Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VII.5.2.a
VII.5.2.a Een voorlopige voorziening ex art. 254 Rv
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS377338:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bij de bespreking van de derde voorwaarde van belangenafweging spreekt Tjong Tjin Tai over 'een te drastische ingreep jegens de gedaagde'. Indien de gevraagde voorzieningen diep ingrijpen, kan terughoudendheid geboden zijn, aldus zijn commentaar. Zie Losbl. Rv. (Tjong Tjin Tai) art. 254, aant. 5. Ik wijs in verband met de vereiste belangenafweging op de onmiddellijke voorlopige voorziening ex art. 2:349a lid 2 BW in een enquêteprocedure. De OK dient bij het treffen van een dergelijke spoedmaatregel een billijke afweging van de belangen van betrokken partijen te maken, aldus de Hoge Raad in de DSM-zaak, HR 14 december 2007, NJ 2008, 105 m.nt. Ma (DSM).
Zie verder § VII.5.5.b.
Art. 254 Rv behelst de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vorderen. Het eerste lid van het artikel bepaalt onder welke omstandigheden de rechter bevoegd is een 'voorlopige ordeningsmaatregel' te geven. De voorwaarden voor de spoedvoorziening zijn uit de wettekst te destilleren:
`In alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, is de voorzieningenrechter bevoegd deze te geven.'1
De eerste vraag, die met betrekking tot de geschillenregeling rijst, is of een voorlopige voorziening mag uitmonden in een overdracht van aandelen. Is het antwoord op deze vraag positief en wordt de overdracht bij wijze van voorlopige of onmiddellijke voorziening gevorderd, dan gelden de drie voorwaarden van art. 254 Rv onverkort.
De eerste eis is die van spoedeisendheid. De volgende is het (aloude) adagium `geen belang, geen actie'; een regel die ook voor een bodemprocedure geldt en eveneens met zoveel woorden is neergelegd in art. 3:303 BW. De eisende aandeelhouder dient (vanzelfsprekend) een belang te hebben bij de verzochte voorziening. Tot slot geldt als derde en laatste voorwaarde dat de rechter de belangen van partijen behoort af te wegen. Indien de uitstoting tot te vergaande gevolgen leidt voor de uit te stoten aandeelhouder, moet de rechter de vordering afwijzen, ook al is deze op zichzelf toewijsbaar.2 De zaak dient overigens wel geschikt te zijn voor behandeling in kort geding. Als de rechter oordeelt dat de zaak te ingewikkeld is, weigert hij de gevraagde voorziening, zie art. 256 Rv.3