Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm
Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/6.3:6.3 Imprévision en de eisen van redelijkheid en billijkheid
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/6.3
6.3 Imprévision en de eisen van redelijkheid en billijkheid
Documentgegevens:
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS586128:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het hiervoor geschetste onderscheid tussen beide visies op redelijkheid en billijkheid speelt eveneens bij de problematiek van veranderde omstandigheden (imprévision), die aan de orde kwam in hoofdstuk 4. Deze problematiek, die in het internationale handelsverkeer onder de naam hardship bekend staat, ziet op diep in de contractsverhouding ingrijpende, niet in de overeenkomst verdisconteerde omstandigheden, die ongewijzigde instandhouding van het overeengekomene uiterst bezwaarlijk maken. In de traditionele visie op het imprévision-leerstuk is de focus op de (rol van de) rechter gericht. De rechter grijpt op grond van de redelijkheid en billijkheid in de contractuele verhouding in, de rechter heeft een discretionaire wijzigings- of ontbindingsbevoegdheid, de rechter stelt voorwaarden, de rechter dient zijn bevoegdheden terughoudend te gebruiken etc. In hoofdstuk 4 heb ik deze denkwijze niet gevolgd, maar — in lijn met de in hoofdstuk 1 bereikte conclusie — het gedragsnormaspect van de redelijkheid en billijkheid tot uitgangspunt genomen bij de analyse van de werking van de redelijkheid en billijkheid in het leerstuk van de imprévision. Ik heb vervolgens bezien in hoeverre het traditionele beeld van art. 6:258 BW als een soort "Ermessensnorm" die resulteert in een ruime discretionaire bevoegdheid van de rechter, vanuit dogmatisch oogpunt correctie behoefde en of bij de analyse van het leerstuk van de imprévision niet veeleer de rol en het gedrag van partijen in het licht van de aan hen te stellen eisen van redelijkheid en billijkheid op de voorgrond zouden moeten staan. Ik heb deze vraag in het hoofdstuk bevestigend beantwoord: geconstateerd werd dat de in art. 6:258 BW bedoelde redelijkheid en billlijkheid niet zozeer als een rechterlijke toetsingsnorm zijn op te vatten, maar veeleer als een uitingsvorm van de gedragsnorm van redelijkheid en billijkheid, als bedoeld in art. 6:2 lid 1 BW. Deze gedragsnorm van redelijkheid en billijkheid verplicht partijen — ook bij het intreden van onvoorziene omstandigheden — om als redelijke mensen jegens elkaar te handelen en mitsdien rekening te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen. Blijven partijen onverhoopt ten achter bij hetgeen het objectieve recht in het licht van de opgetreden wijziging van omstandigheden van hen eist, dan voert het objectieve recht onverbiddelijk voor partijen door, wat zij hebben nagelaten uit zichzelf te doen. Dit ingrijpen kan de vorm aannemen van aanvulling (art. 6:248 lid 1 BW), van beperking (art. 6:248 lid 2 BW) of van een combinatie van beide.
Wat het objectieve recht ingeval van onvoorziene omstandigheden in de contractsrelatie van partijen teweeg heeft gebracht, kan in beginsel desverzocht door de rechter in een declaratoir vonnis worden vastgesteld (geconstateerd). Sommige imprévisiongevallen zijn echter zodanig complex, dat de wetgever heeft gemeend dat deze niet anders dan bij constitutief vonnis kunnen worden opgelost. Ook dan is het echter het gedragsnormkarakter van de redelijkheid en billijkheid dat bepalend is voor de wijze waarop het contract van partijen moet worden gewijzigd: blijkens de parlementaire geschiedenis vloeit de in de imprévisionregeling van art. 6:258 BW bedoelde wijziging of ontbinding niet voort uit een rechterlijk redelijkheidsoordeel, maar uit de op parten rustende eisen van redelijkheid en billijkheid. De rechter heeft in het hem voor te leggen geval slechts te "concretiseren" wat redelijkheid en billijkheid van partijen in hun verhouding eisen. Anders gezegd: ook een wijziging of ontbinding op de voet van art. 6:258 BW behelst geen rechterlijk redelijkheidsoordeel, maar vloeit voort uit de gedragsnorm van art. 6:2 lid 1BW, welke kortweg bepaalt dat schuldeiser en schuldenaar verplicht zijn "zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid."