Medezeggenschap en de spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht
Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/:Inleiding
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/
Inleiding
Documentgegevens:
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS484999:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch., Invoering Boeken 3,5 en 6, Aanpassing BW, p. 157/158. Een in de parlementaire geschiedenis genoemd voorbeeld is dat van een gemeentebestuur dat statutair bevoegd is een deel van de bestuursleden van een stichting te benoemen. Het zou zich niet verdragen met de jegens de stichting op grond van art 2:8 BW in acht te nemen redelijkheid en billijkheid indien een notoir onbekwaam persoon zou worden benoemd.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot 1 januari 1992 bepaalde art. 2:7 BW dat de rechtspersoon, haar leden of houders van aandelen of van met medewerking van de rechtspersoon uitgegeven certificaten en zij die deel uitmaken van haar organen, zich als zodanig jegens elkaar dienden te gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid werd gevorderd. Ik herken in deze bepaling het contractuele karakter van de naamloze en besloten vennootschap. Bij de invoering van de Boeken 3, 5 en 6 BW is art. 2:7 niet alleen vernummerd tot art. 2:8, tevens is de tekst algemener gemaakt door het toepassingsbereik te verruimen tot ‘degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken’. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat ook anderen dan leden van organen en van houders van aandelen en van certificaten onder de werking van het artikel vallen.1 De vraag is of en in hoeverre de ondernemingsraad zich kan beroepen op de in artikel 2:8 BW bedoelde redelijkheid en billijkheid.