HR, 06-06-2025, nr. 23/00556
23/00556
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-06-2025
- Zaaknummer
23/00556
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:856, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑06‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2023:142
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑06‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑06‑2025
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2025060610
NDFR Nieuws 2025/943
FutD 2025-1166
NLF 2025/1203 met annotatie van Michiel Hennevelt
Uitspraak 06‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; art. 10, leden 2 en 8, Wet BPM 1992; taxatiemethode; referentievoertuig; “belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen”; vervallen van de opties ‘bijstelling marktsituatie’ en de ‘bijstelling dealersituatie’ in een koerslijst.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/00556
Datum 6 juni 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2023, nrs. BKN-ARN 21/00544 en BKN-ARN 21/005451., op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 19/6819) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
1.2
Belanghebbende heeft schriftelijk haar zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.De Staatssecretaris heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
1.3
Belanghebbende heeft op 20 februari 2025 verzocht om de Minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2. Beoordeling van de in het principale beroep in cassatie aangevoerde klachten
2.1
De klachten zijn gericht tegen het door het Hof – op de voet van artikel 10, lid 8, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2019; hierna: de Wet) –vastgestelde afschrijvingspercentage voor de door belanghebbende geregistreerde gebruikte personenauto. Volgens de klachten had het Hof bij de berekening van de in artikel 10, lid 8, van de Wet bedoelde som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 5, van de Wet, en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) op het tijdstip waarop het motorvoertuig voor het eerst in gebruik is genomen, niet moeten uitgaan van het bedrag aan bpm dat voor het zogenoemde referentievoertuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop dat referentievoertuig voor het eerst in gebruik werd genomen, maar van het bedrag aan bpm dat voor de geregistreerde personenauto verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop die personenauto voor het eerst in gebruik werd genomen.
2.2
De klachten slagen, gelet op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 3.2.2 tot en met 3.2.4 van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, en rechtsoverweging 3.3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1714.
3. Beoordeling van het in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middel
3.1
Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende bij gebruikmaking van de methode als omschreven in artikel 10, lid 8, van de Wet (de taxatiemethode) voor het vaststellen van de handelsinkoopwaarde van de te registreren personenauto in onbeschadigde staat, aanspraak kan maken op een tweetal waardeverminderende factoren die voorkomen in de door de Inspecteur overgelegde koerslijst van EurotaxGlass’s, te weten ‘marktsituatie’ en ‘marktsituatie handelaar’.
3.2
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverweging 3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:361. De Inspecteur was bij het doen van de uitspraak op bezwaar niet gehouden om de hiervoor in 3.1 bedoelde factoren ‘marktsituatie’ en ‘marktsituatie handelaar’ toe te passen en de naheffingsaanslag op die grond te verminderen.
4. Slotsom
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2 en 3.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
5. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
5.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 20 februari 2025 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
5.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 14 februari 2023. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert een overschrijding op van de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden.Omdat het financiële belang bij deze cassatieprocedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.2.
6. Proceskosten
Wat betreft het principale beroep in cassatie van belanghebbende zal de Staatssecretaris worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 23/00750 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.Wat betreft het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende een vergoeding moet worden toegekend voor de kosten van het geding voor het Hof en het geding voor de Rechtbank.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart de beide beroepen in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens voor zover daarbij de beslissing van de Rechtbank over de vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar is bevestigd,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 548 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 1.814, oftewel € 907, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑06‑2025
Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, rechtsoverweging 3.4.4.
Beroepschrift 06‑06‑2025
Incidenteel beroep in cassatie
Tevens stel ik hierbij incidenteel beroep in cassatie in met het navolgende cassatiemiddel:
Schending van het recht dan wel van verzuim van vormen, in het bijzonder van het bepaalde in artikel 10 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof in r.o. 4.10 heeft geoordeeld dat belanghebbende zonder daarvoor bewijs te hoeven leveren aanspraak kan maken op een tweetal in de Eurotax-koerslijst opgenomen bijstellingen, zulks in verband met het hiernavolgende ten onrechte dan wel op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
Om te beginnen merk ik op dat het incidenteel beroep in cassatie inhoudelijk gelijkenis vertoont met mijn voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie in de zaken die bij uw Raad aanhangig zijn gemaakt onder de rolnummers 22/04093 en 23/00750. Het middel omvat een rechts- annex motiveringsklacht. Zij hebben betrekking op r.o. 4.10 van de bestreden uitspraak, die luidt:
‘4.10.
Tot de factoren waarmee de koerslijst van Eurotaxglass's rekening houdt, behoort de ‘markt- en dealersituatie’. Bij toepassing van deze koerslijst mag met die waardeverminderende factoren rekening worden gehouden, hetgeen betekent dat een correctie in aanmerking wordt genomen. Belanghebbende hoeft geen verder bewijs te leveren dat in haar geval een nadere correctie op de volgens deze koerslijst vastgestelde waarde toegepast kan worden (vgl. HR 15 november 2019, ECL1:NL:HR:2019:1783). Tussen partijen is niet in geschil dat nu een correctie in aanmerking kan worden genomen, deze 15% van € 21.049, ofwel € 3.157, dient te bedragen.’
Met r.o. 4.10 van de bestreden uitspraak geeft het Hof naar ik meen blijk van de rechtsopvatting dat reeds het enkele beroep op de betreffende twee bijstellingen volstaat voor het in aanmerking nemen ervan. Die rechtsopvatting is mijn inziens niet juist. Uit Uw rechtspraak leid ik namelijk af dat een belastingplichtige, nadat hij aangifte heeft gedaan, zich gelet op het doel van artikel 110 VWEU kan beroepen op een verdergaande vermindering van de verschuldigde belasting, maar de bewijslast voor de vermindering wel op belanghebbende rust (vgl. r.o. 3.2.2 van het arrest BNB 2022/101), zodat de belastingplichtige wel aannemelijk zal moeten maken dat die vermindering — in casu de betreffende bijstellingen — in zijn geval ook daadwerkelijk van toepassing is (vgl. r.o. 3.2.4 van het arrest BNB 2022/101). Nu de Inspecteur belanghebbendes enkele aanspraak op de betreffende twee bijstellingen heeft betwist had belanghebbende moeten onderbouwen waarom die aanspraak in zijn geval desondanks terecht is.3. Hof Den Haag heeft in twee uitspraken op gelijke wijze geoordeeld.4.
Voorts miskent het Hof met zijn verwijzing naar het arrest van 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1783, BNB 2020/23 (hierna: het arrest BNB 2020/23) dat het in dat arrest ging om een situatie waarin de koerslijstmethode was toegepast. In die situatie behoeft toepasselijkheid van de bijstellingen gelet op r.o. 2.4.3 van het arrest BNB 2020/23 geen bewijs. In de voorliggende zaak is echter de taxatiemethode toegepast. Dat betekent dat het arrest BNB 2020/23 in zoverre toepassing mist en belanghebbende, anders dan het Hof oordeelt, bij betwisting door de Inspecteur wel bewijs dient te leveren van toepasselijkheid van de bijstellingen.
Verder is van belang dat belanghebbende uitsluitend de taxatiemethode heeft mogen gebruiken omdat het in casu om een voertuig gaat dat ‘als zodanig’ niet op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voorkomt (vgl. r.o. 4.2.3 van het arrest BNB 2022/101). Binnen deze taxatiemethode kan vervolgens gebruik worden gemaakt van een koerslijst om de handelsinkoopwaarde te bepalen (vgl. Hoge Raad 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.3). De door de Inspecteur ingeschakelde waarderingsdeskundige van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) heeft geen reden gezien op de gebruikte koerslijst de ‘bijstelling marktsituatie’ en ‘bijstelling dealersituatie’ in aanmerking te nemen. Evenmin heeft de door belanghebbende inschakelde waarderingsdeskundige hier een beroep op gedaan bij de bepaling van de handelsinkoopwaarde van het voertuig.
Bovendien kent de koerslijst van Eurotax thans niet meer de mogelijkheid genoemde correctiefactoren aan te brengen.5. Deze koerslijstprovider is zelf van mening dat dergelijke prijsverhogings- en prijsverlagingsfactoren niet meer relevant zijn voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde, reden waarom Hof Den Haag in zijn uitspraak van 15 december 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2605, overwoog dat thans niet meer van deze factoren kan worden uitgegaan zonder dat daarvoor een onderbouwing voor het individuele geval wordt gegeven.
Mocht al aan het in aanmerking nemen van enige bijstelling op grond van de ‘markt- en dealersituatie’ worden toegekomen, dan had het Hof onder de gegeven omstandigheden van belanghebbende bewijs dienen te verlangen in hoeverre de bijzondere situatie van de ‘markt- en dealersituatie’ aan de orde is en daarvan in dit concrete geval een waardeverminderende invloed uitgaat. Het Hof heeft dit miskend.
Op grond van het vorenstaande meen ik dat mijn incidenteel beroep in cassatie gegrond is.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 06‑06‑2025
Zie voor de betwisting door de Inspecteur onder meer blz. 3 van het proces-verbaal van het ter zitting verhandelde.
Zie Hof Den Haag 22 december 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2638, r.o. 5.4, tegen welke uitspraak de belanghebbende in die procedure beroep in cassatie heeft ingesteld onder rolnr. 22/00294, en Hof Den Haag 15 december 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2605, r.o. 5.9, tegen welke uitspraak de belanghebbende in die procedure beroep in cassatie heeft ingesteld onder rolnr. 23/00143.
De bijstellingen konden overigens zowel neerwaarts als opwaarts zijn (er was een range van — 15% tot + 15%).
Beroepschrift 06‑06‑2025
Onderwerp: Beroep in cassatie tegen de uitspraak van het gerechtshof Arnhem/Leeuwarden van 10-01-2023 met kenmerk BK-ARN 21/00544 en 21/00545
Geachte heer, mevrouw,
Bij deze stel ik mij als gemachtigde voor belanghebbende, [X] B.V., gevestigd te [Z], aan de [a-straat 1], en dien ik beroep in cassatie in tegen de in de aanhef genoemde uitspraak van het gerechtshof Arnhem/Leeuwarden, waarvan u een kopie aantreft in bijlage 1.
1. Feiten en procesverloop
Op 21-11-2018 deed belanghebbende aangifte ter registratie in het kentekenregister van de onderstaande auto:
Merk: Kia
Type: Sportage
VIN: [0001]
Belanghebbende deed aangifte met gebruikmaking van een taxatierapport, opgesteld door de firma [A].
In opdracht van de inspecteur werd een hertaxatie verricht door de Dienst Domeinen.
Bij besluit van 28-06-2019 legde de inspecteur de naheffingsaanslag op.
Bij brief van 01-08-2019 diende ik bezwaar in.
Op 06-11-2019 vond een hoorgesprek plaats te Doetinchem.
Bij besluit van 14-11-2019 verklaarde de inspecteur het bezwaar deels gegrond.
Bij brief van 25-11-2019 diende ik beroep in.
Op 24-02-2021 vond de mondelinge behandeling ter zitting plaats.
Bij uitspraak van 13-04-2021 verklaarde de rechtbank het beroep deels gegrond.
De inspecteur en ik diende beide hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank.
Op 02-11-2022 vond de mondelinge behandeling ter zitting plaats.
Bij uitspraak van 10-01-2023 verklaarde het gerechtshof mijn hoger beroep ongegrond en het hoger beroep van de inspecteur gegrond.
2. Geschil
In geschil zijn de volgende onderwerpen:
- 1.
Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
- 2.
Tot welk bedrag dient de nieuwprijs te worden vastgesteld voor het vaststellen van het afschrijvingspercentage?
3. Overwegingen
3.1. De in aanmerking te nemen nieuwprijs voor de berekening van het afschrijvingspercentage
Bij het opleggen van de naheffingsaanslag stelde de inspecteur de netto catalogusprijs vast op € 19.059, de Bruto BPM op € 11.219 en de nieuwprijs op € 32.220. Ik stel vast dat deze nieuwprijs te laag is en niet in overeenstemming is met de netto catalogusprijs en Bruto BPM.
De wijze waarop de historische nieuwprijs wordt berekend, staat in artikel 10, tweede lid, Wet BPM:
‘De vermindering, bedoeld in het eerste lid, is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vierde lid, en de belasting van personenauto's en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen.’
Uitgaande van deze wettelijke definitie komt de nieuwprijs op € 34.280:
Netto catalogusprijs (zie Dienst Domeinen): | €19.059 |
BTW 21%: | € 4.002 |
Historische Bruto BPM: | € 11.219 |
Historische nieuwprijs: | € 34.280 |
Bij arrest van 19-10-2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0567, heeft de Hoge Raad bevestigd dat de bovenstaande berekening juist is. Het andersluidende oordeel van het gerechtshof getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting.
In de Leidraad BPM 2006 Besluit van 12-09-2006, nr. C PP 2006/1980M, Staatscourant 22-09-2006, nr. 185, p. 26) staat heel mooi schematisch weergegeven hoe de nieuwprijs moet worden berekend:

Bij arrest van 16-10-2020, ECLI:NL:HR:2020:1528, r.o. 2.4.1. heeft de Hoge Raad deze berekeningsmethode wederom bevestigd:
‘Indien de personenauto ten tijde van het belastbare feit eerder gebruikt is geweest, wordt het bij die personenauto behorende bedrag aan bpm, dat op de voet van artikel 9, lid 1, van de Wet is bepaald op basis van de mate van C02-uitstoot, berekend met inachtneming van een vermindering (artikel 10, lid 1, van de Wet). Die vermindering is de afschrijving. Deze afschrijving wordt uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet, en de bpm op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen (artikel 10, lid 2, van de Wet).’
En zie ook de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 09-03-2021, nrs. BRE 18/803 en 18/7731 tot en met 18/7736, r.o. 2.28:
‘De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 9, derde en vierde lid van de Wet BPM de historische nieuwprijs wordt gevormd door de som van de netto catalogusprijs te vermeerderen met BTW en BPM. De aldus berekende historische nieuwprijs wordt ingevolge artikel 10, eerste, tweede en zevende lid van de Wet BPM gebruikt ter bepaling van de vermindering van de verschuldigde BPM bij een gebruikte personenauto. Uit het zevende lid van artikel 10, Wet BPM blijkt tevens dat bij de berekening van die vermindering een koerslijst slechts dient om de handelsinkoopwaarde te bepalen en niet ter vaststelling van de historische nieuwprijs. Gelet hierop is met betrekking tot dit punt het gelijk aan belanghebbende.’
Zie ook de uitspraak van het gerechtshof Arnhem/Leeuwarden van 30-11-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11114, r.o. 4.1 ev.
‘4.1.
Op grond van artikel 1 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) wordt — voor zover hier van belang — voor een personenauto BPM verschuldigd terzake van de registratie ervan in het Nederlandse kentekenregister. Indien de personenauto ten tijde van het belastbare feit eerder in gebruik is geweest, wordt het bij die personenauto behorende bedrag aan BPM berekend met inachtneming van een vermindering (artikel 10, lid 1, van de Wet). Die vermindering is de afschrijving. Deze afschrijving wordt uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 5 (tekst 2018), van de Wet, en de BPM op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen (artikel 10, lid 2, van de Wet). Ingevolge artikel 9, lid 5, van de Wet moet onder catalogusprijs worden verstaan de in Nederland door de fabrikant of importeur publiekelijk kenbaar gemaakte prijs welke naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen en is de BPM zelf niet in deze geadviseerde verkoopprijs begrepen. Indien een zodanige prijs ontbreekt, wordt de catalogusprijs, op grond van de slotzin van artikel 9, lid 5, door vergelijking bepaald. Op grond van artikel 9, lid 4 van de Wet wordt onder netto catalogusprijs verstaan de catalogusprijs verminderd met de daarin begrepen omzetbelasting.
4.2.
Blijkens voormeld wettelijk kader wordt de vermindering afgezet tegen het totaalbedrag van de netto catalogusprijs, de BTW en de BPM van de betreffende auto. Geen van die componenten is in geschil. De Rechtbank heeft de vermindering derhalve terecht afgezet tegen een historische nieuwprijs van € 72.562. Het standpunt van de Inspecteur, dat het afschrijvingspercentage gelijkgesteld moet worden aan dat van het referentievoertuig en dat om die reden de lagere historische nieuwprijs van de uitvoering die op de Nederlandse markt is gebracht (met een C02-uitstoot van 161 g/km) tot uitgangspunt moet worden genomen, kan niet worden gevolgd. Hoewel de werkelijke vermindering op die manier mogelijk nauwkeurig wordt benaderd, staat het bepaalde in artikel 10, lid 2 van de Wet aan de door de Inspecteur bepleite benadering in de weg, nu de door de Inspecteur bepleite afschrijvingsbasis niet aansluit bij de, niet in geschil zijnde netto catalogusprijs van de betreffende auto verhoogd met de eveneens niet in geschil zijnde bedragen aan BTW en BPM.’
In gelijke zin oordeelde het gerechtshof Den Haag bij uitspraak van 22-12-2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2567.
Door in casu anders te oordelen, heeft het gerechtshof het recht geschonden.
De reden waarom de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag de nieuwprijs lager vaststelt is de volgende. Bij de verlaging van de nieuwprijs tot € 32.220 gaat de inspecteur uit van een lagere Bruto BPM (€ 9.158), vastgesteld op basis van een C02-uitstoot van 147 gr/km (NEDC1). Maar bij het opleggen van de naheffingsaanslag stelt de inspecteur de Bruto BPM vast op € 11.219, vastgesteld op basis van een C02-uitstoot van 156 gr/km (NEDC1).
Ik hecht eraan te benadrukken dat de inspecteur dus het ‘best-of-both-worlds-scenario’ toepast door enerzijds de nieuwprijs vast te stellen met gebruikmaking van een lage C02-uitstoot, maar anderzijds de Bruto BPM hoog vaststelt door gebruik te maken van een hogere C02-uitstoot. Hierdoor wordt de Bruto BPM kunstmatig verhoogd, en tegelijkertijd de nieuwprijs kunstmatig verlaagd.
De voor belanghebbendes auto verschuldigde BPM daalt in gelijke mate als de BPM die nog rust in de restwaarde van het referentievoertuig. Dat is in dit geval een voertuig met een C02-uitstsoot van 156 gr/km en een bijbehorende Bruto BPM van € 11.219 Daarvan rijden er in Nederland tenminste 3 rond:
Datum eerste toelating | 16-04-2017- 16-04-2019 | |
Merk / Handelsbenaming | KIA | SPORTAGE |
Type / Variant | QLE | F5P21 |
Cilinderinhoud / Aantal | 1591 cc | 4 cilinders |
Massa rijklaar / C02 uitstoot | 1454 kg | 156 g/km |
Herrekende Bruto BPM RDW kentekenregister* | €1 | |
REFERENTIE VOERTUIGEN
H.O.A.* | Betaalde BPM | Her. Bruto BPM | Nieuwprijs | C02 WLTP | C02 NEDC | |
|---|---|---|---|---|---|---|
[kenteken 1] | €14000 | €4824 | €11219 | €32556 | 156 g/km | |
[kenteken 2] | €15100 | €4827 | €10609 | €33245 | 156 g/km | |
[kenteken 3] | €16300 | €5590 | €11219 | €32672 | 156 g/km |
In rechtsoverweging 4.5. overweegt het gerechtshof dat voor het berekenen van het afschrijvingspercentage als bedoeld in artikel 10, achtste lid, Wet BPM, zowel de catalogusprijs als de handelsinkoopwaarde betrekking moet hebben op dezelfde referentieauto. Het hof verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 20-05-2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.3.4.
In de catalogusprijs is de BPM evenwel niet inbegrepen1.. Dit betekent dus dat de afschrijving moet worden bepaald aan de hand van de daadwerkelijke C02-uitstoot en het daarbij horende Bruto BPM, en dus niet zoals het gerechtshof betoogt een fictieve C02-uitstoot en het daarbij horende bruto BPM. Dit standpunt getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Het gerechtshof is van mening dat omdat de inkoopwaarde is vastgesteld met behulp van een koerslijst, voor het berekenen van de afschrijving de historische nieuwprijs ook uit die koerslijst moet volgen. Dit is naar mijn mening niet juist. De koerslijst dient ter bepaling van de inkoopwaarde. Het is een toerslijst. Het is geen restwaardepercentagelijst. Artikel 10, tweede lid, Wet BPM bepaalt hoe de nieuwprijs moet worden vastgesteld; hierin is geen rol weggelegd voor de koerslijst. Dit volgt ook niet uit de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van dit artikel.
Het standpunt van de inspecteur komt niet alleen in strijd met de Wet, maar ook met artikel 110 VWEU. De inspecteur bouwt zijn historische nieuwprijs op met een Bruto BPM van € 9.158, terwijl hij bij het opleggen van de naheffingsaanslag een Bruto BPM van € 11.219 toepast. Het verschil bedraagt € 2.061. Over dit bedrag past de inspecteur wel een afschrijving toe, maar die baseert hij op een historische nieuwprijs van een andere auto, waarin deze BPM-component van € 2.061 niet is inbegrepen. Dat betekent dat over het BPM bedrag van € 2.061 een lagere afschrijving wordt toegepast dan de werkelijke afschrijving die voor die auto van toepassing is. Daarmee wordt meer BPM geheven in relatie tot het bedrag aan BPM dat nog rust in de restaarde van het referentievoertuig.
Tenslotte nog het volgende. De inspecteur verdedigt een lage nieuwprijs voor de bepaling van de afschrijving. Maar voor wat betreft de fiscale bijtelling is hij van mening dat de nieuwprijs wel moet worden vastgesteld op de door mij verdedigde getallen. Hoe kan dat worden verklaard?
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat er 2 nieuwprijsbegrippen zijn. De eerste nieuwprijs is voor de berekening van de afschrijving van de BPM. Dit is de lage nieuwprijs, gebaseerd op de lage C02-uitstoot van andere dan referentievoertuigen. De tweede nieuwprijs is voor de berekening van de bijtelling voor de inkomstenbelasting (de PGA-waarde2.). Dit is de hoge nieuwprijs, berekend op basis van de hogere C02-uitstoot van de ingevoerde auto.
Het 2-nieuwprijzen-stelel wordt als volgt omschreven:3.
‘Catalogusprijs privégebruik auto
Uit het buitenland geïmporteerde auto's kunnen zowel door autohandelaren en particulieren als door officiële importeurs worden geregistreerd in het kentekenregister van de Rijksdienst Wegverkeer (RDW).
Als een auto wordt geïmporteerd door autohandelaren ofparticulieren berekent de Belastingdienst de catalogusprijs privégebruik auto op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 en geeft die door aan de RDW. Als een auto wordt geïmporteerd door een officiële importeur en gebruik wordt gemaakt van de ‘regeling versnelde inschrijving’ wordt bij de berekening van de catalogusprijs rekening gehouden met Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen. De catalogusprijs wordt in die situatie lager vastgesteld maar wel conform de Wet op de loonbelasting 1964. Het op verschillende manieren vaststellen van de catalogusprijs kan tot gevolg hebben dat twee exact dezelfde geïmporteerde auto's een verschillende catalogusprijs privégebruik auto hebben. Een afwijkende, lagere vaststelling van de catalogusprijs doet zich ook voor bij de individuele import van gebruikte auto's. Indien voor dit soort auto's aangifte bpm wordt gedaan, wordt in veel gevallen een historisch bpm-tarief toegepast. Dit is gunstig voor een importeur, omdat het bpm-tariefjaarlijks pleegt te stijgen. Dit heeft tot gevolg dat de Belastingdienst in die situatie de catalogusprijs lager vaststelt, maar wel conform de Wet op de loonbelasting 1964.’
Ik ben van mening dat er maar één nieuwprijs kan bestaan die op één manier kan worden vastgesteld. Het andersluidende standpunt van de inspecteur getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Door anders te oordelen, heeft het gerechtshof het recht geschonden. Het gerechtshof heeft een cijfermatige opstelling gemaakt. Daaruit blijkt in één oogopslag de gemaakte fout:
Netto catalogusprijs | € 19.059 | Hier maakt het hof de fout. Bij de opbouw van de nieuwprijs moet worden gerekend met een Bruto BPM van €11.219 (156 gr/km, tarief 2018). |
Plus: omzetbelasting | + €4.003 | |
= Catalogusprijs | € 23.062 | |
Plus: historische BPM op basis van koerslijst, uitgaande van een C02-uitstoot | + € 9158 | |
i van 147 grani/km = Consumentenprijs historische nieuwprijs) | € 32.230 | |
Handelsinkoopu aarde (onbeschadigd) (koersliist Eurotaxglass's) | € 21.049 | |
Minus: Korting ‘markt- en dealersitualie’ (-/- 15%) | -/- € 3.137 | |
Minus: Schade (87% van € 9.082) | -/- € 7.901 | |
Handelsinkoopwaarde (beschadigd) | € 9.990 | |
Afschrijving | 68,99% | |
Historische BPM, uitgaande van een C02-uitstoot van 156 gram km | € 11.219 | |
Afschrijving (68,99%) | -/- € 7.740 | |
Verschuldigde BPM | € 3.479 | |
Extra leeftijdskorting (1,834% van € 6.085) | -/- € 112 | |
Door belanghebbende is betaald op aangifte | -/- € 1.995 | |
Naheffingsaanslag | € 1.372 |
Uitgaande van de juiste historische nieuwprijs van € 34.280 en voor het overige alle parameters van het gerechtshof (zoals de inkoopwaarde en de extra leeftijdskorting), komt de verschuldigde BPM op € 3.170 en dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 1.175:
Berekening conform gerechtshof, maar dan metjuiste nieuwprijs van € 34.280 | ||
|---|---|---|
Meldcode | 5141 | |
Datum eerste toelating | 16-04-18 | |
Datum registratie | 29-12-18 | |
Betaalde BPM op aangifte | € | 1.995,00 |
Datum aangifte | 21-11-18 | |
Tijdverloop D.E.T en datum aangifte | 7 | |
Tabelkorting d.d. aangifte/melding | 0,2575 | |
Tijdverloop D.E.T. en datum afgifte deel II | 8 | |
Tabelkorting d.d. registratie | 0,28 | |
Historische nieuwprijs | € | 34.280,00 |
Bruto BPM | € | 11.219,00 |
Handelswaarde | € | 9.990,00 |
Rest BPM d.d. aangifte | € | 3.269,48 |
Verschuldigde tabel BPM datum aangifte | € | 8.330,11 |
Herrekende Bruto BPM | € | 4.403,34 |
Verschuldigde BPM | € | 3.170,41 |
Bedrag naheffing na hof | € | 1.372,00 |
Naheffing moet zijn | € | 1.175,41 |
Vermindering naheffing met | € | 196,59 |
4. Conclusie
Op grond van het voorgaande verzoek ik uw college, namens belanghebbende:
- —
Dit beroep in cassatie gegrond te verklaren;
- —
De uitspraak van de rechtbank partieel te vernietigen, behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht;
- —
De uitspraak van het gerechtshof te vernietigen;
- —
De naheffingsaanslag vast te stellen op € 1.175;
- —
De staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten in de hoger beroeps- en cassatiefase.
Hoogachtend,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 06‑06‑2025
De catalogusprijs is de netto catalogusprijs (ook wel ‘blikprijs’) vermeerderd met daarover verschuldigde omzetbelasting.
Privégebruikauto.
Stand van de uitvoering, rapport 2021, geschreven door Peter Smink, Directeur-generaal Belastingdienst. Zie https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2022/01/31/stand-van-de-uitvoering-van-debelastingdienst- 2021/stand-van-d e-uitvoering-van-de-belastingdienst-v10.pdf