Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/1.1
1.1 Aanleiding en motief onderzoek
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS452936:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
P.H.J. Essers, De aandeelhouder onder schot, Belastingadviseursdag 1995, De Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs, Fed, Deventer, 1995 alsmede L.G.M. Stevens e.a., Herbezinning op het regime voor inkomsten uit aandelen, Pre-advies Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, IBFD Publications BV, Amsterdam, 1995. Dit laatste pre-advies is een meer concrete uitwerking van het artikel van L.G.M. Stevens, Naar een nieuw regime voor inkomsten uit aandelen, WFR 1994/6108, blz. 867 e.v.
GRAAG of niet, rapport van de Commissie voor de Belastingherziening (Commissie Stevens), blz. 154 en blz. 219 e.v., Sdu Juridische & Fiscale Uitgeverij, juli 1991.
Bouwstenennotitie: Materiaal voor onderhoud en aanpassing van de loon- en inkomstenbelasting op weg naar 2000 (2 delen), blz. 265 e.v. en bijlage 15, Ministerie van Financiën, Den Haag. 1994.
Het rapport van subwerkgroep I (vermogensinkomsten, winst uit aanmerkelijk belang en vermogensbelasting) is als bijlage opgenomen bij de memorie van toelichting bij het ontwerp van Wet tot wijziging van enige belastingwetten (herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting), Kamerstuknr. 24 761, nr. 3.
Een belangrijk pleitbezorger voor een nieuw regime met betrekking tot de opbrengsten van aandelen was L.G.M. Stevens. Zie zijn: Naar een nieuw regime voor inkomsten uit aandelen, WFR 1994/6108, blz. 867 e.v. Tevens kan worden gewezen op de stroom artikelen in diverse fiscale vaktijdschriften naar aanleiding van de holding- en kasgeldjurisprudentie van de Hoge Raad van 11 juli 1990, BNB 1990/290-293 (zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.4.3 en de aldaar aangehaalde literatuur).
1 januari 1997 is een gedenkwaardige datum voor al diegenen die zich in de fiscale wetenschap en praktijk bezighouden met de inkomstenbelastingaspecten van de opbrengsten van aandelen. Met ingang van deze datum is immers het systeem met betrekking tot de opbrengsten van aandelen drastisch gewijzigd in vergelijking met het tot 1 januari 1997 bestaande fiscale stelsel. Deze wijziging van het wettelijke systeem is zo ingrijpend van aard dat bestaande noties ter zake van het al dan niet uitkeren van dividend, het al dan niet in een BV inbrengen van privé-vermogensbestanddelen, e.d. volledig op hun kop zijn gezet. Opeens is de belastingdruk over een dividenduitkering niet langer prohibitief om dividend uit te keren en komt het moment waarop het vanuit fiscaal oogpunt aantrekkelijk is om privé-vermogensbestanddelen in een BV in te brengen eerder in beeld.
De wijziging van het wettelijke regime met betrekking tot de opbrengsten van aandelen is het gevolg geweest van een toegenomen belangstelling waarin de fiscale aspecten met betrekking tot de opbrengsten van aandelen zich in de jaren tot 1 januari 1997 mocht verheugen. In de fiscale adviespraktijk hadden belastingadviseurs zich namelijk creatief getoond om de belastingheffing met betrekking tot de opbrengsten van aandelen van zijn scherpe kanten te ontdoen en via al dan niet gekunstelde constructies de belastingheffing met betrekking tot de opbrengsten van aandelen te onttrekken aan de progressieve tariefstructuur van de inkomstenbelasting. Dit was zeer tegen wil van de uitvoerder van de belastingwetgeving en - naar later bleek - ook de fiscale wetgever. Deze in de fiscale adviespraktijk voorkomende belastingbesparende constructies leidden ertoe dat twee toonaangevende fiscale organisaties in Nederland, de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs alsmede de Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs, in 1995 aandacht besteedden aan de problemen die voortvloeiden uit de toenmalige wijze van belastingheffing over de diverse opbrengsten van aandelen.1 Eensgezind kwamen beide organisaties tot de conclusie dat het bestaande systeem van belastingheffing met betrekking tot de opbrengsten van aandelen niet meer paste in het huidige tijdsgewricht en aan een herziening toe was. Alleen de vormgeving van de reparatie was nog onderwerp van discussie, maar dat een ingrijpende herziening geboden was, was boven elke twijfel verheven.
Deze toegenomen belangstelling voor de belastingheffing met betrekking tot de opbrengsten van aandelen was ook aan de politiek niet ontsnapt. Besteedde de Commissie tot vereenvoudiging van de loonbelasting en de inkomstenbelasting (Commissie Oort) in haar rapport van mei 1986, getiteld 'Zicht op eenvoud', nog nauwelijks aandacht aan de fiscale behandeling van de opbrengsten van aandelen, de (vervolg-)Commissie voor de Belastingherziening (Commissie Stevens) wijdde in haar rapport van juli 1991 'GRAAG of niet' nadrukkelijk enkele passages aan de fiscale aspecten verbonden aan de opbrengsten van aandelen.2 In de Bouwstenennotitie van juli 1994 daarentegen werd onder andere de fiscale behandeling van de opbrengsten van aandelen nadrukkelijk op de voorgrond geplaatst.3 Deze politieke aandacht voor de fiscale behandeling van de opbrengsten van aandelen vormde de aanleiding om op 28 november 1994 een werkgroep fiscaal-technische herziening van de loon- en inkomstenbelasting in te stellen die uiterlijk 1 april 1996 rapporteerde. Binnen deze werkgroep heeft een subwerkgroep de inkomstenbelastingproblemen met betrekking tot de opbrengsten van aandelen ter hand genomen.4
Ten slotte heeft ook de wetenschap zich niet onbetuigd gelaten in deze discussie zoals blijkt uit de wetenschappelijke literatuur die sedert 1990 is verschenen op het terrein van de opbrengsten van aandelen.5 Uit dit onderzoek blijkt dat tientallen artikelen in meer of mindere mate de opbrengsten van aandelen als onderwerp hebben.
De overweldigende belangstelling voor de fiscale behandeling van de opbrengsten van aandelen kan met name worden toegeschreven aan de in de jaren tachtig op grote schaal tot ontwikkeling gekomen belastingbesparende constructies - met klinkende namen als 'holding- en kasgeldconstructies', 'turboconstructies', 'agio(-oppomp)constructies', e.d. - die tot doel hadden de heffing van inkomstenbelasting over de opbrengsten van aandelen in meer of mindere mate te frustreren. De bestrijding van deze constructies door de fiscus, waarbij paardenmiddelen als fraus legis niet werden geschuwd, leidde tot een omvangrijke jurisprudentie, waarvan de reikwijdte niet altijd kon (en kan) worden doorgrond. Met name de holding- en kasgeldjurisprudentie met haar zeer fijnmazige detaillering ging het fiscale bevattingsvermogen van velen toch wel te boven. Dit ging zelfs zover dat het erop leek dat elke aandelenver-kooptransactie onder de klem van de holding- en kasgeldjurisprudentie kwam te liggen. Na deze uitgebreide jurisprudentie, waarvan elk arrest een gevalsstudie op zich was, ging het zicht op de problematiek zodanig verloren dat allerwegen het gevoel ging ontstaan dat het zo toch niet verder kon en wetgevend ingrijpen geboden was. Zeer bevrijdend werkte dan ook het appél van de Hoge Raad aan de fiscale wetgever in zijn arrest van 18 oktober 1995, BNB 1996/189 inzake een turboconstructie waarin de Hoge Raad oordeelde dat de vervanging van 'een zo fundamentele aan de Wet ten grondslag liggende conceptie (...) door een meer subjectief bepaald begrip opbrengst van aandelen slechts door de wetgever kan geschieden'. Deze oproep van de Hoge Raad aan het adres van de (fiscale) wetgever is door deze laatste voortvarend opgepakt en heeft geresulteerd in een nauwelijks een half jaar later op 4 juni 1996 ingediend wetsvoorstel tot herziening van het aanmerkelijkbelangregime dat na een even voortvarende parlementaire behandeling op 1 januari 1997 in werking is getreden. Of met deze wettelijke ingreep in het systeem van belastingheffing met betrekking tot de opbrengsten van aandelen ook daadwerkelijk alle problemen zullen zijn opgelost, valt echter nog te bezien en vormt het onderwerp van deze studie.
Bovenvermelde ontwikkelingen vormden de aanleiding voor onderhavig onderzoek naar de fiscale aspecten met betrekking tot de opbrengsten van aandelen. Met name mijn eigen betrokkenheid bij de totstandkoming van het hierboven vermelde pre-advies nr. 12 van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs in 1995 - onderdeel VI 'Holding- en kasgeldproblematiek, nationaal en internationaal bezien' is van mijn hand - is de directe aanleiding geweest tot onderhavig onderzoek. Zoals hierna nog zal blijken, is het vernieuwde wettelijke regime met betrekking tot de opbrengsten van aandelen een zeer ingrijpende operatie geweest waarbij de Wet op de inkomstenbelasting in haar hart is getroffen. De wijzigingen zijn aanmerkelijk verder gegaan dan normaliter het geval is als de fiscale wetgever het betreffende oneigenlijke gebruik door middel van specifieke reparatiewetgeving wenst te keren, zoals het geval was bij de herziening van het fiscale regime met betrekking tot de lijfrenten en kapitaalverzekeringen (Brede herwaardering I), de pensioenen (Brede herwaardering II) en de blote-eigen-domsconstructies. Het is dan ook wenselijk om de probleemgebieden rondom de fiscale behandeling van de opbrengsten van aandelen, en met name het opsporen van de oorzaken hiervan, in een meeromvattende studie te onderzoeken. Vervolgens kan dan worden getoetst of de doorgevoerde wettelijke reparatie ook inderdaad de beoogde effecten heeft gehad. Deze studie beoogt daarin te voorzien.