De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/13.1:13.1 Inleiding
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/13.1
13.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS365291:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Er zijn uitzonderingen. Soms is de lange termijn langer dan twintig jaar. Zie de art. 3:310 lid 2, 3:310a lid 1 en 310b lid 1 BW (dertig jaar); 3:310a lid 2 BW geeft zelfs een termijn van 75 jaar. De korte termijn van art. 3:310a BW bedraagt slechts een jaar.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De kern van ons verjaringsrecht is neergelegd in titel 3:11, in de art. 3:306 tot en met 3:326 BW. De hoofdregel staat in art. 3:306 BW. Dat stelt een termijn van twintig jaar. Maar: art. 3:306 BW is alleen van toepassing als de wet niet anders bepaalt. In de meeste gevallen bepaalt de wet wél anders: in de art. 3:307 tot en met 3:311 BW is ten aanzien van de meeste typen rechtsvorderingen een bijzonder regime neergelegd. Het betreft:
de vordering tot nakoming (art. 3:317 BW);
de periodieke vordering (art. 3:308 BW);
de vordering uit onverschuldigde betaling (art. 3:309 BW);
de vordering tot schadevergoeding en de contractuele boete (art. 3:310 BW); de vordering met betrekking tot cultuurgoederen (art. 3:310a en b BW) en
de vordering tot ontbinding, herstel of ongedaanmaking op grond van wanprestatie (art. 3:311 BW).1
Over deze opzet kan men op twee punten twijfelen. Ten eerste. Eerder in dit boek is vrij uitgebreid de wenselijkheid van een korte, subjectieve verjaringstermijn bepleit. De gedachte die aan die termijn ten grondslag ligt, lijkt in het verbintenissenrecht vrij universeel toepasbaar te zijn: de crediteur moet binnen een bepaalde termijn nadat dit redelijkerwijze van hem verwacht kan worden tot juridische actie komen, omdat tijdsverloop de positie van zijn wederpartij ondergraaft. Doet hij dat niet, dan heeft hij op enig moment, in conceptuele zin, zijn recht verwerkt. Er zijn wellicht uitzonderingen, maar in de regel doet deze gedachte wel opgeld. Waarom zou dan de positief-rechtelijke vertaling van die gedachte — een korte, subjectieve termijn — niet de hoofdregel zijn? Waarom in plaats daarvan een lange objectieve termijn als hoofdregel?
Ten tweede. Het formuleren van een hoofdregel die de facto uitzondering is, brengt met zich het probleem van kwalificatie; valt de vordering onder de hoofdregel of onder één van de uitzonderingen? Die kwalificatievraag vergt steeds een 'actieve' benadering. Het is niet zo dat de praktijkjurist kan uitgaan van toepasselijkheid van een bepaalde regel en moet nagaan of zich geen uitzonderingen voordoen, nee, hij moet op zoek naar de wél toepasselijke regel. Dat lijkt de rechtszekerheid, in de zin van 'kenbaarheid van het recht', geen goed te doen.
Deze initiële twijfel wordt nog gevoed door de rechtsvergelijking. Wij zien dat zowel in Duitsland als in Engeland in het kader van de rationalisering en vereenvoudiging van het verjaringsrecht is gekozen voor één algemeen geldende korte subjectieve termijn, namelijk respectievelijk de regelmäβige Verjährungsfrist van drie jaar in Duitsland, en de driejaarstermijn van het Engelse core regime. Die hoofdregels zijn niet slechts theoretische hoofdregels, zij zijn inderdaad op het merendeel van de vorderingen van toepassing. Ook in de PECL wordt een uitgesproken keuze gemaakt voor één algemeen toepasselijke, subjectieve driejaarstermijn.
Aldus geven zowel de rechtsvergelijking als inhoudelijke overwegingen aanleiding tot kritische beschouwing van het gekozen regime.