Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/2.4:2.4. Samenvattende conclusies
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/2.4
2.4. Samenvattende conclusies
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS577584:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk heb ik aandacht besteed aan de doelstellingen en inhoud van het materiële mededingingsrecht. 1Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht is geen doel op zichzelf, maar dient te worden onderzocht aan de hand van de algemene doelstellingen of doelen van het mededingingsrecht en het burgerlijk recht. Een korte uiteenzetting van het materiële mededingingsrecht is onontkoombaar omdat de materiële norm van aanzienlijk belang is bij de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht. Een korte bespreking van de doelstellingen van het mededingingsrecht is tevens van belang voor de privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht. De doelstellingen van mededingingsrecht kunnen bijvoorbeeld van belang zijn bij het vaststellen van de relativiteit van de onrechtmatige daad (§ 7.6.7).
De doelstellingen van het mededingingsrecht zijn onder andere de verhoging van de welvaart, de bevordering van de werking van de interne markt (marktintegratie), consumentenbescherming, spreiding van economische macht en de herverdeling van middelen, bescherming van concurrenten en het gebruik van mededingingsrecht voor het voeren van industriepolitiek en sociaal-economisch beleid.2
De in ons land geldende mededingingsregels zijn neergelegd in het EG-Verdrag (Europese mededingingsregels) en in de Mededingingswet (Nederlandse mededingingsregels). De belangrijkste bepalingen zijn het kartelverbod zoals neergelegd in artikel 81 van het EG-Verdrag (EG) en artikel 6 van de Mededingingswet (Mw) en het verbod op het misbruik maken van een economische machtspositie zoals neergelegd in artikel 82 EG en artikel 24 Mw.
Het kartelverbod in artikel 81 EG houdt in dat alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, verboden zijn.3
Het verbod op het misbruik maken van een economische machtspositie in artikel 82 EG houdt in dat het onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden is, dat één of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de gemeenschappelijke markt (of op een wezenlijk deel daarvan), voor zover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed.4 De artikelen 6 en 24 Mw hebben een soortgelijke inhoud, alleen speelt de eis van de ongunstige beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten bij deze bepalingen geen rol en dient het bij artikel 24 Mw te gaan om een machtspositie op de Nederlandse markt of een deel daarvan.5
De bevoegdheid om een mededingingsbeperkende overeenkomst of rechtshandeling á dan niet gedeeltelijk nietig te verklaren is een exclusieve taak van de nationale rechter. De Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten hebben deze bevoegdheid niet.6 De uit artikel 81 lid 2 EG voortvloeiende nietigheid is een bijzondere vorm van nietigheid.7Artikel 81 lid 2 EG hevelt namelijk een begrip uit het burgerlijk recht over naar het EG-Verdrag. De krachtens het eerste lid van artikel 81 EG verboden overeenkomsten of besluiten, die niet vallen onder de uitzondering van het derde lid van artikel 81 EG, zijn van rechtswege nietig volgens het tweede lid van artikel 81 EG. Hoewel de nietigheid van artikel 81 lid 2 EG verwant is aan het in de lidstaten voorkomende begrip nietigheid, staat de nietigheid van artikel 81 lid 2 EG op zichzelf en kent het een eigen invulling. De op het kartelrecht zelf berustende nietigheid brengt mee dat men niet toekomt aan de vraag of artikel 3:40 BW van toepassing is.8
Anders dan bij het kartelverbod, waar in artikel 81 lid 2 EG is bepaald dat de overeenkomst nietig is, dient de nietigheid bij het handelen in strijd met het verbod om misbruik te maken van een economische machtspositie in beginsel beoordeeld te worden naar nationaal recht.9 Naar Nederlands recht is op grond van artikel 3:40 BW een rechtshandeling waarmee misbruik wordt gemaakt van een economische machtspositie van rechtswege nietig. Bij een rechtshandeling kan in de context van het verbod om misbruik te maken van een economische machtspositie worden gedacht aan de opzegging van een overeenkomst (denk bijvoorbeeld aan een geval van leveringsweigering), het afdwingen van een overeenkomst of een besluit van een ondernemersvereniging. Verdedigd zou kunnen worden dat een rechtshandeling die strijdig is met het verbod om misbruik te maken van een economische machtspositie ex artikel 82 EG reeds op grond van het gemeenschapsrecht nietig is op grond van een analoge toepassing van artikel 81 lid 2 EG.10
Voor de juiste toepassing van het Europees en Nederlands mededingingsrecht kunnen de nationale rechter en arbiter het stappenplan volgen zoals staat beschreven in § 2.3.7.