Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/3.1
3.1 Inleiding
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973551:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie met betrekking tot onrechtmatige daad HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1176, NJ 2020/7 (Verkoopmakelaar) (een kantoorgenoot van mij was betrokken bij deze zaak); met betrekking tot bedrog HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2902, NJ 2017/438 (MBS/Prowi) en met betrekking tot dwaling HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3733NJ 2008/552 (Ploum/Smeets I) en HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7617, NJ 2008/606 (Pouw/Visser).
Smeehuijzen 2014, par. 2.5.5.
Zie met name Smeehuijzen, 2020, par. 3; Smeehuijzen 2014, par. 2.5.3; Smeehuijzen 2008, par. 27.6; zie voorts Smeehuijzen 2004, p. 254, bijgevallen door Du Perron, annotatie NJ 2006/112; zie ook J.E. Jansen 2009 en Valk 1993, p. 74.
Dit hoofdstuk richt zich op het spanningsveld tussen het leerstuk rechtsverwerking en de klachtplichten enerzijds en de korte verjaringstermijnen anderzijds. In de literatuur is de zorg geuit dat met name de klachtplicht van art. 6:89 BW het verjaringsrecht en meer in het bijzonder de korte verjaringstermijnen van doorgaans vijf jaar ex art. 3:307-3:311 BW en drie jaar ex art. 3:52 BW uitholt.1Art. 6:89 BW heeft een breed toepassingsbereik, want is niet alleen van toepassing op vorderingen gegrond op een tekortkoming, maar ook op vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad, bedrog en dwaling voor zover aan die vorderingen feiten ten grondslag liggen die de stelling zouden rechtvaardigen dat de geleverde zaak of dienst niet aan de overeenkomst beantwoordt.2 Dat zijn vorderingen die ook door verjaringstermijnen worden bestreken: de onrechtmatige daadsvordering door art. 3:310 lid 1 BW, de vernietigingsvorderingen door art. 3:52 BW.
Gedurende de afgelopen twee decennia is de tendens geconstateerd dat debiteuren in plaats van of naast een beroep op verjaring steeds vaker een beroep op art. 6:89 BW doen. De discussie over de vraag of de schuldeiser zijn vordering tijdig geldend maakt, komt daarom steeds vaker in de sleutel van art. 6:89 BW te staan. Dat wordt onwenselijk geacht vanwege de rechtszekerheidszwakte van de klachtplicht ten opzichte van verjaring. De korte verjaringstermijnen kennen een vaste termijn, terwijl de klachttermijn van art. 6:89 BW telkens aan de hand van alle omstandigheden van het geval moet worden vastgesteld.3 Ook bestaat de kans dat een beroep op de klachtplicht slaagt voordat de betreffende verjaringstermijn is verstreken.
Er bestaat de nodige overlap tussen art. 6:89 BW en de korte verjaringstermijnen, zowel qua doel en strekking als voor wat betreft toepassingsvereisten. De korte verjaringstermijn wordt door enkele auteurs in conceptuele zin zelfs als een vorm van rechtsverwerking gezien.4
De opbouw van dit hoofdstuk is als volgt. In par. 3.2 hierna ga ik in op de vraag of de korte verjaringstermijnen als vorm van rechtsverwerking kunnen worden gezien. In par. 3.3 onderzoek ik in hoeverre rechtsverwerking op onwenselijke wijze samenloopt met de korte verjaringstermijnen. In par. 3.4 voer ik dezelfde exercitie uit, maar dan ten aanzien van de wettelijke klachtplichten. Ik besluit met een conclusie in par. 3.5.