Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.3.1
IV.3.1. Algemeen
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS574416:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Nota van Wijziging, 17 213, nr. 4, p. 10.
Zie mijn voorbeeld in Schenking en Gift, p. 43. De opzet is thans zuiverder.
‘Om de hoegrootheid van het wettelijk erfdeel te bepalen, maakt men eene opsomming van alle de goederen, die op het tijdstip van het overlijden van den gever of erflater aanwezig waren; men voegt daarbij het beloop der goederen, waarover bij giften onder de levenden beschikt is, berekend naar den staat, waarin zij zich op het tijdstip der gift bevonden hebben, en hunne waarde op het oogenblik van het overlijden van den gever […]’.
In Asser-Perrick, Erfrecht en Schenking 6B, nr. 448 wordt er op gewezen dat de wettekst niet aangeeft dat bij de berekening van de waarde van de quasi-erfrechtelijke verkrijging de niet redelijke tegenprestatie in acht dient te worden genomen.
Schlüter, Erbrecht, Rn. 1244.
Erbrecht, p. 742.
Het ‘Trennungsdenken’ betreft het (duidelijk) afbakenen van de uiterste wilsbeschikking van een niet-uiterste wilsbeschikking.
P. 747 en p. 769.
Een quasi-legaat van art. 4:126 lid 2 BW onder a is aan de orde indien sprake is van de volgende vijf elementen:
een beding;
waarbij een goed overgaat of kan overgaan;
onder opschortende voorwaarde of tijdsbepaling;
toepassing bij overlijden van degene aanwie het goed toebehoort;
zonder redelijke tegenprestatie.
Op deze vijf elementen wordt later teruggekomen.
In hoofdstuk III is de conclusie getrokken dat art. 4:4 lid 2 BW een beperkte strekking heeft. Overeenkomsten over de niet opengevallen nalatenschap zijn als hoofdregel mogelijk. Nietig zijn slechts die overeenkomsten die de strekking hebben te beschikken over de nalatenschap in het geheel dan wel een evenredig aandeel daarin. Bovendien werd in hoofdstuk I geconstateerd dat, gelet op de definitie van art. 4:42 lid 1 BW, overeenkomsten nooit uiterste wilsbeschikkingen kunnen zijn. De overeenkomsten, niet zijnde quasi-legaten van lid 1 van art. 4:126 BW, die het element genoemd onder c en d in zich bergen (voorwaarde/tijdsbepaling van overlijden/overleven) lijken in uitwerking weliswaar sterk op legaten, maar volgen niet per definitie het erfrechtelijke keurslijf. Slechts onder omstandigheden, te weten ingeval ook de elementen b en e ontwaard kunnen worden, worden deze overeenkomsten door art. 4:126 BW erfrechtelijk meegezogen, voor wat betreft de bewaking van de rangorde tussen de verschillende soorten schuldeisers.
Betoogd kan worden dat met art. 4:126 BW de wetgever iets terugneemt – ter bescherming van de verschillende soorten schuldeisers – daar waar hij erg ruimhartig is geweest bij het toestaan van overeenkomsten met werking bij overlijden (art. 4:4 lid 2 BW).
Aan erfrechtelijke vormvoorschriften laat de wetgever zich, zoals eerder geconstateerd in par. 1.4. en par. 2.3 van dit hoofdstuk, niets gelegen liggen, daar waar het betreft de quasi-legaten van lid 2 van art. 4:126 BW. Voor wat betreft de vorm geldt de fictie immers niet.
Lid 2 onder a van art. 4:126 BW kan bijvoorbeeld spelen bij verblijvings-, overnemings-, toescheidings- en optiebedingen, werkend bij overlijden, waarbij een redelijke tegenprestatie op het moment van het overlijden ontbreekt. Ook hier speelt de quasi-legaatgedachte, zoals deze geldt bij de ‘strekkings-schenking’. Het is hier niet de eventuele verwantschap met giften, doch de verwantschap met de uiterste wilsbeschikking, die het motief is geweest om deze overeenkomsten in het erfrecht te betrekken. Het typische wederkerige verblijvingsbeding staat immers in haar gevolgen tot op grote hoogte gelijk met twee wederzijdse legaten.1 Door de fictie dat het beding wordt aangemerkt als een legaat blijft de gewenste rangorde, wat betreft de bescherming van de crediteuren van de erflater, van legitimarissen en somgerechtigden in tact. Ook worden de bedingen aangemerkt als legaten voor de inkorting en wordt voorkomen dat de aanspraken van de verzorgingsvruchtgebruiker worden uitgehold. Zie par. 1.9 van dit hoofdstuk. De quasilegaatregeling van lid 2 onder a legt als het ware een claim op een eventuele vermogensverschuiving die ontstaat als gevolg van het overlijden.
Een voorbeeld:
A heeft een vermogen groot 200, waaronder begrepen een onverdeelde helft van een onroerende zaak. Hij kwam met B een verblijvingsbeding overeen, welk beding tevens aangemerkt kan worden als een kanscontract. Op het kanscontract wordt nader ingegaan in par. 3.3.5 van dit hoofdstuk. Bij overlijden van een van partijen verblijft aan de langstlevende de gemeenschappelijke onroerende zaak, waarbij deze, zo werd overeengekomen, voor 60% van de waarde in het economisch verkeer in de verdeling wordt betrokken. De waarde in het economisch verkeer bedraagt 100. A deed een ‘ongebruikelijke’ schenking aan een derde, twee jaren voor zijn overlijden, groot 10.2
Zonder de quasi-legaatregeling en met de kanscontractgedachte zag de legitimaire massa uit als volgt (art. 4:968 BW(oud)):3
Actief
200
(vermogen inclusief onverdeelde helft onroe- rende zaak)
30
(vordering ter vergoeding van de verblijving)
Passief
-50
(leveringsverplichting)
Giften
10
Legitimaire massa
190
Het feit dat de (onverdeelde helft van de) onroerende zaak verblijft tegen een prestatie die 20 te laag is, vormt geen gift, gelet op het feit dat sprake is van een kanscontract.
Met de regeling van art. 4:126 BW en art. 4:65 BW ziet een en ander uit als volgt.
Actief
200
(vermogen inclusief onroerende zaak)
30
(vordering ter vergoeding van de verblijving)
Passief
-30
(leveringsverplichting ‘voor zover geen quasi-legaat’)
Giften
10
Legitimaire massa
210
De bedoeling van de quasi-legaatregeling van art. 4:126 lid 2 onder a BW is dat ‘de 20’ niet buiten het beeld van, bijvoorbeeld, de legitimarissen blijft. Men moet mijns inziens doen alsof de onroerende zaak is gelegateerd. Met de thans voorliggende wettekst is wel enige soepelheid vereist om tot de juiste uitkomst te komen.
Uit de strekking van het systeem moet de conclusie getrokken worden dat de leveringsverplichting wel opgevoerd moet worden, zij het slechts voor dertig. Door het feit dat de tegenprestatie, zoals hierna nader uitgewerkt zal worden, niet redelijk is, kan het verblijvingsbeding als geheel als quasi-legaat aangemerkt worden (art. 4:126 lid 2 onder a BW), en moet de leveringsverplichting als geheel als schuld in de zin van art. 4:7 lid 1 onder i BW door het leven gaan. Naar de letter van de wet zou de legitimaire massa 240 kunnen bedragen. Dat dit niet de bedoeling is, spreekt mijns inziens, gelet op de strekking van de regeling, voor zich. De tekst is op zichzelf echter niet duidelijk. Men zou in dit kader in overweging kunnen nemen in art. 4:126 lid 2 onder a BW op te nemen dat het beding slechts voor dat gedeelte waarvoor een redelijke tegenprestatie ontbreekt als legaat gekwalificeerd kan worden. Hiermee zou de mogelijkheid van aftrek van een gedeelte van de te leveren prestaties, in casu de 30, duidelijk gegeven zijn.4
In Duitsland wordt uit de ruime categorie ‘Rechtsgeschäfte unter Lebenden auf den Todesfall’ slechts de hiervoor in par. 2.2 besproken ‘Schenkung auf den Todesfall’ van § 2301 BGB in erfrechtelijke sferen betrokken.
‘Auf die nicht von § 2301 BGB erfassten Rechtsgeschäfte sind nicht die Vorschriften des Erbrechts, sondern die Vorschriften für Rechtsgeschäfte unter Lebenden, also die des Schuld-, Sachen- und Familienrechts an zu wenden.’5
Voor een motivering kan te rade worden gegaan bij Lange/Kuchinke:6
‘Andere Möglichkeiten der Zuwendung zu Lebzeiten standen dem Gesetzgeber nicht deutlich vor Augen. In ihrem Trennungsdenken7 zerstörten die Verfasser des BGB aber auch die enge Verbindung zwischen Verfügungen von Todes wegen und Schenkung auf den Todesfall in den Folgen und wendeten auf die letztere nach ihrer Vollziehung nur die Vorschriften über Rechtsgeschäfte unter Lebenden an.’
In Nederland is de aandacht voor regelingen ter zake des doods in het kader van de schuldeisersbescherming ruimer. Het Nederlandse systeem beschouw ik als evenwichtiger, ook al zijn er, zoals geconstateerd, verbeteringen mogelijk. Wat betreft de testamentaire vormvoorschriften is het Nederlandse systeem echter nagenoeg even beperkt. Zie par. 1.4 en par. 2.3 van dit hoofdstuk.
Bij Lange/Kuchinke8 proef ik de wens voor een ruimer systeem:
‘Eine Gefahr besteht freilich bei allen Rechtsgeschäften unter Lebenden auf den Todesfall […]. Mit der entsprechenden Anwendung der Vorschriften über das Vermächtnis wäre es sogar möglich, den Interessen der Beteiligten noch besser gerecht zu werden.’
en:
‘Wollte man jedoch auf die Zuwendung unter Lebenden auf den Todesfall die Vorschriften über das Vermächtnis soweit wie möglich anwenden so wäre es möglich, den mit dem Erbfall auftretenden Bedürfnissen noch besser gerecht zu werden.’
De omschrijving in art. 126 lid 2 onder a BW is anders dan de omschrijving in lid 1. Wordt in lid 1 gesproken van ‘strekking’, ‘pas na het overlijden ’en ‘uitvoeren’, zo wordt in lid 2 onder a gesproken over ‘opschortende voorwaarde of onder opschortende tijdsbepaling’, hetgeen juridisch duidelijkere taal is. Ditzelfde geldt voor ‘overgaat of kan overgaan’. Minder fraai is het gebruik van het woord ‘toegepast’, zeker nu in lid 1 ‘uitvoeren’ gebezigd wordt. De omschrijving brengt evenwel minder problemen met zich dan die van lid 1, hetgeen hierna blijkt bij de bespreking van de afzonderlijke elementen.