Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/66
66 Bindend bevoegdheidsstelsel van eenvormige bepalingen
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS511360:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
HvJEG 9 december 2003, zaak C-116/02, Jur. 2003, p. I-14693, NJ 2007/151 m.nt. P. Vlas (Gasser), r.o. 72.
HvJEG 20 januari 1994, zaak C-129, Jur. 1994, p. I-00117, NJ 1993/351 (Owens Bank) m.nt. JCS, r.o. 25.
Rapport Jenard (PbEG 1979, C 59).
Rapport Jenard (PbEG 1979, C 59/46). Zie ook Conclusie AG Darmon voor HvJEG 21 april 1993, zaak C-172/91, Jur. 1993, p. I-01963, NJ 1995/207 (Sonntag) waarover P. Vlas, ‘The EEC Convention on Jurisdiction and Judgments’, NILR 1994, p. 333.
Volgens het HvJ was het wederzijds vertrouwen van de lidstaten in elkaars rechtsbedeling essentieel voor de totstandkoming van eenvormige bepalingen op het gebied van bevoegdheid en van erkenning en tenuitvoerlegging. In het arrest-Gasser overwoog het HvJ daarover:
‘Vervolgens moet eraanworden herinnerd, dat het Executieverdrag noodzakelijkerwijs gegrond is op het vertrouwen van de verdragsluitende staten in elkaars rechtssystemen en gerechtelijke instanties. Dankzij dit wederzijds vertrouwen kon een bindend bevoegdheidsstelsel worden ingesteld, dat alle gerechten die onder de werkingssfeer van het verdrag vallen, moeten eerbiedigen, en konden deze staten als uitvloeisel daarvan afstand doen van hun interne regels inzake erkenning en exequatur van buitenlandse vonnissen ten behoeve van een vereenvoudigd mechanisme van erkenning en tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen.’1
Het EEX-systeem is gegrond op het wederzijds vertrouwen van de betrokken staten in elkaars rechtssystemen en rechterlijke instanties. Dankzij dit wederzijds vertrouwen kon een systeemworden ingevoerd van gemeenschappelijke regels over bevoegdheid en erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen. Deze vertrouwensband geldt tussen de betrokken staten en niet noodzakelijkerwijs in de betrekkingen tussen betrokken staten en derde staten. Zo bepaalt art. 25 EEX-Verdrag (thans art. 36 EEX-Vo II) dat slechts beslissingen afkomstig uit een verdragsluitende staat in aanmerking komen voor vereenvoudigde erkenning en tenuitvoerlegging. In dezelfde geest oordeelde het HvJ in het arrest Owens Bank dat de voorschriften van het EEX-Verdrag inzake de erkenning en tenuitvoerlegging niet van toepassing zijn op procedures die ertoe strekken in een derde staat gewezen vonnissen uitvoerbaar te verklaren.2 Ondanks dat het EEX-Verdrag volgens het HvJ noodzakelijkerwijs gegrond is op het vertrouwen van de verdragsluitende staten in elkaars rechtssystemen, wordt wederzijds vertrouwen als uitgangspunt nergens genoemd in het toelichtende rapport op het EEX-Verdrag.3 Wel kan gesteld worden dat de regel van art. 28 EEX-Verdrag (thans art. 45 lid 3 EEX-Vo II) – de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gewezen mag in het stadium van erkenning en tenuitvoerlegging niet meer worden getoetst – noodzakelijkerwijs een vorm van vertrouwen impliceert, zo stelt ook het Rapport Jenard:
‘Het ontbreken van hernieuwd onderzoek van de zaak zelve impliceert een volledig vertrouwen in de rechtspraak van de staat van herkomst; dit vertrouwen met betrekking tot de gegrondheid van de beslissing moet zich normalerwijze uitstrekken tot de toepassing van de bevoegdheidsregels van het verdrag door de rechter.’4