De fiscale gevolgen van samenwerking door non-profitorganisaties
Einde inhoudsopgave
De fiscale gevolgen van samenwerking door non-profitorganisaties (FM nr. 182) 2024/3.3.1:3.3.1 Samenwerkingsmotieven algemeen
De fiscale gevolgen van samenwerking door non-profitorganisaties (FM nr. 182) 2024/3.3.1
3.3.1 Samenwerkingsmotieven algemeen
Documentgegevens:
M.M.F.J. van Bakel, datum 15-06-2024
- Datum
15-06-2024
- Auteur
M.M.F.J. van Bakel
- JCDI
JCDI:ADS975652:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Koster 2016, p. 6.
Van Dam & Marcus 2002, p. 118.
Van Doesum 2009, p. 47.
Zie o.a. Van Duuren 2002, p. 1, Jurg 2002, p. 9-13 en p. 23-27, Van Doesum 2009, par. 8.4, Van Delden 2009, p. 34-36, Kramer 2014, p. 1, S.A. Stevens 2015a, par. 9.4.1, Pouwels & Koster 2017 en Staat van het Bestuur 2022, p. 82.
Koster 2016, p. 8.
Dyer & Singh 1998
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat non-profitorganisaties andere personen en organisaties opzoeken en gezamenlijke doelen proberen te realiseren, verwijst naar een specifieke vorm van gedrag binnen onze economie.1 De beslissing om een samenwerking aan te gaan is vaak van strategische aard.2 De gedachte hierbij is dat door samenwerking voordelen zijn te behalen die op individuele basis niet zijn te realiseren.3 Samenwerking is effectief wanneer de belangen van alle deelnemers op een zodanige manier samenkomen dat het voor iedereen gunstig is (wederzijds belang). Er zijn legio voordelen die deelnemers bij de vormgeving van een samenwerking voor ogen kunnen staan. Hieronder is een selectie gemaakt van motieven die in de literatuur4 zijn genoemd:
Verhogen van de kwaliteit;
Realiseren van schaalvoordelen;
Behalen van kostenbesparingen;
Efficiënter gebruik van middelen;
Effectievere aanpak van complexe problemen;
Spreiden van risico’s;
Verminderen van onzekerheid;
Delen en daarmee vergroten van kennis;
Aanloop naar een bestuurlijke of juridische fusie.
De veronderstelling is dat organisaties op één of meerdere van bovengenoemde gebieden voordeel kunnen halen uit hun relaties met andere organisaties. Dit zogenoemde ‘coöperatief voordeel’ is niet te reduceren tot een specifiek kenmerk van een organisatie, maar maakt onderdeel uit van de relaties die organisaties met elkaar hebben.5 Dyer en Singh spreken van een relational view en betogen dat vanuit deze benadering concurrentievoordelen niet binnen de organisatie liggen, maar primair zijn ingebed in de relaties en routines tussen verschillende organisaties.6