Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.3.4
11.3.4 Geen aanspraak op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491586:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 31 t/m 35 Bvdb 2001 (tekst 2011).
Als gevolg van de invoering van de objectvrijstelling worden vanaf 2012 geen nieuwe doorschuifaanspraken opgebouwd.
In de door Nederland afgesloten belastingverdragen wordt dubbele belasting ten aanzien van passieve inkomsten, zoals dividenden, interest en royalty’s, voorkomen via de techniek van de belastingverrekening. Hoewel deze verrekening in sommige bilaterale belastingverdragen zelfstandig is geregeld, wordt meestal verwezen naar de nationale regels. Het gaat in dit geval over de verrekening als bedoeld in de artikelen 36, 36a, 36b Bvdb 2001. Ik beperk mij tot art. 36 Bvdb 2001.
De eerste limiet is het bedrag van de in het betreffende jaar vanwege het andere land geheven belasting (art. 36, lid 2, onderdeel a, Bvdb 2001). Voor de berekening van de tweede limiet dient het bedrag aan dividenden, interest en royalty’s eerst te worden verminderd met de daarmee verband houdende kosten. De uitkomst daarvan wordt vermenigvuldigd met het hoogste vennootschapsbelastingtarief (art. 36, lid 2, onderdeel b jo. lid 4, Bvdb 2001). De derde limiet houdt in dat de verrekening ten hoogste gelijk is aan de verschuldigde vennootschapsbelasting (art. 36, lid 6, Bvdb 2001).
Dat is het geval als de tweede of derde limiet een lagere uitkomst oplevert dan het bedrag van de eerste limiet.
Vgl. ook Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 3, p. 70.
De bedoelde standaardvoorwaarden worden geanalyseerd in de onderdelen 11.4.4.14 (zuivere splitsing) en 11.4.5.14 (afsplitsing). Op die plaatsen wordt ook ingegaan op de vraag of (de tekst van) de betreffende standaardvoorwaarden goed aansluiten op de achterliggende doelstelling.
De aanpassing is dan niet nodig. Zie onderdeel 12.3.
Tot 2012 verminderden buitenlandse ondernemingsverliezen in een jaar de Nederlandse belastbare grondslag. Indien de belastingplichtige in daaropvolgende jaren winsten realiseerde met de buitenlandse onderneming, werd pas belastingvrijstelling verleend nadat de verliezen uit eerdere jaren (inhaalverliezen) waren ingehaald. Door de invoering van de objectvrijstelling in 2012 is dergelijke verliesimport niet langer mogelijk. Art. 33b Wet VPB 1969 bevat overgangsrecht.
Zie Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 3, p. 12.
Zie bijvoorbeeld Halma, NDFR Deel VPB, commentaar op art. 14a, onderdeel 4.3 (bijgewerkt 17-5-2021) en Simonis & Van der Velden in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 13.5.1.2, p. 362. Dit is ook de beleidsopvatting van de staatssecretaris. Zie Beleidsbesluit NLF 2021/1058, onderdeel 6 (afsplitsing) en Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 6 (zuivere splitsing). Verder kan worden gewezen op art. 17 Besluit fiscale eenheid 2003 over de zuivere splitsing binnen fiscale eenheid. Aan die regeling is (ook) een fiscale indeplaatstreding gekoppeld (art. 17, lid 5, Besluit fiscale eenheid 2003). In de toelichting op die bepaling is opgemerkt dat de verkrijgers in de plaats treden van de splitser met betrekking tot de toepassing van de regeling ter voorkoming van dubbele belasting. Zie het Besluit van 17 december 2002, Stb. 2002, 646, p. 35.
Beleidsbesluit NLF 2021/1058, onderdeel 6 (afsplitsing) en Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 6 (zuivere splitsing).
Met de term onderneming bedoel ik de vermogensbestanddelen en eventueel daarbij behorende activiteiten van de betreffende rechtspersoon.
Zie over dat vereiste onderdeel 11.3.10.
Zie Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 3, p. 70.
Deze aanpassing kan achterwege blijven als de wetgever voor een andere wetssystematiek kiest. Zie onderdeel 12.3.
Ik kom hier nog op terug bij de behandeling van de fiscale indeplaatstreding in onderdeel 11.3.11.5.
Onder ‘aanspraken op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten’ dient naar mijn mening concreet het volgende te worden verstaan:
Doorschuifaanspraken in de zin van art. 34 Bvdb 2001. Vóór de invoering van de objectvrijstelling in art. 15e Wet VPB 1969 per 1 januari 2012, maakten buitenlandse ondernemingswinsten van binnenlands belastingplichtige lichamen deel uit van hun wereldwinst, waarna dubbele belasting werd voorkomen door middel van een belastingvrijstelling.1 Het was mogelijk dat een deel van de vrij te stellen buitenlandse winst in een jaar niet daadwerkelijk een vermindering opleverde. Het niet-benutte deel werd dan doorgeschoven naar het volgende jaar. De belastingplichtige beschikte in dergelijke situaties over een doorschuifaanspraak.2 In art. 34 Bvdb 2001 is een overgangsregeling opgenomen op basis waarvan belastingplichtigen hun per ultimo 2011 niet-benutte doorschuifaanspraken ook na 1 januari 2012 kunnen verzilveren.
Voortwentelingsaanspraken in verband met de verrekening van buitenlandse bronbelasting op dividenden, interest en royalty’s.3 Het bedrag aan verrekening wordt berekend met inachtneming van drie limieten.4 Dat kan tot gevolg hebben dat een deel van de buitenlandse bronbelasting in een jaar onverrekend blijft.5 In zo’n geval heeft de belastingplichtige een voortwentelingsaanspraak als bedoeld in art. 37 Bvdb 2001.
In het geval van een zuivere splitsing kan de wettelijke doorschuifregeling alleen worden toegepast indien bij geen van de splitsingspartners een hiervoor genoemde fiscale aanspraak aanwezig is. Bij een afsplitsing wordt slechts geëist dat zo’n aanspraak niet bestaat bij de verkrijger(s). Wordt niet voldaan aan dit vereiste, dan is een fiscaal gefaciliteerde splitsing slechts mogelijk op verzoek. Dat opent de mogelijkheid een standaardvoorwaarde op te leggen waarmee wordt verhinderd dat de verrekeningsmogelijkheden van bedoelde aanspraken worden uitgebreid.6
Hierbij passen twee kanttekeningen. In de eerste plaats bevatten het beleidsbesluit zuivere splitsing en het beleidsbesluit afsplitsing wat betreft aanspraken op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting nog slechts een standaardvoorwaarde voor het overbrengen van niet verrekende buitenlandse bronbelasting (art. 37 Bvdb 2001). Er wordt (kort gezegd) een winstsplitsing voorgeschreven.7 Met betrekking tot doorschuifaanspraken als bedoeld in art. 34 Bvdb 2001 wordt geen standaardvoorwaarde aan een fiscaal gefaciliteerde splitsing verbonden. Gelet hierop zou het onderhavige vereiste geherformuleerd dienen te worden. Het is voldoende te bepalen dat geen aanspraken op voortwenteling van niet verrekende bronbelasting aanwezig mogen zijn. Het is immers zinloos om de toegang tot de wettelijke doorschuifregeling te blokkeren als er doorschuifaanspraken in het spel zijn en tegelijkertijd geen winstsplitsing voor te schrijven bij de verrekening van zo’n aanspraak na het splitsingstijdstip. De fiscaaltechnische toets uit mijn toetsingskader eist dat art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969 op dit punt wordt aangepast. Verderop in dit onderzoek pleit ik overigens voor een alternatief systeem.8
In de tweede plaats geldt het vereiste dat hier centraal staat in het geval van een afsplitsing niet voor de afsplitsende rechtspersoon. Naar mijn overtuiging berust dit op een vergissing. Uit de wetsgeschiedenis blijkt namelijk dat een verkrijger fiscaal in de plaats treedt van de splitser voor wat betreft de voormalige inhaalregeling9 ingeval tot het vermogen dat overging een buitenlandse onderneming (vi) behoorde.10 Dit betekende feitelijk dat de verkrijger in dergelijke gevallen werd geacht de buitenlandse verliezen, berekend naar Nederlandse maatstaven, in het verleden in aanmerking te hebben genomen. Hoewel dit niet is behandeld tijdens de parlementaire behandeling, wordt vrij algemeen aangenomen dat de fiscale indeplaatstreding ook betrekking heeft op doorschuifaanspraken ex art. 34 Bvdb 2001.11 De staatssecretaris is in zijn functie van wetsuitvoerder bovendien van mening dat ook voortwentelingsaanspraken in de zin van art. 37 Bvdb 2001 op grond van de fiscale indeplaatstreding kunnen overgaan naar de verkrijger(s).12 Dit laatste uitsluitend ingeval het vermogen dat deze aanspraak in het verleden heeft veroorzaakt, in het kader van de splitsing overgaat naar de verkrijger(s). Als deze wetssystematiek inderdaad geldend recht is, moet toegespitst op voorwentelingsaanspraken ex art. 37 Bvdb 2001 het volgende worden bedacht. Beschikt de afsplitsende rechtspersoon over zo’n aanspraak, dan vormt die omstandigheid gelet op de duidelijk tekst van art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969 geen beletsel voor toepassing van de wettelijke doorschuifregeling. Indien deze aanspraak op grond van de fiscale indeplaatstreding van art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969 overgaat naar de verkrijger(s), is de wetssystematiek niet waterdicht. Omdat in deze gevallen de wettelijke doorschuifregeling kan worden toegepast, wordt geen standaardvoorwaarde aan de fiscale begeleiding verbonden. Een verkrijgende rechtspersoon kan de overgenomen aanspraak na het afsplitsingstijdstip dus benutten binnen de sfeer van diens oorspronkelijke onderneming.13 Dat lijkt (mij) niet de bedoeling. De enige manier waarop de wettelijke doorschuifregeling in zo’n geval nog geweigerd zou kunnen worden, is als de fiscus succesvol het standpunt inneemt dat de latere heffing niet is verzekerd.14 Als gevolg daarvan zou voor fiscale facilitering (alsnog) moeten worden uitgeweken naar de doorschuifregeling op verzoek ex art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969, zodat (toch) standaardvoorwaarden kunnen worden opgelegd. Het is, eufemistisch uitgedrukt, nogal merkwaardig dat een specifiek op de voorkoming van dubbele belasting toegespitste eis, waarmee bovendien een omissie zou zijn hersteld,15 op zo’n slordige wijze is geredigeerd. Gelet op de fiscaaltechnische toets uit mijn toetsingskader dient de formulering van deze eis te worden aangepast.16 Ik wijs erop dat een andere wetsuitleg ook denkbaar is, namelijk dat een voortwentelingsaanspraak bij een fiscaal gefaciliteerde afsplitsing achterblijft bij de afsplitser. In dat geval is echter het hiervóór aangehaalde beleidsstandpunt van de staatssecretaris onjuist.17