Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/4.3.1
4.3.1 De expliciete vermelding van doelstellingen in de totstandkomingsgeschiedenis van wetgeving
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS582696:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aan de twee, hieronder te bespreken, doelstellingen van het effectenrecht is in 2003 een derde doelstelling toegevoegd: de integriteit van de financiële sector. Hierover: Grundmannvan de Krol (2006a), p. 25-26. Zij verwijst naar de op 1 december 2003 in werking getreden Wet effectentypisch gedragstoezicht. Omdat 'bevorderen van de integriteit van de financiële sector' niet als afzonderlijke doelstelling moet worden gezien, maar onderdeel uitmaakt van (de bredere doelstelling) 'bevorderen van vertrouwen in de werking van de financiële markten', besteed ik hieraan geen verdere afzonderlijke aandacht. In dezelfde zin over de ondergeschiktheid van deze doelstelling: Van Dijk (2004), p. 14-15. Hij hier overigens aan toe, op p. 15, dat integriteit geen doel maar een middel is.
Kamerstukken II, 1988/1989, 21 038, nr. 3, p. 2. De als tweede genoemde doelstelling — de bescherming van de (potentiële) belegger en de handhaving van het vertrouwen van de beleggers in de kapitaalmarkt — was overigens ook reeds te vinden op p. 10 van de MvT bij de Weh (Kamerstukken II, 1984/1985, 18 750, nr. 3).
De aanloop naar de Wft is te vinden in verschillende publicaties van de Nederlandse regering. Van belang zijn met name de Nota 'Institutionele vormgeving van het toezicht op de financiële marktsector' en (uit 2001) de Nota 'Hervorming van het toezicht op de financiële marktsector'. Hierover, met verdere verwijzingen, Van Dijk (2004), p. 7-16 en Grundmann-van de Krol (2007a), p. 17-24.
Van Dijk (2004), p. 8 merkt terecht op dat alhoewel wordt gesproken over doelen van toezicht, en niet van regulering, daar waarschijnlijk geen diepere gedachte achter schuilt. Doelen van toezicht en regulering overlappen elkaar.
Hetgeen de reden is dat niet meer over 'effectenmarkten' wordt gesproken, maar over 'financiële markten'. Evenzo: Van Dijk (2004), p. 11.
In tegenstelling tot de vennootschapsrechtelijke wetgeving is in de totstandkomingsgeschiedenis van wet- en regelgeving op het terrein van het Nederlandse effectenrecht in veel grotere mate aandacht besteed aan de doelstellingen van de daarin opgenomen voorschriften. Een voorbeeld daarvan was reeds te vinden in de MvT bij de (eerste) Wet toezicht effectenverkeer. Daarin is beschreven dat met de in die wet opgenomen bepalingen, en het toezicht daarop, werd getracht twee1 doeleinden te dienen, die onderlinge samenhang vertonen. "In de eerste plaats wordt gestreefd naar een adequate functionering van de effectenmarkten. (...) Een bevordering van het vertrouwen van beleggers en spaarders in het financiële bestel vormt hiertoe een middel. (...) In de tweede plaats is er het streven beleggers en spaarders te beschermen tegen malafide aanbiedingen, onvoldoende informatie en ondeskundig optreden. De positie van de beleggers is hier dus als doel op zichzelf beschouwd."2
In de Wft en de totstandkoming sgeschiedenis3 daarvan lijken deze doelstellingen, gekoppeld aan het toezicht op de financiële markten4, terug te komen. Zo vermeldt artikel 1:25 Wft in dit verband dat het gedragstoezicht "is gericht op ordelijke en transparante financiëlemarktprocessen, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en zorgvuldige behandeling van cliënten." De afwijkende formulering van de doelstellingen van het "gedragstoezicht" wordt daarbij, in ieder geval gedeeltelijk, verklaard door het ruimere toepassingsbereik van de Wft dan slechts de regulering van het effectenverkeer.5