artikel 3.10, eerste lid onder a, van de Wet natuurbescherming (oud en hierna: de wet) is het verboden om in het wild levende zoogdieren, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij die wet, opzettelijk te doden of te vangen. Het damhert (Dama dama) is een zoogdier genoemd in voormelde bijlage, onderdeel A. Overtreding van artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming levert een economisch delict op.
Provinciale Staten kunnen echter, ten behoeve van - kort gezegd - de bestrijding van schadeveroorzakende dieren (die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen) bij verordening een vrijstelling verlenen van de verboden van artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming ten aanzien van door de Provinciale Staten aangewezen dierensoorten als bedoeld in dat artikel 3.10, eerste lid. Die vrijstelling wordt uitsluitend verleend aan grondgebruikers, voor handelingen als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming op door de grondgebruiker gebruikte gronden of in het omringende gebied (zie de artikelen 3.15 derde, vierde en vijfde lid, 3.8, tweede lid, en artikel 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming).
De Provinciale Staten van de provincie Zeeland heeft van deze vrijstellingsmogelijkheid gebruik gemaakt door in de Omgevingsverordening Zeeland 2018, artikel 6.19, te bepalen dat het grondgebruikers - in afwijking van artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming - is toegestaan om de in bijlage K bij die verordening genoemde schadesoorten opzettelijk te doden op de door hen gebruikte gronden, ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, of in het omringende gebied, voor zover deze gronden zijn gelegen binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid in de provincie Zeeland. In bijlage K zijn voorts beperkingen en nadere voorwaarden en voorschriften gesteld waaraan dient te worden voldaan. Een van de in bijlage K genoemde schadesoorten betreft het damhert (Dama dama).
Op grond van artikel 3.15, zevende lid, van de Wet natuurbescherming kunnen grondgebruikers bij schriftelijke en gedagtekende toestemming de hen ingevolge het tweede tot en met vijfde lid van dat artikel toegestane handelingen door een wildbeheereenheid of door anderen doen uitoefenen.
In artikel 1.1 in combinatie met artikel 3.14 van de Wet natuurbescherming wordt een wildbeheereenheid gedefinieerd als een vereniging, waarin jachthouders met een jachtakte en anderen zich hebben georganiseerd ter uitvoering van het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan en ter bevordering van een duurzame uitvoering van het beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren en van de jacht, een en ander in samenwerking met en ten dienste van grondgebruikers of terreinbeheerders en overeenkomstig het vastgestelde en door gedeputeerde staten goedgekeurde faunabeheerplan.
Een wildbeheereenheid kan belast worden met de uitvoering van maatregelen in het kader van schadebestrijding door grondgebruikers. Nu de wildbeheereenheid een vereniging en dus een rechtspersoon is, ligt het in de rede dat de uitvoering van die maatregelen en van de op grond van artikel 3.15, zevende lid van de Wet natuurbescherming uit te oefenen handelingen, feitelijk door natuurlijke personen namens de vereniging dienen te worden uitgevoerd, indien en voor zover dat in overeenstemming is met de door de grondgebruiker verleende - schriftelijk en gedagtekende -toestemming aan de wildbeheereenheid.
In artikel 6.20, derde lid, van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 is bepaald dat, indien de grondgebruiker een ander toestemming geeft om de handelingen waarvan hij is vrijgesteld te verrichten, deze persoon de schriftelijke en gedagtekende toestemming van de grondgebruiker bij zich dient te dragen en op eerste vordering van een daartoe bevoegde beambte ter inzage dient te geven.
[…]
Overwegingen
Met betrekking tot beide feiten heeft de verdachte aangevoerd dat hij telkens in de veronderstelling was dat hij al dan niet met tussenkomst van de Wildbeheereenheid Schouwen de vereiste toestemming had van de grondgebruiker van de gronden in kwestie voor wie de door de Provinciale Staten van de provincie Zeeland verleende vrijstelling van het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming gold om op zijn grond schadeveroorzakende damherten te doden.
[…]Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 82-247707-22 tenlastegelegde, overweegt het hof dat [betrokkene 1] de grondgebruiker was van het perceel […] waar de verdachte op 26 april 2021 een damhert heeft doodgeschoten. [betrokkene 1] heeft geen schriftelijke en gedagtekende toestemming verleend aan de verdachte of aan de Wildbeheereenheid Schouwen, waarvan de verdachte lid was, om in het kader van schadebestrijding damherten te doden op het perceel dat bij hem in gebruik was. Door het ontbreken van die toestemming kan de verdachte geen aanspraak maken op de vrijstelling van artikel 3.15, zevende lid, van de Wet natuurbescherming. Dat na het plegen van het feit op 26 april 2021 door [betrokkene 1] alsnog schriftelijk toestemming is gegeven aan de verdachte, maakt dit niet anders.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat binnen de Wildbeheereenheid Schouwen beleid was vastgesteld dat indien aan één van haar leden op persoonlijke titel een toestemmingsverklaring van een grondgebruiker was verleend, deze toestemming kon worden ingebracht in de wildbeheereenheid en vervolgens worden doorgegeven aan ieder lid van de vereniging. [betrokkene 1] had aan [betrokkene 2] , zijnde een lid van de vereniging, toestemming verleend om damherten te doden op zijn grond in het kader van schadebestrijding. Op grond van het binnen de Wildbeheereenheid Schouwen vastgestelde beleid zou deze toestemming aan [betrokkene 2] via de vereniging worden doorgegeven aan al haar leden, dus ook aan de verdachte. In de visie van de verdediging beschikte de verdachte derhalve, net als [betrokkene 2] , over de vereiste toestemming voor de vrijstelling van het verbod om damherten te doden op zijn grond. Nu de wet niet voorziet in een mogelijkheid om zonder toestemming van de grondgebruiker de eenmaal verleende toestemming van deze grondgebruiker aan anderen door te geven, verwerpt het hof dit verweer.
Ook de omstandigheid dat [betrokkene 2] bij het feit op 26 april 2021 aanwezig zou zijn geweest, doet aan het voorgaande niet af. De regels die gelden voor jagen in gezelschap zijn immers op doden in het kader van schadebestrijding niet van toepassing. Er zijn ook verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het bovenstaande feit is strafbaar.”
2.4
De Wet natuurbescherming is per 1 januari 2024 komen te vervallen.2.Art. 3.15 lid 7 van die wet – waarop de steller van het middel een beroep doet – luidde ten tijde van het bewezenverklaarde als volgt:
“De grondgebruiker kan bij schriftelijke en gedagtekende toestemming de hem ingevolge het tweede tot en met vijfde lid toegestane handelingen door een wildbeheereenheid of anderen doen uitoefenen.”
2.5
Op grond van de paragrafen 3.1 tot en met 3.3 van de Wet natuurbescherming was het verboden om bepaalde wilde diersoorten te doden. Deze wet maakte op dit verbod in paragraaf 3.4 een uitzondering voor schadebestrijding, overlastbestrijding en faunabeheer. Ingevolge art. 3.15 lid 2 Wet natuurbescherming kon de Minister aan de grondgebruiker3.een vrijstelling afgeven terzake van het verbod om (kortgezegd) bepaalde wilde diersoorten te doden, ter bestrijding van schadeveroorzaking. De Wet natuurbescherming bood blijkens het hiervoor aangehaalde art. 3.15 lid 7 de mogelijkheid aan de grondgebruiker om de schadebestrijding te doen uitoefenen door een wildbeheereenheid4.of anderen. Dat ‘doen uitoefenen’ diende echter wel gebaseerd te zijn op een schriftelijke en gedagtekende toestemming. Hiermee werd aldus de aan de grondgebruiker afgeven ‘vrijstelling’ niet overgedragen, maar stond de grondeigenaar slechts schriftelijk toe dat een wildbeheereenheid of een ander de vrijgestelde handelingen uitoefende.
2.6
Het middel stelt de vraag aan de orde of de schriftelijke toestemming van de grondgebruiker om de schadebestrijding voor de grondgebruiker te doen uitoefenen, zonder toestemming van die grondgebruiker mocht worden doorgegeven aan een wildbeheereenheid, die de toestemming conform diens statuten aan zijn leden overdraagt.
2.7
De memorie van toelichting bij de Wet natuurbescherming houdt – voor zover hier van belang – in:
“De grondgebruiker is […] bevoegd om anderen dan hijzelf in te schakelen voor de uitvoering van de bestrijding, bij schriftelijke toestemming. Hierdoor kan de grondgebruiker bijvoorbeeld een beroep doen op personen die, anders dan hijzelf, bevoegd zijn tot het gebruik van het geweer of van jachtvogels.”5.
2.8
Het hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] als grondgebruiker van het perceel waarop de verdachte een damhert heeft doodgeschoten, de verdachte noch de wildbeheereenheid Schouwen, waar de verdachte lid van was, daartoe schriftelijke en gedagtekende toestemming heeft verleend. Op basis daarvan heeft het hof geoordeeld dat de verdachte geen aanspraak kan maken op de in art. 3.15 lid 7 Wet natuurbescherming bedoelde vrijstelling. Het verweer van de verdediging dat [betrokkene 1] als grondeigenaar toestemming had verleend aan [betrokkene 2] , die lid was van wildbeheereenheid Schouwen en die toestemming door het lidmaatschap van [betrokkene 2] (zoals de statuten bepaalden) automatisch werd doorgegeven aan de wildbeheereenheid en (daarmee) aan zijn leden, waaronder de verdachte, heeft het hof verworpen. Daartoe heeft het overwogen dat de wet niet voorziet in een mogelijkheid om zonder toestemming van de grondgebruiker de eenmaal verleende toestemming van deze grondgebruiker aan anderen door te geven.
2.9
Ter beantwoording van de vraag die het middel opwerpt, stel ik voorop dat de vrijstelling een als een persoonlijk recht worden beschouwd, dat toekomt aan de grondgebruiker.6.De grondgebruiker kon op grond van art. 13 lid 7 van de Wet natuurbescherming ervoor kiezen om de voor hem vrijgestelde handelingen te laten uitoefenen door een wildbeheereenheid of anderen, die bevoegd zijn tot het gebruik van een geweer. Het doden van een dier op het grondgebied van een grondgebruiker is immers enkel toegestaan indien en voor zover de jager in het bezit is van een jachtakte. Voor het uitoefenen van de vrijgestelde handelingen diende de grondgebruiker schriftelijk en gedagtekend toestemming te verlenen. De vrijstelling vormt immers een uitzondering op het verbod om (wilde) dieren te doden.
2.10
Tevens moet bij de beantwoording van de vraag die het middel opwerpt, worden betrokken dat de wetgever een onderscheid heeft gemaakt in het geven van toestemming aan een vereniging (wildbeheereenheid), zijnde een rechtspersoon, en een natuurlijk persoon (anderen).
2.11
In het licht van het vorenstaande meen ik dat het verlenen van toestemming door de grondgebruiker aan ‘anderen’ als bedoeld in art. 3.15 lid 7 Wet natuurbescherming persoonlijk geschiedt. Naar mijn oordeel verzet de aard van de regeling zich tegen het zonder toestemming van de grondgebruiker ‘doorgeven’ van de vorenbedoelde toestemming. Een dergelijke constructie kan er immers voor zorgen dat de grondgebruiker controle verliest over zijn gegeven toestemming, in die zin dat voor hem niet (meer) duidelijk is wie de aan hem vrijgestelde handelingen verricht.
2.12
Daarmee acht ik het oordeel van het hof noch blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, noch onbegrijpelijk. Voor zover de steller van het middel verder van mening is dat het arrest van het hof innerlijk tegenstrijdig is ‘gezien de eerdere overwegingen van het hof op p. 5 onderaan’ kan ik hem – bij gebrek aan nadere onderbouwing – niet volgen. De klacht doet kennelijk een beroep op de overweging van het hof, inhoudende dat het in de rede ligt dat de uitvoering van de op grond van art. 3.15 lid 7 van de Wet natuurbescherming uit te oefenen handelingen, feitelijk door natuurlijke personen namens de wildbeheereenheid dienen te worden uitgevoerd, indien en voor zover dat in overeenstemming is met de door de grondgebruiker verleende – schriftelijk en gedagtekende – toestemming aan de wildbeheereenheid. Aan de klacht ligt daarmee een overweging van het hof ten grondslag die betrekking heeft op een wezenlijk andere (feitelijke) situatie dan de situatie – zoals hier – waarin de toestemming niet is gegeven aan een wildbeheereenheid, maar aan een natuurlijk persoon.7.
2.13
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
3. Slotsom
3.1
Het middel faalt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑12‑2025
Deze wet is op 1 januari 2024. opgegaan in de Omgevingswet, Stb. 2023, 89.
Een ‘wildbeheereenheid’ werd in art. 3.14, lid 1 Wet natuurbescherming als volgt nader ingevuld: “Jachthouders met een jachtakte organiseren zich met anderen in een wildbeheereenheid, die de rechtsvorm van een vereniging heeft, ter uitvoering van het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan en om te bevorderen dat een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, bestrijding van schadeveroorzakende dieren en jacht worden uitgevoerd in samenwerking met en ten dienste van grondgebruikers of terreinbeheerders. Ook grondgebruikers en terreinbeheerders kunnen lid worden van de vereniging.”
Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, p. 267. In het oorspronkelijke ontwerp van wet luidde lid 6 van art. 3.14: “De grondgebruiker kan bij schriftelijke en gedagtekende toestemming de hem ingevolge het tweede tot en met vierde lid toegestane handelingen door een wildbeheereenheid of anderen doen uitoefenen”, hetgeen in de uiteindelijke Wet natuurbescherming een plaats kreeg in art. 3.15 lid 7.
Vgl Kamerstukken II 2011/12, 33 348 nr. 3 (memorie van toelichting), p 158. Daarin wordt onder de paragraaf ‘huidige implementatiewijze Nederland’ uiteengezet hoe de ‘schadebestrijding’ vóór inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming ingekleed was. De memorie van toelichting houdt onder meer in: “De grondgebruiker kan bij schriftelijke toestemming zijn recht (curs. D.P.) op schadebestrijding door derden laten uitoefenen”.
Het hof heeft die overweging in het vooropgestelde juridische kader kennelijk gebezigd voor zijn oordeel over het onder 82-247731-22 tenlastegelegde, waarbij de wildbeheereenheid Schouwen ‘toestemming’ had gekregen van de grondgebruiker voor het uitvoeren van handelingen ten behoeve van schadebestrijding, welke uitvoering zij naar eigen inzicht mocht organiseren. De verdachte was lid van die wildbeheereenheid.