HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1463.
HR, 27-11-2020, nr. 20/01371
20/01371
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-11-2020
- Zaaknummer
20/01371
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:1877, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑11‑2020; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2020:837
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑11‑2020
- Vindplaatsen
FED 2021/30 met annotatie van A.C.Smale
BNB 2021/55 met annotatie van J.P. BOER
NLF 2020/2778 met annotatie van Frank Werger
NTFR 2020/3505 met annotatie van G.J. van Mulbregt
FutD 2020-3500
Viditax (FutD) 2020112701
Uitspraak 27‑11‑2020
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/01371
Datum 27 november 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 maart 2020, nr. 19/00223, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 17/4972) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de loonheffingen over het jaar 2015. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van het middel
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1 [
A] (hierna: [A]) is op 1 juni 2010 als manager bij belanghebbende in dienst getreden. Op1 april 2011 is [A] aangetreden als bestuurder van [B] N.V., de enig aandeelhouder van belanghebbende.
2.1.2
De aandelen [B] N.V. zijn op 17 april 2015 door een derde overgenomen, waarna de beursnotering van [B] N.V. is vervallen (hierna: de overname). In verband met de overname is [A] per 1 juli 2015 als bestuurder van [B] N.V. uit functie getreden. Bij een vaststellingsovereenkomst van 15 april 2015 is de dienstbetrekking van [A] met belanghebbende eveneens per 1 juli 2015 beëindigd.
2.1.3
Op grond van het [B] Performance Share Plan (hierna: PSP) zijn aan [A] zonder tegenprestatie voorwaardelijke rechten op aandelen [B] N.V. toegekend (hierna: de PSP-rechten). De PSP-rechten werden onvoorwaardelijk indien [A] 38 maanden na de toekenning nog in dienst zou zijn bij [B] N.V. of een daaraan gelieerd bedrijf. Het aantal krachtens het PSP te verkrijgen aandelen was afhankelijk van een resultaat van [B] N.V. (het Total Shareholder Return) ten opzichte van hetzelfde resultaat van alle andere ondernemingen genoteerd aan de AEX-, AMX- en AscX-lijsten vanNYSE Euronext Amsterdam Stock Exchange (hierna: de Peer Group).
2.1.4
In het jaar 2011 zijn aan [A] 15.844 PSP-rechten toegekend uit hoofde waarvan hem op 3 maart 2014 14.260 aandelen [B] N.V. zijn geleverd. In verband met die levering heeft belanghebbende in de aangifte loonheffingen over maart 2014 een door [A] genoten loon van € 446.618 aangegeven.
2.1.5
In het jaar 2012 zijn aan [A] 14.176 PSP-rechten toegekend. Bij brief van 2 april 2015 is [A] meegedeeld dat hij in verband met de overname in plaats van de uit hoofde van deze PSP-rechten te verkrijgen aandelen [B] N.V. een bedrag van € 446.439 ontving, welk bedrag hem in april 2015 is uitbetaald.
2.1.6
In de jaren 2013 en 2014 zijn aan [A] 12.990 respectievelijk 13.784 PSP-rechten toegekend. Bij brief van 2 april 2015 is [A] meegedeeld dat hij in verband met de overname in plaats van de krachtens deze PSP-rechten te verkrijgen aandelen[B] N.V. bedragen van € 196.825,78 respectievelijk € 147.919,58 ontving. Ook deze bedragen zijn [A] in april 2015 uitbetaald.
2.1.7
Aan houders van PSP-rechten was een aan die rechten gerelateerde aanspraak op dividend, terugbetaling op aandelen en andere contante betalingen (cash proceeds) toegekend. Uit dien hoofde heeft [A] ontvangen:
In 2014
- € 35.252,90 in verband met de in 2011 toegekende PSP-rechten,
en in 2015
- € 32.959,20 in verband met de in 2012 toegekende PSP-rechten,
- € 16.887,00 in verband met de in 2013 toegekende PSP-rechten, en
- € 4.135,20 in verband met de in 2014 toegekende PSP-rechten.
2.1.8
Op grond van het [B] Bonus Conversion Plan (hierna: BCP) zijn in 2011 aan [A] conversion shares (hierna: BCP-rechten) verkocht, die hem 38 maanden na toekenning, indien hij dan nog in dienst zou zijn bij [B] N.V. of een daaraan gelieerd bedrijf, een onvoorwaardelijk recht gaven op bonusaandelen [B] N.V. Het aantal bonusaandelen was afhankelijk van het aantal BCP-rechten en van het resultaat van [B] N.V. ten opzichte van de Peer Group zoals hiervoor in 2.1.3 genoemd.
2.1.9
In het jaar 2014 heeft [A] uit hoofde van de BCP-rechten in de vorm van aandelen [B] N.V. een voordeel van € 24.775 behaald. Daarover verschuldigde loonheffing heeft belanghebbende ingehouden en afgedragen op de aangifte loonheffingen over maart 2014.
2.1.10
In verband met het vertrek van [A] per 1 juli 2015 heeft belanghebbende op 8 september 2015 een aangifte loonheffingen pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoedingen (hierna: pseudo-eindheffing) als bedoeld in artikel 32bb Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) ingediend. Naar aanleiding daarvan is de naheffingsaanslag opgelegd, waarbij de hiervoor in 2.1.4 tot en met 2.1.7 en 2.1.9 genoemde, door [A] verkregen voordelen in de berekening van de pseudo-eindheffing zijn betrokken.
2.2.1
In hoger beroep was in geschil of de PSP-rechten en de BCP-rechten moeten worden aangemerkt als aandelenoptierechten als bedoeld in artikel 10a, lid 6, in samenhang met artikel 32bb, lid 6 (tekst 2015), Wet LB 1964.
2.2.2
Met betrekking tot de PSP-rechten heeft het Hof overwogen dat deze rechten moeten worden aangemerkt als een voorwaardelijk eigendomsrecht op aandelen [B] N.V. Een wezenlijk kenmerk van aandelenopties, te weten een keuzerecht tot het uitoefenen van het recht op levering van de aandelen, vertonen de PSP-rechten niet. Dat wordt bevestigd door de afwikkeling van de in 2013 en 2014 toegekende PSP-rechten, waarbij op initiatief van de werkgever en zonder besluit van [A] een afwikkeling in contanten heeft plaatsgevonden, aldus het Hof. Ook met betrekking tot de BCP-rechten heeft het Hof overwogen dat het zojuist genoemde wezenlijke kenmerk van optierechten ontbreekt zodat de BCP-rechten moeten worden aangemerkt als een voorwaardelijk eigendomsrecht van aandelen [B] N.V.Het Hof heeft geoordeeld dat de PSP-rechten en de BCP-rechten geen aandelenoptierechten als bedoeld in artikel 10a, lid 6, Wet LB 1964 vormen. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat het opnemen van de uit de PSP-rechten en de BCP-rechten verkregen voordelen in de grondslag voor het berekenen van de pseudo-eindheffing niet in strijd is met doel en strekking van artikel 32bb, lid 6, Wet LB 1964 (tekst 2015).
2.3.1
Het middel bestrijdt dit oordeel met een primaire en een subsidiaire stelling.De primaire stelling houdt in dat het Hof heeft miskend dat artikel 10a, lid 6, Wet LB 1964 niet de eis van een keuzerecht stelt, en dat aan de in deze bepaling wel gestelde voorwaarden is voldaan. Ook uit de parlementaire geschiedenis volgt volgens belanghebbende dat de wetgever heeft beoogd voor de toepassing van deze bepaling een ruim begrip van aandelenoptierechten en daarmee gelijk te stellen rechten te hanteren.De subsidiaire stelling luidt dat het Hof artikel 32bb, lid 6, Wet LB 1964 (tekst 2015) te beperkt heeft uitgelegd omdat doel en strekking van deze bepaling meebrengen dat vóór 2014 toegekende aandelenopties niet tot de grondslag van de vertrekvergoeding behoren.
2.3.2
Terecht heeft het Hof in zijn beschouwingen betrokken dat een wezenlijk kenmerk van een aandelenoptie is dat de verkrijger ervan de keuze heeft de optie al dan niet uit te oefenen, terwijl die keuze bij de verkrijging – al dan niet voorwaardelijk – van eigendom van een aandeel niet aan de orde is. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat in artikel 10a Wet LB 1964 de omschrijving in het zesde lid van hetgeen onder een aandelenoptierecht kan worden verstaan, verband houdt met de in het eerste lid opgenomen bepaling dat niet de waarde van de aandelenoptie tot het loon wordt gerekend, doch de opbrengst van uitoefening of vervreemding. Ook in dit opzicht is er een verschil met de wijze waarop de waarde van toegekende (rechten op) aandelen in de belastingheffing wordt betrokken. Zoals de Hoge Raad in het door het Hof aangehaalde arrest van 20 juni 20141.heeft geoordeeld, staan deze verschillen eraan in de weg de verwerving van (de eigendom van) aandelen voor de toepassing van (in dit geval) artikel 32bb, lid 6, Wet LB 1964 (tekst 2015) op dezelfde wijze te behandelen als de verwerving van aandelenopties.
2.3.3
Het Hof heeft uit de wetsgeschiedenis afgeleid dat een (rechtstreeks) verband tussen het toekennen van de vergoeding en het beëindigen van het dienstverband geen vereiste is om de vergoeding tot de grondslag voor het berekenen van de pseudo-eindheffing te rekenen. De subsidiaire stelling in het middel bestrijdt dit door erop te wijzen dat in de wetsgeschiedenis is opgemerkt dat het onwenselijk is om bij het berekenen van de (excessieve) vertrekvergoeding rekening te houden met de uitoefening of vervreemding van aandelenoptierechten die zijn toegekend in een eerder jaar dan het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd.Belanghebbende wil kennelijk ingang doen vinden dat dit in het algemeen geldt voor ‘aan aandelen gerelateerde rechten die in een eerder jaar zijn overeengekomen en waarbij het loon op een later tijdstip in aanmerking wordt genomen’. Zij stelt zich op het standpunt dat de in de jaren 2011, 2012 en 2013 aan [A] toegekende PSP-rechten en BCP-rechtenbuiten de grondslag van de pseudo-eindheffing moeten blijven.In dit betoog kan belanghebbende niet worden gevolgd. Artikel 32bb, lid 6, Wet LB 1964 (tekst 2015) heeft alleen betrekking op aandelenoptierechten. De ratio van deze bepaling brengt niet in algemene zin mee dat het ontbreken van een verband met de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg moet hebben dat een loonbestanddeel bij de berekening van de vertrekvergoeding buiten beschouwing blijft.
2.3.4
Het middel faalt in beide onderdelen. Het beroep in cassatie moet ongegrond worden verklaard.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2020.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑11‑2020
Beroepschrift 27‑11‑2020
Edelhoogachtbaar College,
Namens [X] B.V. (0000), gevestigd aan de [a-straat 1] te [Z], (hierna: belanghebbende) doen wij u hierbij aanvullend de gronden van het op 5 maart 2020 ingediende (pro forma) cassatieberoepschrift met kenmerk 19/00223 toekomen tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 5 maart 2020 met zaaknummer 19/00223, ECLI:NL:GHSHE:2020:837.
Volledigheidshalve vermelden wij hier (conform het beroepschrift van 5 maart 2020) dat u het griffierecht kunt afboeken van de rekening-courant die […] aanhoudt bij het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak, met nummer […].
1. Feiten
1.1.1.
[A] is in dienst bij belanghebbende sinds 1 juni 2010. Op 1 april 2011 is hij in functie getreden als bestuurder (Chief Financial Officer) bij de enig aandeelhouder van belanghebbende, [B] N.V. (hierna: de topvennootschap).
1.1.2.
De dienstbetrekking van [A] is per 1 juli 2015 beëindigd in verband met de overname van de aandelen in de topvennootschap.
1.1.3.
Op grond van het Performance Share Plan zijn zonder directe tegenprestatie aandelengerelateerde beloningen (hierna: PSP-rechten) toegekend aan [A]. Deze PSP-rechten zouden onvoorwaardelijk worden indien [A] 38 maanden na de toekenning nog steeds in dienst zou zijn bij de topvennootschap of een daaraan gelieerd bedrijf. Het uiteindelijke aantal — door [A] in eigendom te verkrijgen — aandelen in de topvennootschap was afhankelijk van de Total Shareholder Return (hierna: TSR) van de topvennootschap.
1.1.4.
Het PSP kende aan de houders van PSP-rechten het voorwaardelijke recht op dividend, terugbetaling op aandelen en andere contante betalingen — gerelateerd aan de PSP-rechten — toe.
1.1.5.
Op grond van het Bonus Conversion Plan (hierna: BCP) zijn in het jaar 2011 conversion shares (hierna: BCP-rechten) aan [A] verkocht, die na verloop van 38 maanden na de toekenning recht gaven op een aantal bonusaandelen in de topvennootschap. De BCP-rechten zouden onvoorwaardelijk worden indien [A] na verloop van 38 maanden na de toekenning nog steeds in dienst zou zijn bij de topvennootschap of een daaraan gelieerd bedrijf.
Het aantal te ontvangen bonusaandelen zou afhankelijk zijn van het aantal conversion shares en van de TSR van de topvennootschap.
1.1.6.
Belanghebbende heeft in verband met het vertrek van [A] een aangifte loonheffingen pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoedingen in de zin van artikel 32bb van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) ingediend. In verband hiermee is een naheffingsaanslag opgelegd. De Belastingdienst heeft daarin de door [A] verkregen voordelen uit de PSP- en de BCP-rechten betrokken in de berekening van de pseudo-eindheffing.
1.1.7.
Om herhaling te voorkomen, verwijzen wij uw College bovendien naar de vaststaande feiten in de uitspraak zoals gewezen door het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch.
2. Als middelen van cassatie dragen wij voor:
2.1.1.
Schending van het recht ten aanzien van de vraag of de voordelen ontstaan uit de PSP- en de BCP-rechten dienen te worden uitgesloten van de grondslag voor de berekening van de eindheffing op grond van artikel 32bb Wet LB 1964 (tekst 2015). Belanghebbende meent dat deze voordelen dienen te worden behandeld als voordelen uit aandelenoptierechten, dan wel met aandelenopties gelijk te stellen rechten in de zin van artikel 10a, zesde lid Wet LB 1964. Wij lichten onze beroepsgronden hieronder nader toe.
2.1.2.
Primair: belanghebbende concludeert tot schending van het recht door een verkeerde uitleg van het hof van artikel 10a, zesde lid Wet LB 1964. Belanghebbende is van oordeel dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de PSP- en BCP-rechten die zijn toegekend aan [A] niet kwalificeren als aandelenoptierechten dan wel met aandelenoptierechten gelijk te stellen rechten in de zin van artikel 10a, zesde lid Wet LB 1964, omdat er in de voorliggende situatie geen sprake zou zijn van een keuzerecht in de vorm van een recht dat is afgeleid van een ander recht (een ‘recht op een recht’), dan wel omdat de voorbeelden van dergelijke ‘met een optierecht gelijk te stellen’ rechten die zijn genoemd in de parlementaire behandeling van artikel 10a, zesde lid van de Wet LB 1964 andere kenmerken zouden bezitten dan de PSP- of BCP-rechten die door [A] zijn verworven.
2.1.3.
Subsidiair: belanghebbende concludeert tot schending van het recht door een verkeerde en te beperkte uitleg van het hof van artikel 32bb, zesde lid Wet LB 1964. Belanghebbende is van oordeel dat het hof ten onrechte niet heeft onderkend dat de aandelenoptierechten volgens de teleologische interpretatie niet tot de grondslag van de vertrekvergoeding als bedoeld in artikel 32bb, eerste lid Wet LB 1964 behoren.
3. Toelichting bij de middelen
3.1.1.
Primair: [A] heeft in 2011, 2012 en 2013 (dus vóór t-1, dat is 2014) rechten toegekend gekregen onder het Performance Share Plan (PSP). Op grond van het Bonus Conversion Plan (BCP) zijn in het jaar 2011 BCP-rechten aan [A] toegekend, die na verloop van tijd recht gaven op een aantal bonusaandelen in de topvennootschap. Als betoogd, vallen deze rechten onder de letterlijke tekst van artikel 10a, zesde lid Wet LB 1964, dan wel zijn ze gelijk te stellen met de aandelenoptierechten in de zin van art. 10a, zesde lid Wet LB 1964.
3.1.2.
Het Hof oordeelt in de onderdelen 4.2 en 4.3 van zijn uitspraak dat de PSP- en BCP-rechten toegekend aan [A] niet kwalificeren als aandelenoptierechten in de zin van artikel 10a, zesde lid Wet LB 1964, omdat er in de voorliggende situatie geen sprake zou zijn van een keuze- recht in de vorm van een recht dat is afgeleid van een ander recht (een ‘recht op een recht’). Dat de tekst van artikel 10a, zesde lid Wet LB niet als voorwaarde stelt dat er sprake moet zijn van een uitoefenprijs en/of -periode, doet daar volgens het hof niet aan af. Belanghebbende concludeert tot schending van het recht door een verkeerde uitleg van het hof van artikel 10a, zesde lid Wet LB 1964.
3.1.3.
Volgens de fiscaalrechtelijke definitie van een aandelenoptierecht, zoals omschreven in artikel 10a, zesde lid. Wet LB, zijn het wilsrecht en de daaraan gekoppelde uitoefenprijs geen voorwaarden voor de kwalificatie als een aandelenoptierecht. Zo verweerder voor de civielrechtelijke uitleg gelijk mag hebben; fiscaal geldt de in artikel 10a, zesde lid Wet LB gegeven definitie:
‘Voor toepassing van dit artikel wordt onder een aandelenoptierecht verstaan een recht om een of meer aandelen of daarmee gelijk te stellen rechten te verwerven in de inhoudingsplichtige vennootschap of een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap, of een daarmee gelijk te stellen recht. ’
In artikel 10a, zesde lid Wet LB 1964 worden slechts enkele voorwaarden gesteld. De voorwaarden die worden gesteld, zijn (soortgelijke rechten uitgezonderd):
- •
Een recht: [A] heeft door toekenning van de aandelenoptierechten een recht ontvangen, namelijk een in zekere zin bepaald recht om op. een later tijdstip onder bepaalde voorwaarden een aandeel te verwerven. In deze procedure is niet in geschil dat inderdaad sprake is van een recht.
- •
Om een of meer aandelen: verwijzend naar het PSP gaat het om ‘The conditional legal ownership of a Share’ en verwijzend naar het BCP gaat het om ‘An ordinary share in the share capital of the Company’, waarmee ook aan deze voorwaarde is voldaan. Gezien het aantal aandelen dat [A] heeft ontvangen, gaat het in casu inderdaad om een of meer aandelen.
- •
Te verwerven: volgens Van Dales woordenboek betekent ‘verwerven’: ‘door arbeid of moeite verkrijgen’. Voorwaardelijk toegekende aandelenoptierechten vallen binnen deze definitie. Immers, ook daarmee verkrijgt een werknemer vanwege de arbeid die hij of zij in zijn of haar dienstbetrekking heeft verricht het recht om op termijn — in beginsel afhankelijk van het voortduren van de dienstbetrekking tot aan de vestingmomenten en de keuze van de werknemer om aan de gestelde voorwaarde te voldoen — aandelen in de inhoudingsplichtige vennootschap of in een met een inhoudingsplichtige verbonden vennootschap te verwerven. Op het moment van vesting gaat de gerechtigdheid tot de aandelen over van de werkgever naar de werknemer. Daarmee is eveneens gegeven dat de aandelen worden verworven door de werknemer.
- •
In de inhoudingsplichtige of daarmee verbonden vennootschap: de aandelenoptierechten geven recht op aandelen in de topvennootschap met een 100 % belang in belanghebbende.
3.1.4.
Aan alle voornoemde voorwaarden wordt voldaan. Belanghebbende is van mening dat bij een duidelijke definiëring in de wet de grammaticale interpretatie primair gevolgd moet worden. De onduidelijkheid over de kenmerken van een aandelenoptierecht zouden niet nadelig mogen uitwerken voor een belastingplichtige, met name niet als het gaat om een ruwe regeling zoals de heffing ingevolge artikel 32bb Wet LB 1964, waarin geen enkele tegenbewijsregeling is opgenomen.
3.1.5.
Over de keuze van belanghebbende om diens rechten uit te oefenen, merkt belanghebbende het volgende op. Ten eerste: Een keuze is geen voorwaarde die vermeld is in artikel 10a, zesde lid Wet LB 1964. Ten tweede: [A] had zowel bij de PSP- als bij de BCP-rechten de keuze om deze niet uit te oefenen door niet aan de gestelde voorwaarden te voldoen, dan wel de verstrekking van de aandelen niet te accepteren. Het accepteren van de levering kan gelijk worden gesteld met de rechtshandeling van uitoefening om het aandeel te verkrijgen.
Het begrip ‘verwerven’, zoals genoemd in artikel 10a, zesde lid Wet LB 1964, is bovendien synoniem aan het begrip ‘verkrijgen’. Het ‘verwerven’ dan wel ‘verkrijgen’ van een voorwaardelijke aandelenoptie vergt ook instemming met de levering (keuze).
3.1.6.
Hof Arnhem Leeuwarden heeft op 31 januari 20171. geoordeeld dat onder ‘uitoefenen’ als bedoeld in artikel 10a, zesde lid Wet LB 1964, in een geval als het onderhavige moet worden begrepen de situatie dat, bijvoorbeeld door het verlopen van de opschortingstermijn, de aandelen (gedeeltelijk) in de beschikkingsmacht van de werknemer komen. Of de aandelen, nadat de opschortende voorwaarden zijn uitgewerkt, daadwerkelijk op naam van de werknemer werden gesteld en de werknemer over de aandelen kon beschikken, was geheel afhankelijk van een door hem te ondernemen actie. Het was de Belastingdienst zelf die dit standpunt aandroeg in de betreffende zaak. Uit de bovenstaande passage volgt dat ook het laten verlopen van de opschortingstermijn als (de keuze tot) ‘uitoefenen’ dient te worden gezien.
De inspecteur stelde in casu dat er sprake was van een aandelenoptierecht of daarmee gelijk te stellen recht op het moment van uitoefening. Het Hof oordeelde dat de ‘share award’ diende te worden aangemerkt als een recht om, nadat aan de gestelde voorwaarden was voldaan, te kunnen beschikken over een vooraf bepaalde hoeveelheid aandelen, en kwalificeerde deze rechten als een met een aandelenoptierecht gelijk te stellen recht.
3.1.7.
Deelnemers aan de beide aandelenoptieplannen krijgen een voorwaardelijk recht om aandelen te verwerven in de topvennootschap op het moment van vesting. Dat de werknemer tot het moment van vesting geen aandelen heeft, onderstreept dit. Hij heeft enkel een voorwaardelijk recht (een optie) om deze te verwerven. Op het moment dat het recht wordt afgewikkeld, dient het gerealiseerde voordeel te worden belast. Dat is ook de achtergrond van artikel 10a Wet LB 1964.2.
3.1.8.
Het hof 's‑Hertogenbosch oordeelt in casu in onderdeel 4.2 van de uitspraak dat het standpunt dat [A] geen keuzerecht had, wordt bevestigd door het feit dat de PSP-rechten in 2015 op initiatief van de werkgever, zonder dat [A] daartoe zelfstandig had besloten, werden afgewikkeld in contanten. Naar de mening van belanghebbende kan uit deze manier van afwikkelen niet worden afgeleid dat [A] geen keuzerecht had. De wijze van afwikkelen vloeide in dit kader puur voort uit het feit dat de topvennootschap werd overgenomen, waardoor het keuzerecht van [A] werd beperkt. In veel beloningsplannen behoudt de uitvoerder zich het recht voor aandelenrechten in contanten af te wikkelen, bijvoorbeeld bij een aanstaande reorganisatie of overname.
3.1.9.
Het hof oordeelt in de onderdelen 4.2 en 4.3 van zijn uitspraak dat de PSP- en BCP-rechten als een voorwaardelijk eigendomsrecht van aandelen kunnen worden aangemerkt. Hof Amsterdam oordeelde echter op 18 april 2013 dat een voorwaardelijk recht op levering van aandelen, gelet op het doel en de strekking en de parlementaire geschiedenis, gelijk is te stellen met een aandelen- optierecht.3.
3.1.10.
Indien het oordeel van het hof dat er geen aandelenoptierecht is overeengekomen omdat er geen sprake is van een keuzerecht verband houdt met het feit dat er geen uitoefenprijs is overeengekomen, wil belanghebbende de Conclusie van A-G Niessen van 24 september 2013 benadrukken. Hieruit volgt dat een recht op aandelen zonder uitoefenprijs en een recht op aandelen met uitoefenprijs hetzelfde worden behandeld voor de toepassing van art 32bb Wet LB 1964.4. Uit de bovengenoemde uitspraak van het Hof Arnhem Leeuwarden van 31 januari 2017 volgt tevens dat de aanwezigheid van een uitoefenprijs voor de kwalificatie als aandelenoptierecht, ex artikel 10a, zesde lid, Wet LB 1964, irrelevant is. Belanghebbende betwist derhalve dat een uitoefenprijs een wezenlijk onderdeel van een aandelenoptierecht vormt.
3.1.11.
Hieronder hebben wij een aantal passages opgenomen uit de parlementaire behandeling waar de definitie van een aandelenoptierecht in de Wet LB 1964 aan de orde was. In geen van deze overwegingen is van belang of er sprake is van een uitoefenprijs. Wel blijkt duidelijk dat er andere criteria van belang zijn voor deze beoordeling (onderstreping aangebracht door belanghebbende). Wij verwijzen kortheidshalve tevens naar een andere parlementaire geschiedenis.5.
*
‘In het derde Hd van art. 10a is de definitie van een aandelenoptierecht opgenomen. Deze definitie geldt voor zowel kortlopende als langlopende aandelen optierechten. De definitie is, anders dan de tot dusver in art. 15 Uitvoeringsregeling LB 1990 opgenomen omschrijving, niet beperkt tot niet-beursgenoteerde aandelenoptierechten. Met betrekking tot de zinsnede ‘of een daarmee gelijk te stellen recht’, met andere woorden ‘met aandelenoptierechten gelijk te stellen rechten’, wordt bijvoorbeeld gedoeld op optierechten op certificaten van aandelen, optierechten op opties van aandelen of certificaten en conversierechten verbonden aan converteerbare obligaties. Eén en ander is in zekere zin abstract aangeduid omdat concrete aanduidingen in een innovatieve markt als de onderhavige hun actualiteit al zouden hebben verloren, voordat dit wetsvoorstel het Staatsblad zou bereiken. Een dergelijke benadering is eerder gekozen met betrekking tot tijdelijke genotsrechten. ’6.
•
‘De leden (…) vragen, mede in relatie tot het voorgaande, of het denkbaar is dat er optierechten worden ontwikkeld die in economische zin sterk lijken op aandelen. Al eerder heb ik mijn bewondering uitgesproken over de innovativiteit op de financiële markt. Vandaar dat de in het wetsvoorstel onaenomen definitie van aandelenoptierechten ruim is gedefinieerd.z’
De wetgever heeft erin willen voorzien dat er andere vormen van aandelengerelateerde beloningen zijn of worden ontwikkeld. De wetgever vond het wenselijk om dergelijke vergelijkbare rechten ook onder het fiscale regime van de aandelenopties te laten vallen.
Om dat te bereiken, heeft de wetgever bepaald dat in ruime zin ook gelijk te stellen rechten kwalificeren als aandelenoptierecht in de zin van artikel 10a, lid 6 Wet LB 1964. Uit de passages in de wetsgeschiedenis volgt ook dat er een ruime uitleg dient te worden gehanteerd, waarbij niet wordt gesteld dat andere rechten die met aandelenopties gelijk te stellen zijn dezelfde kenmerken dienen te hebben als de rechten genoemd in de voorbeelden.
3.1.12.
Uit de parlementaire geschiedenis waar de definitie van een aandelenoptierecht in de Wet LB 1964 aan de orde is geweest, blijkt bovendien dat andere rechten, zoals conversierechten, converteerbare obligaties, Stock Appreciation Rights, Warrants en Warrant leningen ook kwalificeren als aandelenoptierecht.7.8. Niet in alle gevallen is bij deze rechten sprake van een uitoefenprijs, waardoor de afwezigheid van een uitoefenprijs niet als generieke voorwaarde voor de kwalificatie van een aandelenoptierecht kan gelden. Vorenstaande wordt kracht bijgezet doordat de wetgever expliciet ook de zogenaamde ‘Stock appreciation right’ noemt. Een ‘Stock appreciation right’ geeft de deelnemer het recht op een vergoeding in geld ter hoogte van de waardestijging van een aantal aandelen over een bepaalde periode. Een dergelijk recht heeft geen uitoefenprijs, drempelwaarde of wilsrecht en valt wel onder de definitie van een aandelenoptierecht. Er bestaat in dat geval geen recht op het verwerven van aandelen. De rechten die hier in geschil zijn, liggen qua voorwaarden veel dichter bij een klassiek aandelenoptierecht en vallen dan ruimschoots binnen de definitie van een aandelenoptierecht. De overeenkomst is namelijk dat het een recht betreft om onder een bepaalde tijd en onder bepaalde voorwaarden een aandeel in de topvennootschap te verwerven. Bij een ‘Stock appreciation right’ is daar geen sprake van.
3.1.13.
Het hof heeft tevens geoordeeld dat de aandelenoptierechten niet kwalificeren als met aandelenoptierechten gelijk te stellen rechten in de zin van artikel 10a, zesde lid Wet LB 1964, omdat de voorbeelden van dergelijke ‘met een optierecht gelijk te stellen’ rechten die zijn genoemd in de parlementaire behandeling van artikel 10a, zesde lid Wet LB 1964 andere kenmerken bezitten dan de PSP- of BCP-rechten die door [A] zijn verworven. Moeilijk is voor te stellen dat de aandelenoptierechten zoals die zijn toegekend aan [A] niet zouden kwalificeren als met aandelenoptierechten gelijk te stellen rechten, terwijl bepaalde rechten die minder gemeenschappelijke kenmerken hebben dat wel doen.
3.1.14.
Nu de Hoge Raad op 23 december 20169. heeft geoordeeld dat aandelenoptierechten die zijn toegekend vóór het jaar t-1 volgens de wettekst (pre 2018) van de grondslag voor artikel 32bb Wet LB worden uitgezonderd (ook al worden de rechten onvoorwaardelijk in jaar t-1 of later), is er in casu geen reden om bij de toepassing van art. 32bb Wet LB onderscheid te maken tussen een aandelenoptierecht met uitoefeningshandeling, uitoefenperiode en uitoefeningsprijs enerzijds en een recht op gratis aandelen anderzijds, als beide rechten zijn toegekend vóór t-1.
Wij verwijzen naar de conclusie van A-G Van Ballegooijen bij HR 21 november 200810. waarin de A-G in onderdeel 3.3. van zijn conclusie concludeert dat een aan een werknemer toegekende ‘Discretionary Award’ met overeenkomstige voorwaarden als de aandelenopties in casu, letterlijk genomen onder artikel 10a, zesde lid Wet LB 1964 valt.
Voorwaarden van de ‘Discretionary Award’ zijn: het verstrijken van drie jaar na de toekennings- datum en het overdraagbaar worden van de certificaten of de omzetting van de certificaten in aandelen. Het recht vervalt bij beëindiging van de dienstbetrekking vóór de dag van vestiging.
3.1.15.
Ten slotte pleit belanghebbende bij de toepassing van artikel 32bb Wet LB voor een gelijke behandeling van het aandelenoptierecht en van het recht om een gratis aandeel te verwerven, conform de behandeling in artikel 10, lid 1, sub j Wet vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969), hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) en IFRS regelgeving.11.
3.1.16.
Resumerend concludeert belanghebbende dat de PSP- en BCP-rechten die zijn toegekend aan [A] kwalificeren als aandelenoptierechten, dan wel met aandelenoptierechten gelijk te stellen rechten in de zin van artikel 10a, zesde lid Wet LB 1964. Als gevolg daarvan vallen alle vóór 2014 toegekende aandelenoptierechten onder de reikwijdte van artikel 32bb, zesde lid Wet LB 1964 en dient het voordeel dat is behaald met de aandelenoptierechten niet te worden betrokken in de grondslag voor de berekening van de vertrekvergoeding als bedoeld in artikel 32bb, eerste lid Wet LB 1964. Aldus dient de naheffingsaanslag te worden verminderd.
3.2.1.
Subsidiair: het hof heeft het recht geschonden door artikel 32bb, zesde lid Wet LB 1964 te beperkt uit te leggen. Het hof heeft ten onrechte niet onderkend dat de aandelenoptierechten volgens de teleologische interpretatie niet tot de grondslag van de vertrekvergoeding als bedoeld in artikel 32bb, eerste lid Wet LB 1964 behoren.
Mocht uw College van mening zijn dat de aan [A] toegekende aandelenoptierechten niet kwalificeren als aandelenoptierechten of met aandelenoptierechten gelijk te stellen rechten in de zin van artikel 10a, zesde lid Wet LB 1964, dan is belanghebbende van mening dat doel en strekking van artikel 32bb, zesde lid Wet LB 1964 ertoe leiden dat de betreffende aandelenopties die zijn toegekend vóór 2014 niet tot de grondslag van de vertrekvergoeding behoren.
3.2.2.
De wetgever gaat ervan uit dat loon dat is toegekend vóór het jaar t-1 geen relatie meer heeft met de beëindiging van de dienstbetrekking. In de memorie van toelichting bij de wijziging van belastingheffing bij excessieve beloningsbestanddelen is hierover het volgende gesteld: ‘Bij het bepalen van de omvang van het als vertrekvergoeding in de zin van het vierde lid in aanmerking te nemen bedrag zou — voor zover niet anders bepaald — worden meegerekend hetgeen door de werknemer wordt genoten vanwege de uitoefening of vervreemding van aandelenoptierechten in het jaar van beëindiging van de dienstbetrekking (het jaar t) of in het aan dat jaar van beëindiging voorafgaande jaar (het jaar t-1). Dat wordt niet wenselijk geacht ingeval het aandelenoptierecht is overeengekomen in een eerder jaar dan het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking met die werknemer is beëindigd (het jaar t-1)’.12.
3.2.3.
Voorts is de keuze gemaakt om aandelenoptierechten die geen verband houden met het vertrek uit te zonderen van de grondslag. De reden dat de aandelenoptierechten worden uitgezonderd van de grondslag van de vertrekvergoeding is dat dit loon betreft dat geen verband houdt met de beëindiging van de dienstbetrekking.
Uit de parlementaire geschiedenis waarnaar hiervoor is verwezen, volgt dat in artikel 32bb, zesde lid Wet LB 1964 een uitzondering is gemaakt voor aandelenoptierechten, omdat dergelijke rechten in een eerder jaar zijn overeengekomen. In casu betreft het tevens aan aandelen gerelateerde rechten die in een eerder jaar zijn overeengekomen en waarbij het loon op een later tijdstip in aanmerking wordt genomen. Ook als dat latere tijdstip niet voortvloeit uit artikel 10a, zesde lid Wet LB 1964, maar uit de systematiek van de wet, geldt nog steeds de ratio achter artikel 32bb, zesde lid Wet LB 1964, namelijk dat een loonbestanddeel dat geen verband houdt met het ontslag, niet in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de vertrekvergoeding. De vorm van de aandelenbeloning en de vraag of er wel of geen uitoefeningsprijs, — periode of -handeling is, is hierbij niet relevant.
3.2.4.
Volledigheidshalve merken wij ook op dat het arrest van de Hoge Raad 20 juni 2014 ziet op een andere rechtsvraag. Volgens Hoge Raad 20 juni 201413. is een recht op aandelen niet vergelijkbaar met een optierecht, omdat beide een ander genietingsmoment hebben. De Hoge Raad vergelijkt een optierecht dat is toegekend en onvoorwaardelijk is geworden vóór t-1 met een recht op gratis aandelen dat in jaar t onvoorwaardelijk is geworden. De HR oordeelt dat beide niet vergelijkbaar zijn voor art 32bb Wet LB. Dit is te volgen vanuit de gedachte dat opties alleen zouden zijn uitgezonderd van de 32bb-grondslag als de rechten zouden zijn toegekend en gevest vóór t-1.
3.2.5.
Vervolgens oordeelt de Hoge Raad op 23 december 201614. dat optierechten die zijn toegekend vóór t-1 volgens de wettekst (pre 2018) van de 32bb grondslag worden uitgezonderd, ook al vindt de vesting plaats in t-1 of later. Dit strookt ook met de bedoeling van de wetgever: er is dan geen verband met het ontslag.
3.2.6.
Na Hoge Raad 23 december 2016 is duidelijk dat bij optierechten enkel de toekenningsdatum relevant is (bij toepassing van de wetgeving pre 2018). Er is dan geen enkele reden om bij de toepassing van artikel 32bb Wet LB 1064 onderscheid te maken tussen een aandelenoptierecht met uitoefeningshandeling, uitoefenperiode en uitoefeningsprijs enerzijds en een recht op gratis aandelen anderzijds, als beide rechten zijn toegekend vóór t-1. De redenering van de HR in het arrest van 20 juni 2014 is dan achterhaald.
3.2.7.
De excessieve vertrekvergoeding is in de wet opgenomen naar aanleiding van de ‘corporate governance code’, waarin werd gepleit voor het terugdringen van hoge ontslagvergoedingen. Tegen die achtergrond is het eveneens irrelevant of er wel of geen uitoefeningsprijs, -periode of -handeling is. Alleen van belang is of het voordeel geacht kan worden verband te houden met het ontslag. Dat wordt hier niet aangenomen, nu de rechten al lang voor het ontslag van [A] zijn toegekend.
3.2.8.
Resumerend concludeert belanghebbende dat de aandelenoptierechten volgens de teleologische interpretatie niet tot de grondslag van de vertrekvergoeding als bedoeld in artikel 32bb, eerste lid Wet LB 1964 behoren. Aldus dient de naheffingsaanslag te worden verminderd.
4. Conclusie
4.1.1.
De Hoge Raad heeft op 23 december 201615.geoordeeld dat aandelenoptierechten die zijn toegekend vóór het jaar t-1 volgens de wettekst (pre 2018) van de grondslag voor artikel 32bb Wet LB 1964 worden uitgezonderd, ook al worden de rechten onvoorwaardelijk in jaar t-1 of later. Per 1 januari 2018 is de wet aangepast. Volgens de huidige wettekst worden alleen aandelenoptierechten die onvoorwaardelijk zijn toegekend of geworden vóór het jaar t-1 uitgesloten van de grondslag voor de eindheffing. Ervan uitgaande dat een recht op een gratis aandeel normaliter op of rond de datum van vesting wordt afgewikkeld, behoort de discussie die hier aan de orde is vanaf januari 2018 tot het verleden.
Ondanks het gegeven dat het gevolg van dit arrest vanwege de veranderde regelgeving een relatief kleine invloed heeft, is het belang voor de rechtspraktijk — mede gezien enkele gelijkaardige procedures — groot.
4.1.2.
Verzoek: belanghebbende concludeert op basis van de in onderdeel 3 genoemde cassatiemiddelen tot een schending van het recht en verzoekt de Hoge Raad om inhoudelijk uitspraak te doen over de vorenstaande beroepsgronden. Nu de Hoge Raad op 24 mei 201916. geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de vraag of voor de toepassing van artikel 32bb Wet LB 1964 het recht om na verloop van tijd aandelen te verkrijgen is aan te merken als of gelijk is te stellen aan een aandelenoptierecht ex artikel 10a Wet LB, heeft de voorafgaande uitspraak van Hof Amsterdam van 14 juni 2018 geen precedentwerking17..
4.1.3.
Gelet op het aanzienlijke financiële gevolg voor [X] B.V. en op de robuustheid van de regeling waar de staatssecretaris op wijst, bepleit [X] B.V. om dicht bij wettekst (artikel 10a, zesde lid Wet LB 1964: recht om een aandeel te verwerven, of soortgelijk recht) en de strekking van de eindheffing (artikel 32bb, lid 6, Wet LB 1964, tekst 2013: vóór t-1 toegekende rechten houden geen verband met het ontslag) te blijven. Als uw college de mening van belanghebbende in de bovenstaande beroepsgronden deelt, dan pleit belanghebbende voor het buiten beschouwing laten bij de toepassing van artikel 32bb Wet LB van het voordeel dat ziet op de in 2011, 2012 en 2013 aan [A] toegekende rechten onder het ‘Performance Share Plan’ en de in 2011 toegekende BCP-rechten uit het Bonus Conversion Plan. Dit leidt tot een verlaging van de naheffingsaanslag.
4.1.4.
Belanghebbende verzoekt u dan ook om haar cassatieberoep gegrond te verklaren en de inspecteur met toepassing van art. 8:75 Awb te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met deze procedure en de daaraan voorafgaande instanties heeft moeten maken.
Hoogachtend,
[…]
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 27‑11‑2020
Hof Arnhem Leeuwarden 31 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:612.
MvT, Kamerstukken II 2004/05, 29 767, nr. 3, p. 26.
Hof Amsterdam 18 april 2013, V-N Vandaag 2013/1088.
Conclusie van A-G Niessen van 24 september 2013, ECLI:NL:PHR:2013:979.
MvA, Kamerstukken I 1997/98, 25 721, nr. 303b, p. 7-8; NV, Kamerstukken I 1997/98, 25 721, nr. 303d, p. 1; NV, Kamerstukken II 1997/98, 25 721, nr. 5, p. 18-19; Kamerstukken I 2008/09, 31 459, C, p. 15.
MvT, Kamerstukken II 1997/98, 25 721, nr. 3, p. 7–8.
MvA, Kamerstukken I 1997/98, 25 721, nr. 303b, p. 2.
NV, Kamerstukken II 1997/98, 25 721, nr. 5, p. 18–19, MvT, Kamerstukken II 1997/98, 25 721, nr. 3, p. 7–8 en NV, Kamerstukken I 1997/98, 25 721, nr. 303d, p. 1.
ECLI: NL: HR: 2016:2897.
A-G Van Ballegooijen bij HR 21 november 2008, nr. 07/11951, BNB 2009/8 (V-N 2008/56.23).
Zie de brief van belanghebbende van 6 december 2019 aan het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch.
ECLI:NL:HR: 2014:1463
ECLI:NL:HR: 2016:2897
HR 23 december 2016, ECU:NL:HR:2016:2897.
HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:794.
Hof Amsterdam van 14 juni 2018 ECLI:NL:GHAMS:2018:2441.