Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/77
77 Het voorlopig getuigenverhoor is geen voorlopige maatregel in de zin van art. 31 EEX-Vo
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS453411:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Omwille van de duidelijkheid noem ik steeds het huidige art. 31 EEX-Vo, hoewel de uitspraak van het HvJ EG in de zaak St. Paul Dairy/Unibel nog de uitleg van het toenmalige, gelijkluidende art. 24 EEX-Verdrag betrof. De jurisprudentie over het EEX-Verdrag behoudt echter zijn betekenis voor de EEX-Vo, zie hierover A-G Vlas in zijn conclusie voor HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011: BU6545, NJ 2012, 128, m.nt. M.V. Polak (Roucar/4Stroke).
Van het Kaar 2008, p. 107.
A-G Strikwerda in zijn conclusie voor HR 24 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1683, NJ 1998, 414 m.nt. P. Vlas (Saueressig/Forbo) en de in nr. 17-20 van zijn conclusie genoemde literatuur en jurisprudentie; Van het Kaar 2008, p. 106-107. In de zaak Saueressig/Forbo waren door de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EG. De Hoge Raad wilde weten of een voorlopig getuigenverhoor voorafgaand aan een geding, met als doel het ophelderen van feiten, als een maatregel in de zin van art. 31 EEX-Vo kon gelden. Als gevolg van een royement van de zaak bleven deze vragen onbeantwoord. Zie ook Rb. Haarlem 23 april 2002, NJK 2002, 56.
Hof Amsterdam 12 december 2002, NJK 2003, 27.
Art. 24 Executieverdrag komt overeen met art. 31 EEX-Vo.
HvJ EG 28 april 2005, ECLI:NL:XX:2005:AV7679, NJ 2006, 636, m.nt. P. Vlas en JBPr 2005, 47 m.nt. M. Freudenthal (St. Paul Dairy/Unibel); Van het Kaar 2008, p. 111-113.
Zie over de werkingssfeer van de EEX-Vo nr. 20-27 van de conclusie van A-G Ruiz-Jarabo Colomer voor het arrest St. Paul Dairy/Unibel.
Zie r.o. 13 van het arrest St. Paul Dairy/Unibel, waarin het HvJ EG verwijst naar r.o. 34 in zijn uitspraak van 26 maart 1992, ECLI:NL:XX:1992:AD1645, NJ 1996, 315 (Reichert en Kockler/ Dresdner Bank) en naar r.o. 37 in zijn uitspraak van 17 november 1998, ECLI:NL:XX:1998: AD2958, NJ 1999, 339, m.nt. P. Vlas (Van Uden/Deco-Line).
Zie r.o. 14 van het arrest St. Paul Dairy/Unibel, waarin het HvJ EG verwijst naar r.o. 15 in zijn uitspraak van 21 mei 1980, ECLI:NL:XX:1980:AC6892, NJ 1981, 184, m.nt. J.C. Schultsz (Denilauler/ Couchet Freres) en naar r.o. 38 in zijn uitspraak van 17 november 1998, ECLI:NL:XX:1998:AD2958, NJ 1999, 339, m.nt. P. Vlas (Van Uden/Deco-Line).
Art. 24 Executieverdrag komt overeen met art. 31 EEX-Vo.
Zie nr. 55-58 en 62 van de conclusie van A-G Ruiz-Jarabo Colomer, P. Vlas in nr. 5 van zijn noot en M. Freudenthal in nr. 10 van haar noot onder het arrest St. Paul Dairy/Unibel. De Commissie achtte de oplossing van de A-G in strijd met de rechtszekerheid, omdat het lastig kan zijn te beoordelen of het doel van het veiligstellen van bewijs de overhand heeft, dan wel het doel van het ophelderen van de feiten. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 21 september 2006, ECLI:NL: GHSHE:2006:AZ0587, JBPr 2007, 15, m.nt. G.S.C.M. van Roeyen; Rb. Midden-Nederland 11 september 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:4935.
Vgl. par. 2.3-2.6, nr. 47 en par. 6.7 over (de eis van) gevaar voor verlies van bewijs.
Van het Kaar 2006, p. 385-387; Van het Kaar 2008, p. 114-115.
Welke gevallen hieronder vallen, wordt niet duidelijk.
HR 17 november 1998, ECLI:NL:XX:1998:AD2958, NJ 1999, 339, m.nt. P. Vlas (Van Uden/Deco- Line).
M.V. Polak in nr. 6 van zijn noot in NJ 2012, 128 onder HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011: BU6545 (Roucar/4Stroke).
Als de Nederlandse rechter zijn bevoegdheid in de hoofdzaak niet kan baseren op de bevoegdheidsbepalingen van art. 4 en 7 tot en met 26 EEX-Vo Ibis (art. 2 en 5 tot en met 24 EEX-Vo), dan komt art. 35 EEX-Vo Ibis (art. 31 EEX-Vo)1 in beeld.2 In dit nummer wordt ingegaan op de jurisprudentie over art. 31 EEX-Vo. In het volgende nummer komt aan de orde of de EEX-Vo Ibis verandering heeft gebracht.
Volgens art. 31 EEX-Vo kunnen in de wetgeving van een staat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregelen bij de gerechten van die staat worden aangevraagd, ook als een gerecht van een andere lidstaat krachtens de EEX-Vo bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen. Lange tijd bestond twijfel3 over het antwoord op de vraag of het mogelijk was op grond van art. 31 EEX-Vo een voorlopig getuigenverhoor bij de Nederlandse rechter te vragen als het gerecht van een andere lidstaat bevoegd was in de bodemzaak. In 2005 maakte een arrest van het HvJ EG daaraan een einde.
In de zaak St. Paul Dairy/Unibel was door de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor van een in Nederland woonachtige getuige bevolen. Aangaande de hoofdzaak stond vast dat beide partijen in België waren gevestigd, de rechtsbetrekking werd beheerst door Belgisch recht, de Belgische rechter bevoegd was kennis te nemen van de hoofdzaak en in Nederland noch in België een zaak met hetzelfde voorwerp aanhangig was. In hoger beroep stelde St. Paul Dairy dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was om kennis te nemen van het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor. Het hof Amsterdam stelde vervolgens twee prejudiciële vragen aan het HvJ EG,4 die door dat laatste hof in r.o. 9 van zijn arrest als volgt werden samengevat:
“Met deze vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten voordat een zaak ten gronde aanhangig wordt gemaakt, teneinde de indiener daarvan in staat te stellen in te schatten of een eventuele vordering opportuun is, als voorlopige of bewarende maatregel in de zin van artikel 24 Executieverdrag5 onder het toepassingsgebied daarvan valt.”
Op 28 april 2005 besliste het HvJ EG dat een voorlopig getuigenverhoor geen voorlopige maatregel in de zin van art. 31 EEX-Vo is.6 Volgens het HvJ EG, r.o. 12, is het doel van het artikel “te voorkomen, dat partijen schade lijden ten gevolge van de lange termijnen die bij iedere internationale procedure onvermijdelijk zijn”. Een voorlopige of bewarende maatregel is dan ook een maatregel die, met betrekking tot de gebieden die behoren tot de materiële werkingssfeer van de EEX-Vo,7 bedoeld is om een feitelijke of rechtssituatie in stand te houden ter bewaring van rechten waarvan vaststelling in het bodemgeschil wordt gevorderd.8 Bovendien vergt het toestaan van een dergelijke maatregel bijzondere behoedzaamheid van de rechter en is de plaatselijke rechter het best in staat te beoordelen of de gevraagde maatregel moet worden toegestaan of geweigerd en hoe het voorlopige of bewarende karakter van de maatregel dient te worden gewaarborgd.9 Het voorlopig getuigenverhoor past niet in dit plaatje van een maatregel die slechts een situatie in stand moet houden; het betreft een zelfstandige onderzoeksmaatregel, die niet (voldoende) samenhangt met de bodemprocedure en in casu niet was gericht op het bewaren van bewijs. Het hof geeft daarom in r.o. 25 het volgende antwoord op de prejudiciële vraag:
“Derhalve moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 24 Executieverdrag10 aldus moet worden uitgelegd dat een maatregel waarbij het verhoor van een getuige wordt gelast, teneinde de aanvrager daarvan in staat te stellen, in te schatten of een eventuele vordering opportuun is, de rechtsgrondslag van die vordering te bepalen en de relevantie te beoordelen van de middelen die in dat verband kunnen worden aangevoerd, niet onder het begrip ‘voorlopige of bewarende maatregelen’ valt.”
Het HvJ EG noemt in r.o. 18-20 nog een aantal andere argumenten. Het toestaan van het voorlopig getuigenverhoor als maatregel in de zin van art. 31 EEX-Vo zou (1) er gemakkelijk toe kunnen leiden dat de gewone bevoegdheidsregels van de EEX-Vo worden omzeild en (2) tot gevolg hebben “dat met betrekking tot een zelfde rechtsverhouding meerdere rechterlijke instanties bevoegd zijn, hetgeen in strijd is met de doelstellingen van het Executieverdrag”. Bovendien vergt de rechtszekerheid dat bevoegdheidsregels die afwijken van de hoofdregel zo worden uitgelegd dat “een gemiddeld oordeelkundige verweerder op grond ervan redelijkerwijs kan voorzien, voor welke andere rechter dan die van de staat van zijn woonplaats hij in rechte zou kunnen worden opgeroepen”.
Als het doel van het voorlopig getuigenverhoor het inschatten van proceskansen, het bepalen van de grondslag van de toekomstige vordering of het achterhalen van de wederpartij is, kan het, zo blijkt uit het arrest St. Paul Dairy/Unibel, niet worden aangemerkt als een maatregel in de zin van art. 31 EEX-Vo. Het HvJ EG onthulde echter niet of een voorlopig getuigenverhoor dat wordt gevraagd met als doel het voorkomen van verlies van bewijsmateriaal wél kan worden beschouwd als een maatregel in de zin van art.31 EEX-Vo. Zowel A-G Ruiz-Jarabo Colomer, Vlas als Freudenthal menen – en ik sluit mij daarbij aan – dat het voorlopig getuigenverhoor als maatregel in de zin van art. 31 EEX-Vo moet worden aangemerkt als daarmee enkel bewijsmateriaal voor een toekomstige procedure wordt bewaard.11 Gedacht moet dan alleen worden aan gevallen waarin de persoon van de getuige dreigt weg te vallen, bijvoorbeeld als de getuige terminaal ziek is.12 Van het Kaar meent echter dat het voorlopig getuigenverhoor, ongeacht het doel daarvan, moet worden gediskwalificeerd als voorlopige maatregel in de zin van art. 31 EEX-Vo; getuigenverklaringen afgelegd in een voorlopig getuigenverhoor hebben een definitief karakter.13
Polak meent dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen dat is gericht op het in een vroegtijdig stadium doen afleggen van getuigenverklaringen14 of het veiligstellen van bewijs kan worden gebaseerd op art. 10 Rv in samenhang met het arrest Van Uden/Deco-Line.15 In dat arrest heeft het HvJ EG bepaald dat voor het treffen van een voorlopige of bewarende maatregel primair van belang is of er een reële band bestaat tussen het voorwerp van de gevraagde maatregel en de op territoriale criteria gebaseerde bevoegdheid van een aangezochte rechter. De ‘distributie bepaalt attributie’-regel van art. 10 Rv in combinatie met de regel van art. 187 lid 1 Rv dat de rechter van de woonplaats van de getuigen (of het grootste aantal van hen) bevoegd is een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, levert een in Nederland bevoegde rechter op. Volgens Polak is met de woonplaats van de getuigen in Nederland ook voldaan aan het vereiste van een reële band tussen het voorlopig getuigenverhoor en de bevoegdheid van de lokale rechter.16