Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/29.4.1
29.4.1 Foutparkeren in Rotterdam
mr. dr. C.L.G.F.H. Albers, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. C.L.G.F.H. Albers
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Sinds 1 januari 2015 heeft de CVOM de wettelijke status van parket met een eigen hoofdofficier (Stb 2014, 225). De hoofdofficier heeft zijn bevoegdheden inzake de beslissing op administratief beroep door middel van ondermandaat aan administratief-juridisch medewerkers van de CVOM gemandateerd. Zij ‘beslissen’ dus op het administratief beroep. Terecht kritisch over deze (onder)mandaatpraktijk: A. Dijkstra, ‘De Wahv: kritische noten’, VR 2015/1, p. 2-8, i.h.b. p. 3-4. Ook in de rechtspraak wordt kritiek geuit. Zie bijv. Rb. Zeeland-West-Brabant 13 oktober 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:7789, r.o. 1.6.
Het wekt dan ook verbazing dat Meerdink en Rijks (beiden werkzaam bij de CVOM) durven te stellen dat ‘iedere zaak op zijn eigen merites wordt beoordeeld’ en dat ‘in elke zaak een zorgvuldige afweging plaats vindt’. ‘Efficiency en maatwerk gaan hierbij hand in hand’, zo stellen zij (zie J. Meerdink en A.J. Rijks, ‘Parket CVOM binnen 25 jaar WAHV’, VR 2016/3, p. 95-99, i.h.b. p. 97).
Zie art. 9 e.v. WAHV. Meerdink en Rijks (Meerdink en Rijks 2016, p. 97) spreken over een ‘tussentijdse niet wettelijke geregelde beoordeling’ met het oog op een ‘mindere werklast voor de rechter’. Zij zien blijkbaar geen rechtsstatelijk bezwaar in deze praktijk. Dijkstra (Dijkstra 2015, p. 5) toont zich wel kritisch. Vgl. Barels 2014, p. 11-12.
Dijkstra 2015.
Zo lijkt de ten aanzien van mijn beroep gebruikte afwijzingsgrond overal te worden toegepast. Zie bijv. Rb. Zeeland-West-Brabant 13 oktober 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:7789, r.o. 1.4. Zie ook Rb. Breda 13 januari 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BP1807. Zie verder m.b.t. procedurele onzorgvuldigheid o.a.: Hof Leeuwarden, 21 april 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BD5658, vanaf r.o. 3.17, Hof Arnhem-Leeuwarden 27 februari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ6788, Hof Arnhem-Leeuwarden 18 juni 2014, ECLI: NL:GHARL:2014:4924, VR 2016/69, Rb. Zeeland-West-Brabant, 28 januari 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:548, Prg. 2015/83, Hof Arnhem-Leeuwarden 22 februari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1519.
Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2040, Hof Arnhem-Leeuwarden 11 november 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8520, Hof Arnhem-Leeuwarden 27 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:5210.
De algemene beginselen van behoorlijk bestuur maken hier welbewust geen deel van uit. Zie Kamerstukken II 1987/88, 20329, 3, p. 16-17. Dit neemt niet weg dat de rechter deze beginselen soms wel ambtshalve in zijn oordeel betrekt, zie bijv. Rb. Breda 13 januari 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BP1807.
Barels 2014, p 4-6, Albers 2002, p. 201 e.v. en E.H.A. van Luijk, Het schuldbeginsel in het Nederlandse strafrecht, Groningen: 2015, p. 243 e.v.. Volgens het EHRM is deze kentekenaansprakelijkheid echter niet in strijd met de onschuldpresumptie, zie EHRM 19 oktober 2004, ECLI:CE:ECHR:2004:1019DEC006627301.
Zie bijv. Rb. Zeeland-West-Brabant 28 maart 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:CA0211, Rb. Zeeland-West-Brabant 13 oktober 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:7789, r.o. 1.9, Rb. Zeeland-West-Brabant, 28 januari 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:548, Prg. 2015/83, Rb. Breda 8 maart 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BV8859, r.o. 1.11 e.v. en Kamerstukken II 1987/88, 20329, 3, p.8.
Dat de Awb-boeteprocedure nog niet zo slecht scoort wat de rechtsbescherming betreft mocht ik aan den lijve ondervinden toen ik werd geconfronteerd met een boetebeschikking inzake foutparkeren. Op een zaterdag in april 2017 zou mijn auto te Rotterdam buiten een daartoe bestemd parkeervak zijn geparkeerd (boete € 90,00). Ik – noch mijn auto – was die dag daar aanwezig en daartoe kon ik ook verschillende bewijsmiddelen aandragen. Ik was dan ook verbaasd toen mijn tegen de beschikking ingestelde (administratief) beroep in oktober 2017 door ‘De Officier van Justitie’ (zonder naam; lees een (niet nader te traceren) administratief medewerker van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie te Utrecht1) – zonder mij daaraan voorafgaand te horen – ongegrond werd verklaard met als motivering (de volgende bouwsteen uit het gestandaardiseerde digitale systeem):
‘De officier van justitie heeft een afweging gemaakt tussen de argumenten die u in uw beroepschrift heeft vermeld en wat de verbalisant heeft verklaard. De officier van justitie kent doorslaggevende betekenis toe aan de ambtsedige verklaring van de verbalisant. Omtrent de bewijsvoering verwijst de officier van justitie naar de bijlage(n). De officier van justitie heeft verder geen reden te twijfelen aan de juistheid van de beschikking.’
Iedere concrete onderbouwing ontbreekt in deze overweging. Maar dat is nog niet alles. Als bijlage trof ik bij de beschikking het oorspronkelijke rapport van de overtreding, waaruit duidelijk bleek dat de overtreding met een andere auto was begaan. Op de foto stond een auto van hetzelfde merk en type, echter met één ander cijfer in het kenteken (waar bij mij een 8 staat stond bij de auto op de foto een 7). Verbalisant, die naar aanleiding van mijn beroep, gevraagd was te reageren had dit zelf ook gezien. Om die reden had zij de Officier van Justitie in een aanvullend proces-verbaal gevraagd het oorspronkelijke proces-verbaal (en daarmee de daaruit voortvloeiende boetebeschikking) te vernietigen. Wat echter volgde was een ongegrondverklaring van het beroep op basis van de bovenstaand standaardoverweging. Het lijkt erop dat aan het beroepschrift en aanvullende stukken helemaal geen aandacht is geschonken. Van een goede en zorgvuldige rechtspleging was in mijn ogen in elk geval geen sprake.2
Uiteraard heb ik daarna beroep ingesteld bij de kantonrechter. Dit beroep is echter niet door de kantonrechter behandeld. Een zitting is niet belegd. Het beroep is eerst nog eens beoordeeld door de Officier en vervolgens werd ik alsnog in het gelijk gesteld. Op mijn beroepsgronden (waarin ik uiteraard ook de fundamentele aspecten van rechtsbescherming nog eens heb benadrukt) werd niet ingegaan. De ‘informele gegrondverklaring’ bestond uit niet meer dan twee zinnen. Ik werd verzocht mijn beroep in te trekken. Mocht ik dat niet doen, en de zaak laten voorkomen dan zou dat mogelijk nadelig voor mij uitpakken, zo viel impliciet te lezen in de bescheiden. Aangezien ik dat risico niet wilde lopen – je weet ten slotte maar nooit – heb ik mijn beroep ingetrokken. Feitelijk heb ik geen toegang gehad tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter ofschoon deze gelet op het van toepassing zijnde procesrecht aan zet was om te oordelen.3 Hier lijkt de kwalificatie ‘primitief strafrecht’ meer op zijn plaats.
Dijkstra – raadsheer-plaatsvervanger in het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden – laat in een publicatie in Verkeersrecht zien dat echte rechtsbescherming bij de beroepsmachine van de CVOM vaak ver te zoeken is.4 De door mij ervaren wijze van afhandeling van (administratieve) beroepen lijkt eerder regel dan uitzondering te zijn. De procedures zijn gestandaardiseerd. Van maatwerk is geen sprake, de besluitvorming is vaak onzorgvuldig.5 Van het op de procedure bij de CVOM (beperkt) van toepassing zijnde Awb-procesrecht heeft men in Utrecht ook weinig kaas gegeten.6 Daar komt nog bij dat de WAHV van de Awb afwijkende procedurele bepalingen kent, waaronder een beperking van de hoorplicht (art. 7 WAHV), een gesloten stelsel van beroepsgronden (art. 9 lid 2 WAHV)7, appelverboden (zie art. 14 lid 1 WAHV), en de zogenaamde kenteken(risico-)aansprakelijkheid (art. 5 WAHV), die evenmin bevorderlijk zijn voor de rechtsbescherming van de burger.8
Dat de procedure inzake Mulder-beschikkingen vanuit rechtsbeschermingsoogpunt te wensen over laat blijkt ook uit de rechtspraak. Daarin is door verschillende rechters en raadsheren aangegeven dat de rechtsbescherming van de betrokken justitiabele in Mulderzaken steeds meer in het gedrang komt ten faveure van efficiency, terwijl bij de totstandkoming van de WAHV toch uitdrukkelijk als voorwaarde werd gesteld ‘het waarborgen van een deugdelijke rechtsbescherming’.9