Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VII.4.1
VII.4.1 Stem- en besluitgebod
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178843:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In voorkomende gevallen is het overigens ook mogelijk – naast het hier te bespreken gebod en de reële executie – om een veroordeling tot nakoming te vorderen of om uit onrechtmatige daad te ageren. Zie Eikelboom 2014, p. 266 resp. Klein Wassink 2012, p. 169. Ik laat deze wegen hier buiten beschouwing.
Rb. Middelburg (pres.) 14 april 1998, JOR 2000/25 (VenV). Vergelijkbaar zijn Rb. Roermond 17 mei 1973, NJ 1974/57, Rb. Amsterdam 20 december 2001, JOR 2002/26 (Gorillapark) en Rb. Amsterdam 26 maart 2008, JOR 2008/125, m.nt. Bartman (Delta Lloyd). Zie over deze en andere uitspraken uitvoeriger Kemp 2015, p. 257-258.
Vgl. Rb. Amsterdam 20 december 2001, JOR 2002/26 (Gorillapark).
Vgl. Rb. Roermond 17 mei 1973, NJ 1974/57.
Zie bijv. Rb. Utrecht (vzgnr.) 29 april 2009, JOR 2009/217, m.nt. Rensen (Karate-Do Bond Nederland).
Zoals art. 2:154/264 lid 3 BW, dat verplicht de statuten te wijzigen wanneer de vennootschap gedurende drie jaar aan de structuurcriteria voldoet. Zie Eikelboom 2014, p. 246. Vgl. ook de casus in Rb. Noord-Holland 8 februari 2017, JOR 2017/ 125, m.nt. Rensen (Woningbouwvereniging Oostzaanse Volkshuisvesting), waarin een woningcoöperatie in verband met een wetswijziging haar statuten moest aanpassen. Overgangsrecht verplicht er weleens toe de statuten te wijzigen bij de eerstvolgende mogelijkheid na de inwerkingtreding van een nieuwe wet.
Zie GS Burgerlijke Rechtsvordering/Tjong Tjin Tai 2018, art. 256 Rv, aant. 3.1.
Dikwijls zal niet zozeer de behoefte bestaan besluiten tegen te houden of te schorsen, als wel aan het afdwingen van besluiten. Het geldend recht biedt enkele mogelijkheden, maar hoever de rechter kan gaan is niet geheel onomstreden.1
Allereerst valt te denken aan een gebod om in bepaalde zin te stemmen. Uitspraken in deze trant zijn schaars – maar ze zijn er wel. Zo gebood de president van de Rechtbank Middelburg een aandeelhouder in te stemmen met een besluit tot de verkoop van een door de vennootschap gehouden deelneming.2 De materiële grondslag ligt ook hier in de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW. Evenals bij een verbod past de rechter terughoudendheid. Slechts onder bijzondere omstandigheden schrijft de redelijkheid en billijkheid bepaald stemgedrag voor. Te denken valt aan het geval waarin de vennootschap door de weigering van een aandeelhouder in deconfiture dreigt te geraken; de voorzieningenrechter zou dan een gebod kunnen uitspreken om mee te werken aan de uitgifte van aandelen.3 Ook voorstelbaar is dat de rechter een aandeelhouder gebiedt om de vaststelling van de jaarrekening niet zonder reden te frustreren.4 Een precieze maatstaf laat zich moeilijk formuleren, maar mijns inziens is voor een stemgebod slechts plaats waar de belangen van andere in de vennootschap betrokkenen onevenredig zwaar wegen. Dat is dus niet veel anders dan bij een verbod (dat ik boven in § 2.1 besprak). Zowel de bodemrechter als de voorzieningenrechter kan een gebod uitspreken.
Een andere, naar het lijkt wat minder gebruikelijke route is het vorderen van een besluitgebod. Het is dan niet zozeer een mede-aandeelhouder die moet stemmen, maar de rechtspersoon die bevolen wordt een door de rechter omschreven besluit tot stand te brengen. De bodemrechter kan zo’n gebod uitspreken, al dan niet nadat hij een eerder genomen besluit nietig heeft geacht of heeft vernietigd. Dat laatste kan de voorzieningenrechter niet, maar hij kan daaraan een mouw passen door de rechtspersoon te bevelen een nieuw besluit te nemen met intrekking van het eerdere besluit.5 Wat hiervan ook zij, een besluitgebod komt erop neer dat het daartoe bevoegde orgaan moet besluiten. Heel soms verplicht de wet tot besluitvorming,6 maar doorgaans zal ook een besluitgebod steunen op de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW. Een precieze maatstaf is er niet. Wel lijkt een besluitverplichting naar geldend recht niet licht te moeten worden aangenomen, met name niet als de rechter een bepaald besluit voorschrijft, daarmee de ‘besluitvrijheid’ van het orgaan tot nihil terugbrengt en – clichématig uitgedrukt – op de stoel van het orgaan plaatsneemt. Uit de materiële grondslag moet dan min of meer dat specifieke besluit volgen, hetgeen bij open normen als de redelijkheid en billijkheid niet snel het geval zal zijn. Tenslotte is de bodemrechter noch de voorzieningenrechter bevoegd om voorzieningen te treffen enkel op grond van een belangenafweging, zonder dat daarvoor een grondslag aan te wijzen valt.7