Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.III.B.2.b
b. Bestemming, (land)inrichting, beheer
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS474957:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een bespreking van de situatie met betrekking tot de WILG nader onderdeel 2.d hierna.
Zie A.M. Buis, W.H. de Vos, JA Zevenbergen, ‘De Landinrichtingswet bevat flexibele instrumenten voor de inrichting van het landelijk gebied’, p. 544. Zie tevens W. Brussaard, ‘Vijftig jaar ruimtelijke ordening en landbouw’, p. 635.
Zie omtrent (de werkzaamheden van) deze commissie nader hfdst. II, onderdelen A.4.C en B van deze grenspost.
Commissie Wilg, ‘Advies over de Wet Inrichting landelijk gebied (Wilg)’, p. 480.
Aldus Landbouwschap, Beleidsaspecten nieuwe wettelijke regeling landinrichting, p. 5 en 36.
Commissie Wilg, ‘Advies over de Wet Inrichting landelijk gebied (Wilg)’, p. 480.
Zie nader hfdst. 11, onderdeel A.4.C voor een bespreking van deze beide instrumenten.
Commissie Wilg, ‘Advies over de Wet Inrichting landelijk gebied (Wilg)’, p. 480.
Zie tevens Commissie Multifunctionaliteit Landinrichting, Perspectieven voor landinrichting, p. 34-35.
Aldus Landbouwschap, Beleidsaspecten nieuwe wettelijke regeling landinrichting, p. 5 en 37.
Nu de relatie tussen ruimtelijke ordening en landinrichting, na een evolutie in vier opeenvolgende wettelijke regelingen, 1 op hoofdlijnen duidelijk is, is het tijd om nader ‘in te zoomen’ op de juridische duiding van deze relatie. Daarbij komen onmiddellijk de termen ‘bestemming’, ‘inrichting’ en ‘beheer’ in beeld. Deze trias vormt de verbindende schakel tussen ruimtelijke ordening, landinrichting en beheer.2
Vertrekpunt binnen de ruimtelijke ordening is het begrip bestemming. De commissie Wilg3 omschrijft het begrip op de navolgende, kernachtige wijze:
“(…) het op basis van het publiekrecht aanwijzen van gebruiksdoelen voor onroerende zaken, grond en gebouwen."4
De publiekrechtelijke bestemming van onroerend goed is, tamelijk uitputtend, geregeld in de Wet op de ruimtelijke ordening en incidenteel in andere wetten, zoals de Monumentenwet, de Natuurbeschermingswet en de Luchtvaartwet.5
De volgende stap op de brug tussen ruimtelijke ordening en landinrichting wordt gevormd door het begrip ‘inrichting’. Het woord is wederom aan de commissie Wilg, die ons verder leidt van ‘bestemming’ naar (de nieuwe bestemming) ‘inrichting’:
“Een bepaalde bestemming vereist een bepaalde fysieke hoedanigheid. Om die te bereiken zullen vervolgens maatregelen en voorzieningen moeten worden getroffen".6
Met ‘maatregelen en voorzieningen’ wordt uiteraard gedoeld op inrichting. De (hoofdzakelijk publiekrechtelijke) inrichting wordt nagenoeg geheel aangetroffen in de WILG.
Bestemming en inrichting vormen, op deze wijze bezien, eikaars complement. Om een bepaald gebied beter geschikt te maken voor de huidige bestemming of het gebied in te richten voor een nieuwe vorm van gebruik, kan landinrichting, als verbijzondering van het begrip ‘inrichting’ worden ingezet. De door de wetgever ontworpen en in artikel 1 lid 1 WILG opgenomen definitie van het begrip ‘landinrichting’ beschrijft het op de volgende, treffende wijze:
“(…) maatregelen en voorzieningen gericht op de inrichting van het landelijke gebied met gebruikmaking van de bevoegdheden en instrumenten, bedoeld in de hoofdstukken 4 tot en met 9;"
Ook hier worden wederom de feitelijke ‘maatregelen en voorzieningen’ aangetroffen, maar ditmaal geflankeerd door de juridische landinrichtingsinstrumenten uit de WILG, herverkaveling en kavelruil.7 Op deze wijze zijn wij, bijkans ongemerkt, overgestapt vanuit de ruimtelijke ordening naar de landinrichting.
De samenhang wordt vervolmaakt door het begrip ‘beheer’, dat (logischerwijs) volgt na de bestemming en de inrichting. Voor een definitie van dit laatste begrip gaan wij andermaal te rade bij de commissie Wilg. Beheer kan volgens de commissie worden gekenmerkt als:
“(…) het gebruik van de onroerende zaken op een wijze dat zij blijvend aan hun bestemming voldoen." 8
Zonder deze laatste stap, een adequaat beheersregime, is een blijvende en bestendige relatie tussen ruimtelijke ordening en landinrichting niet verzekerd. Opvallend is dat noch in Landinrichtingswet, noch in de RCC, noch in de WILG (veel) aandacht besteed is aan het beheer als sluitstuk van bestemming en inrichting.9 Deze constatering staat niet op zichzelf: de publiekrechtelijke regeling van het beheer is in algemene zin zeer onvolledig en fragmentarisch geregeld. Zo worden onder meer in de Natuurschoonwet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet bepalingen omtrent beheer aangetroffen, zonder duidelijke relatie met de (oude) WRO.10