Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/8.4:8.4 Functies
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/8.4
8.4 Functies
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264414:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de literatuur bestond enkel aandacht voor de aflossingsfunctie van het recht van pandgebruik. De waarde van de vruchten die de pandhouder inde, kwam dus in mindering op de gesecureerde vordering. Op grond van art. 1204 OBW had het recht van pandgebruik op vorderingen een aflossingsfunctie. Dit wetsartikel bepaalde immers dat de door de pandhouder geïnde rente in mindering kwam op de gesecureerde vordering. Hetzelfde gold naar analogie voor het pandrecht op aandelen.1
Als de hypotheekhouder een (verbintenisrechtelijk) recht van pandgebruik uitoefende, kwam de waarde van de vruchten die hij had geïnd in mindering op de gesecureerde vordering. De hypotheekhouder oefende het beheer uit om (een gedeelte van) zijn vordering voldaan te krijgen.2 Diephuis schreef in dit verband dat het doel van hypothecair beheer was dat de hypotheekhouder de inkomsten uit het hypotheekobject verkreeg en in mindering bracht op de gesecureerde vordering.3
De wet gaf geen regeling voor de functie van het recht van pandgebruik op roerende zaken. Het ligt evenwel voor de hand dat het recht van pandgebruik op roerende zaken dezelfde functie had als het recht van pandgebruik op vorderingen en aandelen en hypothecair beheer: de aflossingsfunctie. Dit vindt steun bij Opzoomer en Diephuis. Volgens Opzoomer mochten de vruchten van het onderpand niet blijvend tot voordeel van de pandgebruiker strekken. Daarom bepaalde art. 1204 OBW dat de rente van een verpande vordering in mindering kwam op de gesecureerde vordering.4 Deze formulering suggereert dat art. 1204 OBW naar analogie van toepassing was op het recht van pandgebruik op roerende zaken. Dit zou betekenen dat het recht van pandgebruik op roerende zaken een aflossingsfunctie had. Diephuis meende dat art. 1204 OBW niet naar analogie kon worden toegepast op (de functie van) het recht van pandgebruik op roerende zaken. Toch kwam hij uiteindelijk tot hetzelfde resultaat: als de pandgebruiker gerechtigd was tot de vruchten van het onderpand, kwam hun waarde in mindering op de gesecureerde vordering.5