Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/67
67 Toegenomen belang
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS505230:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie P. Vlas, ‘Herziening EEX: van verdrag naar verordening’, WPNR (2000) 6421, p. 752.
Zie bijvoorbeeld de Considerans onder 21 van Verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening nr. 1347/2000 (‘Brussel II-bis’, PbEU 2003, L338/1); Considerans onder 22 van Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (‘Insolventieverordening’, PbEG 2000, L160/1). Zie ook Verordening nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (‘Alimentatieverordening’, PbEU 2009 L7/1), waarin wanneer het gaat om een alimentatiebeslissing afkomstig uit een lidstaat die aan het zgn. Haagse protocol is gebonden de eis van exequatur in de lidstaat van tenuitvoerlegging is afgeschaft; zie P. Vlas, ‘Alimentatie uit Brussel met een Haags randje’, WPNR (2009) 6794, p. 295.
Zie Verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen, EET-Vo (PbEU 2004, L 143/15); Verordening nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure, EBB-Vo (PbEU 2006, L399/1); Verordening nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen EPGV-Vo (PbEU 2007, L199/1).
Zie over de EET-Vo uitgebreid M. Zilinsky, De Europese Executoriale Titel, diss. Amsterdam VU, Serie Burgerlijk Proces en Praktijk III, Deventer: Kluwer 2005. Sommige auteurs plaatsen vraagtekens bij een zo vergaande vorm van wederzijds vertrouwen en vragen zich af of wederzijds vertrouwen in dit soort gevallen niet leidt tot onverantwoord ‘blind’ vertrouwen, zie Hess 2010, p. 115. Zie ook M. Niboyet, ‘Le principe de confiance mutuelle et les injonctions anti-suit’, in: P. de Vareilles-Sommière, Forum Shopping in the European Judicial Area, Oxford: Hart Publishing 2007, p. 81, die erop wijst dat het beginsel van wederzijds vertrouwen er niet toe mag leiden dat vergeten wordt dat er wel degelijk landsgrenzen bestaan in de Europese Unie.
Bij de omzetting van het EEX-Verdrag in de EEX-Verordening zijn reeds de weigeringsgronden in de exequaturprocedure op punten beperkt (bij erkenning van een verstekvonnis is de dubbele eis van regelmatigheid en tijdigheid van betekening geschrapt en staat slechts de tijdigheid van de betekening centraal, art. 34 sub 2 EEX-Vo) en wordt pas getoetst aan weigeringsgronden indien de verweerder in de rechtsmiddelprocedure een beroep op een of meer weigeringsgronden doet. De rechter die in eerste instantie het exequatur moet verlenen toetst niet meer ambtshalve of zich gronden voor weigering van de erkenning voordoen.1 Deze ontwikkelingen worden in de considerans onder 16 en 17 van de EEX-Verordening expliciet gerechtvaardigd met een beroep op het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling tussen de lidstaten. Naast de EEX-Verordening II wordt ook in andere Europese IPR-verordeningen verwezen naar het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling tussen de lidstaten.2 Wederzijds vertrouwen dient in al deze gevallen als basis voor het mogelijk maken van zowel eenvormige regels inzake rechterlijke bevoegdheid als wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen. Met de inwerkingtreding van de EEX-Verordening II en (daarbij) de afschaffing van het exequatur is het wederzijds vertrouwen nog belangrijker geworden. Daarmee is het mogelijk een eenmaal verkregen titel in de gehele EU ten uitvoer te leggen, zonder dat verlof tot tenuitvoerlegging is vereist. In andere Europese procesrechtelijke verordeningen komt deze benadering ook terug.3 Op basis van deze verordeningen kan ofwel op basis van een waarmerk (EET-Vo), ofwel na een gestandaardiseerde procedure (EBB-Vo en EPGV-Vo) een titel worden verkregen die in de hele Europese Unie ten uitvoer kan worden gelegd.4