Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/5.1
5.1 Inleiding
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS494040:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
A. Buls, ‘Financiering en omzetting van coöperaties, enige fiscale aspecten’, WFR 1995, 53.
Zie punt 5 van de tabel in par. 1.4.
Zie L. Timmerman, ‘Verwikkelingen rond NV TESO’, TVVS 1994, 9, p. 239-240. Zie ook G.J.H. van der Sangen, ‘Texels Eigen Stoomboot Onderneming: omzetting van een naamloze vennootschap in een coöperatie’, S&V 1995, p. 135-142.
Zie het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 19 juli 2001, nr. CPP2001/287M, BNB 2001/411 waarin uitgebreid wordt ingegaan op de fiscale aspecten van de omzetting voor de voormalige leden.
Voor de goede orde: deze omzetting hield géén verband met de welbekende beursgang van OPG. Die vond namelijk reeds plaats op 29 oktober 1992. De fiscale gevolgen van de beursgang voor de leden zijn terug te vinden in het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 8 april 1997, nr. DB97/410, V-N 1997, p. 1786, punt 6.
De omzetting van een coöperatie in een BV en omgekeerd is minder ingrijpend dan de omzetting die in het vorige hoofdstuk centraal stond, te weten die van een stichting in een BV en omgekeerd. Dat geldt ook vanuit het perspectief van de bij deze omzettingsvormen betrokkenen, te weten de leden en aandeelhouders. Anders dan bij de omzetting van een BV in een stichting komt er bij de omzetting van een BV in een coöperatie voor het vervallen aandeelhouderschap van rechtswege iets in de plaats, namelijk het lidmaatschap (zie art. 2:181 lid 2 BW, waarover paragraaf 2.8.1). En bij de omzetting van een coöperatie in BV transformeert het lidmaatschap in beginsel in aandeelhouderschap (art. 2:183 lid 3 BW, waarover paragraaf 2.8.2). Het is dan ook niet verwonderlijk dat de wetgever bij de totstandkoming van art. 2:18 BW ervan uit is gegaan dat met name tot een omzetting van een BV in een coöperatie en omgekeerd zal worden overgegaan als het verschil tussen een aandeel en een lidmaatschap erg klein is (‘flinterdun’ in de woorden van de wetgever zie paragraaf 5.3.2.1 hierna).
Hoewel halverwege de jaren ’90 van de vorige eeuw in de literatuur erop werd gewezen dat het maatschappelijke belang van de omzettingsmogelijkheid van een coöperatie in een NV dan wel in een BV niet moest worden onderschat,1 moet inmiddels worden geconstateerd dat in de periode 2002-2006 een dergelijke omzetting slechts 32 keer voorkwam.2 Relatief is dat echter nog steeds veel omdat de omzetting van een coöperatie in een BV daarmee binnen de top vijf van de meest voorkomende omzettingen blijft. De omzetting in omgekeerde richting komt daarentegen bijna niet voor: de genoemde periode slechts drie keer. Wellicht houdt dit lage aantal verband met de categorische weigering van de Staatssecretaris van Financiën deze omzetting fiscaal te begeleiden vanwege het verloren gaan van de dividendbelastingclaim. De heffing van vennootschaps- en inkomstenbelasting is vaak prohibitief voor de omzetting van een BV in een coöperatie.3 Bovendien gaan eventuele resterende compensabele verliezen in de zin van art. 20 Wet VPB 1969 verloren. Een bekende omzetting, die naar verluidt om andere dan fiscale – maar mij niet bekende – redenen uiteindelijk niet is doorgegaan, is die van NV Texels Eigen Stoomboot Onderneming in een coöperatie.4 Een bekende omzetting in omgekeerde richting betreft die van Apothekers Coöperatie OPG UA in OPG groep NV.5 Deze omzetting heeft haar beslag gekregen op 10 januari 2001.6
In dit hoofdstuk bespreek ik de fiscale gevolgen van de omzetting van een coöperatie in een BV en omgekeerd. Bij de bespreking van de omzetting van een coöperatie in een BV in dit hoofdstuk grijp ik vaak terug op de gang van zaken bij de genoemde omzetting van Apothekers Coöperatie OPG UA, zoals die blijkt uit diverse beleidsbesluiten van de Staatssecretaris van Financiën alsmede enige rechtspraak. Omdat, zoals gezegd, de omzetting van een BV in een coöperatie fiscaal niet op de voet van art. 28a lid 3 Wet VPB 1969 door de Staatssecretaris van Financiën wordt begeleid, beperk ik mij bij de bespreking van de geruisloze variant van de omzettingen van dit hoofdstuk in paragraaf 5.4 tot de omzetting van een coöperatie in een BV, die wél fiscaal wordt begeleid.
De opbouw van het hoofdstuk is als volgt. De hoofdregelgevolgen van de omzetting van een coöperatie in een BV en omgekeerd bespreek ik in paragraaf 5.3. Daarbij maak ik een onderscheid tussen de gevolgen voor de rechtspersoon en de leden/aandeelhouders. In paragraaf 5.4 ga ik in op een fiscaal begeleide omzetting van een coöperatie in een BV. De weigering van de staatssecretaris om mee te werken aan een fiscaal begeleide omzetting van een BV in een coöperatie krijgt afzonderlijke aandacht in paragraaf 5.4.1. De gevolgen van beide omzettingen voor de heffing van schenkingsrecht, overdrachtsbelasting en dividendbelasting passeren in paragraaf 5.5 de revue. Ik sluit het hoofdstuk in paragraaf 5.6 af met een samenvatting en conclusies.