Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.8.9
1.8.9 De procesorde van Justinianus
mr. J.C.T.F. Lokin , datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS645002:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kaser, RIDA/1967, p. 267.
D. 6, 1, 68 (Ulpianus): “Qui restituere iussus iudici non paret contendens non posse restituere, si quidem habeat rem, manu militari officio iudicis ab eo possessio transfertur et fructuum dumtaxat omnisque causae nomine condemnatio fit. Si vero non potest restituere, si quidem dolo fecit quo minus possit, is, quantum adversarius in litem sine ulla taxatione in infinitum iuraverit, damnandus est. Si vero nec potest restituere nec dolo fecit quo minus possit, non pluris quam quanti res est, id est quanti adversarii interfuit, condemnandus est. Haec sententia generalis est et ad omnia, sive interdicta, sive actiones in rem sive in personam sunt, ex quibus arbitratu iudicis quid restituitur, locum habet” ; Nov. 18, 10 ; Kaser, RIDA/1967, p. 267.
Kaser, RIDA/1967, p. 268.
D. 10, 4, 5, 3 (Ulpianus).
D. 10, 4, 5, 5 (Ulpianus).
D. 10, 4, 9, 1 (Ulpianus).
D. 10, 4, 3, 10 (Ulpianus).
D. 10, 4, 18 (Ulpianus).
D. 10, 4, 19 (Paulus libro quarto epitomarum Alfeni): “Ad exhibendum possunt agere omnes quorum interest. Sed quidam consuluit, an possit efficere haec actio, ut rationes adversarii sibi exhiberentur, quas exhiberi magni eius interesset. Respondit non oportere ius civile calumniari neque verba captari, sed qua mente quid diceretur, animadvertere convenire. Nam illa ratione etiam studiosum alicuius doctrinae posse dicere sua interesse illos aut illos libros sibi exhiberi, quia, si essent exhiberi, cum eos legisset, doctior et melior futurus esset.”
In de tijd van keizer Justinianus was het formula-proces opgevolgd door een procesordening die bekend staat onder de naam cognitio extraordinaria ofwel de buitengewone procedure. Daarmee wilde men zeggen dat het niet het formula-proces betrof, dat wel werd aangeduid als “de gewone procedure”. De rechter was daarin een ambtenaar, een hoge magistraat die tevens met de uitvoerende macht was belast. Het proces was niet meer verdeeld in twee fasen, de praetor speelde geen rol meer en ook de litis contestatio behoorde tot de verleden tijd. Men hoefde dus niet meer bij elkaar te komen, zodat een veroordeling bij verstek mogelijk werd.1 De gehele procedure speelde zich voor dezelfde persoon af. Hoger beroep bij een “hogere” ambtenaar was mogelijk.
De actio ad exhibendum speelde echter in het Romeinse procesrecht ten tijde van Justinianus (527-565 na Chr.) nog wel degelijk een rol, zij het een andere dan in het formula-proces. Zij was niet meer nodig om de gedaagde te dwingen mee te werken aan het proces. De rechter kende het bezit van de zaak toe aan de eiser, ook als de gedaagde niet meewerkte. De Romeinse staat greep in als de gedaagde de zaak niet afstond. De zaak werd dan, desnoods met “politiedwang” (manu militari), bij de gedaagde weggenomen en aan de eiser gegeven (translatio possessionis).
Als iemand aan wie het bevel is gegeven tot afgifte niet aan de rechter gehoorzaamt, stellende dat hij de zaak niet kan afgeven, wordt hem het bezit, als hij de zaak toch zou hebben, krachtens het rechterlijk gezag met de sterke arm ontnomen en wordt het vonnis tegen hem beperkt tot alleen de vruchten en alle toebehoren. Maar als hij niet in staat is tot afgifte, moet hij, als hij opzettelijk heeft bewerkstelligd dat hij niet tot afgifte kan overgaan, worden veroordeeld tot het bedrag waarop de tegenpartij het procesobject onder ede heeft getaxeerd zonder enige beperking tot een maximum. Als hij echter de zaak niet kan afgeven en niet bedrieglijk heeft bewerkt dat hij dit niet meer kan, moet hij worden veroordeeld tot niet meer dan de waarde ervan, dat wil zeggen tot zoveel als deze de tegenpartij waard was. Deze uitspraak is algemeen en heeft betrekking op alles, of het nu interdicten, zakelijke of persoonlijke acties zijn op grond waarvan krachtens het oordeel van de rechter iets wordt afgegeven. 2
Ondanks het verlies van de voorbereidende functie3 bleef de actio ad exhibendum voor Justinianus belangrijk genoeg om er in de Digesten een titel aan te wijden. We hebben in de vorige paragrafen verschillende toepassingen besproken, die ook in de tijd van de cognitio extraordinaria nuttig/zinvol waren. Werd bijvoorbeeld iemand verhinderd zijn op het terrein van een ander liggende eigendommen weg te halen, dan kon hij de actie tot productie instellen. Lag er mest4 of puin5, waren uw eikels op de grond van de buurman gevallen of was uw hout op zijn akker gebracht,6 dan kon de actio ad exhibendum hulp bieden tegen de grondeigenaar die zich niet als bezitter opstelde en daardoor een verweer had tegen de revindicatie. De actie tot productie loste dan op in schadevergoeding. Ook in de gevallen waarin de gedaagde op arglistige wijze had bewerkstelligd dat hij het bezit van de zaak had verloren, deed de actie dienst als schadevergoedingsactie. Voorts werd de actie gebruikt om de gedaagde te dwingen een keuze te maken tussen twee of meer zaken, zodat de eiser wist welke zaak hij kon opeisen. Zo bijvoorbeeld in het geval de eiser de gedaagde wilde dwingen tot het maken van een keuze tussen twee slaven, zodat de eiser zijn recht op de slaaf die niet door de gedaagde gekozen werd geldend kon maken.7 Soms kon de schuldeiser, hoewel de schuldenaar zijn schulden had betaald en de panden had afgelost, belang hebben bij de bewijsstukken van de overeenkomst, zeker als ze onder een derde berustten. Hij kon die dan met de actie tot productie opeisen.8 Niet ongeestig is het geval waarin iemand aan de jurist Alfenus vroeg of hij de boekhouding van de tegenpartij kon opeisen met de actio ad exhibendum. Dat gaat te ver, was het antwoord. Volgens die redenering zou een student de studieboeken ter productie kunnen opeisen om ze te lezen en daardoor geleerder te worden.
“De actie tot productie kan worden ingesteld door allen in wier belang dit is. Nu vroeg iemand raad of met die actie bereikt zou kunnen worden dat hem de boekhouding van zijn tegenpartij, bij de overlegging waarvan hij groot belang had, zou worden geproduceerd. Het antwoord was: men behoort het ius civile niet chicaneus te gebruiken en geen letterknecht te zijn, maar het betaamt te letten op de bedoeling waarmee iets werd gezegd. Want volgens die redenering zou een student in de een of andere wetenschap kunnen beweren, dat het in zijn belang was, dat die of die boeken voor hem zouden worden geproduceerd, omdat hij, als ze waren overgelegd en hij ze zou hebben gelezen, een geleerder en beter toegerust man zou worden.”9
In één geval had de actio ad exhibendum een zakenrechtelijk gevolg en wel in het geval een zaak door verbinding een bestanddeel was geworden van een andere zaak. De revindicatie kon niet door de eigenaar ingesteld worden, aangezien hij met de revindicatie het bezit van zijn zaak vorderde. Zijn zaak bestond echter niet meer, want zij was een bestanddeel (geworden) van een andere zaak. Met de actie tot productie kon men in bepaalde gevallen vorderen dat een zaak werd losgemaakt, die verbonden was met een andere zaak (ad separandum). Terwijl de actio ad exhibendum in het oude Romeinse recht een zuiver procesrechtelijke rol vervulde, veranderde zij meer en meer in een materieelrechtelijke actie, waarbij inhoudelijk beoordeeld moest worden wanneer iemand afscheiding kon bewerkstelligen met de actie tot productie.
In de laatste twee paragrafen van dit hoofdstuk zullen wij ons concentreren op deze laatste functie van de actio ad exhibendum: het afscheiden van een bestanddeel van een zaak.