De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.1:21.1 Inleiding
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.1
21.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366539:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Verwijzingen naar de verjaring van een bedongen boete zijn weggelaten.
Zie hierna § 21.3.2.
1-112 28 april 2000, NJ 2000, 430 m.nt. ARB; zie nader § 21.3.3.
Zie § 21.2.2.
Uitgesloten is toepassing van de beprekende werking van de redelijkheid en billijkheid niet; zie hierover § 21.2.3.
Zie § 21.3.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De verjaring van rechtsvorderingen tot schadevergoeding is geregeld in art. 3:310 BW.1 De hoofdregel staat in lid 1. Dat luidt voor zover hier van belang:2 "Een rechtsvordering tot vergoeding van schade (...) verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade (...) als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt (...)". De vijfjaarstermijn wordt over het algemeen met "relatieve" of "subjectieve" termijn aangeduid en de twintigjaarstermijn met "objectieve" of "absolute" termijn.
De vijfjaarstermijn vangt aan op het moment van bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon. Omdat zijn aanvangsmoment afhangt van de wetenschap van de benadeelde, wordt hij ook wel de subjectieve verjaringstermijn genoemd. Dat hij ook wel met relatieve termijn wordt aangeduid is welbeschouwd niet helemaal zuiver, omdat hij, als hij eenmaal is aangevangen, onverbiddelijk na vijf jaar de bijl doet vallen. Daar echter ook de term relatieve termijn wijdverbreid is en bovendien geen aanleiding geeft tot misverstanden, zal hij ook in dit boek worden gebezigd.
Nu is het mogelijk dat de benadeelde nooit, of pas na onafzienbare tijd de voor aanvang van de vijfjaarstermijn vereiste wetenschap krijgt. Als de vijijaarstermijn de enige verjaringstermijn zou zijn, zou dat in die gevallen betekenen dat de verjaring nooit of pas na onafzienbare termijn aanvangt. De wetgever heeft dat niet gewild (met overigens als belangrijke uitzondering de vordering tot vergoeding van personenschade; dat type vordering kan wel eeuwig blijven bestaan),3 en heeft daarom voorzien in een tweede termijn, de twintigjaarstermijn. De twintigjaarstermijn vangt aan op het moment waarop de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, plaatsvindt. Zijn aanvangsmoment is dus niet afhankelijk van de schuldeiser betreffende omstandigheden, en wordt daarom ook wel de objectieve verjaringstermijn genoemd. Dat hij tevens met absolute termijn wordt aangeduid is strikt genomen niet meer helemaal juist, omdat de Hoge Raad in Van Hese/De Schelde heeft bepaald dat hij onder bepaalde omstandigheden buiten toepassing moet blijven; absoluut is hij dus niet meer.4
De conceptuele pijlers van art. 3:310 BW, te weten de subjectieve en de objectieve termijn, hebben vrij veel onduidelijkheid gegeven. Over het aanvangsmoment van de subjectieve termijn is in aanzienlijke mate rechtspraak en juridisch debat ontstaan, en de door de wetgever als onverbiddelijk bedoelde absolute termijn is door de Hoge Raad wezenlijk verzacht.
De aandacht voor de relatieve termijn is te verklaren doordat het in kwantitatieve zin de belangrijkste verjaringsvraag is, en uit het feit dat de tekst van de wet een groot aantal vragen onbeantwoord laat. Die vragen hebben alle het aanvangsmoment tot onderwerp.5 Als het aanvangsmoment van de vijfjaarstermijn eenmaal is vastgesteld, is daarmee in beginsel de discussie beslecht: doordat het aanvangsmoment subjectief wordt vastgesteld, ligt het geenszins voor de hand na ommekomst van die termijn alsnog te bezien of hij, gelet op de positie van de benadeelde, buiten toepassing zou moeten blijven; die positie was immers al in ogenschouw genomen.6
Dat is anders bij de objectieve termijn. Het aanvangsmoment van de objectieve termijn wordt bepaald zonder acht te slaan op de benadeelde betreffende omstandigheden. Het is zelfs zo, dat bij verjaring krachtens de objectieve termijn (bijna) per definitie de benadeelde niet in de gelegenheid is geweest zijn recht uit te oefenen.7 Die hardvochtigheid trad nadrukkelijk aan de dag in de asbestzaken, waar zich bij werknemers als gevolg van asbestblootstelling een ongeneeslijke kanker ontwikkelde, meer dan dertig jaar na de laatste asbestblootstelling. Onverkorte toepassing van de absolute verjaringstermijn zou betekenen dat hun vordering verjaard zou zijn, nog voordat zij ziek werden. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat onder die omstandigheden de objectieve termijn op grond van art. 6:2 lid BW 2 buiten toepassing moet blijven. Die uitzondering geeft aanleiding tot nadere beschouwing. Ook heersen met betrekking tot het aanvangsmoment de nodige vragen, met name betreffende de betekenis van de woorden "de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt".