Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/3.4.3.1
3.4.3.1 Het arrest Staat/Bolsius
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS503636:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 februari 1990, NJ 1993/635 m.nt. M. Scheltema, AB 1990/223 m.nt. G.P. Kleijn (Staat/Bolsius).
Vgl. Rb. Midden-Nederland 29 juli 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:5504 (Amersfoortse ambtenaar).
Zie eerder ook HR 22 november 1985, NJ 1986/722 m.nt. M. Scheltema, AB 1986/245 m.nt. G.A.C.M. van Ballegooij (V&D en Super Doe/Groningen), waarin de Hoge Raad eveneens waarde hechtte aan de omstandigheid dat V&D en Super Doe uitgingen van de juistheid van de genomen beschikkingen.
Conclusie van A-G Mok, onder 3.3.1, voor HR 2 februari 1990, NJ 1993/635 m.nt. M. Scheltema, AB 1990/223 m.nt. G.P. Kleijn (Staat/Bolsius).
Zie ook Hof ‘s-Hertogenbosch 9 november 1992, NJ 1993/311, r.o. 4.1.4 (Roosendaal en Nispen/Uytdehaag).
Zie bijvoorbeeld ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3132, r.o. 5.2 (Openbare weg Bunde).
Ten eerste is het arrest Staat/Bolsius van belang.1 Bolsius stond als werkzoekende ingeschreven bij het Gewestelijk Arbeidsbureau (‘GAB’) te Oosterhout. In verband met een sollicitatie te Haaksbergen had hij het GAB, dat door de Staat was aangewezen om voorlichting te geven en informatie te verstrekken, inlichtingen gevraagd over de mogelijkheid van een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing. Twee ambtenaren van het GAB verstrekten Bolsius vervolgens onjuiste althans onvolledige informatie over de Bijdrageregeling verplaatsingskosten 1977 (BRV), terwijl zij wisten dat de aanvaarding van een nieuwe functie door Bolsius afhankelijk was van de verkrijging een tegemoetkoming in de verhuiskosten. Op grond van de verkregen informatie besloot Bolsius om een nieuwe betrekking te aanvaarden te Haaksbergen, in de veronderstelling dat hij in aanmerking kwam voor een financiële tegemoetkoming in zijn verplaatsingskosten.2 Ter verkrijging van deze tegemoetkoming diende Bolsius een aanvraag in bij het GAB te Oosterhout. Nadat de aanvraag was doorgezonden aan de Directeur van het GAB te Enschede, is hierop afwijzend beschikt op de grond dat de vacature in kwestie niet was aangemeld bij het GAB te Enschede en dat deze vacature niet was vrijgegeven voor intergewestelijke bemiddeling. De verlening van een tegemoetkoming was afhankelijk van een dergelijke aanmelding en vrijgave. De ambtenaren van het GAB te Oosterhout hadden echter niet bij het GAB te Enschede geïnformeerd of aan deze vereisten was voldaan voordat zij Bolsius informeerden.
Bolsius vordert schadevergoeding ter hoogte van de misgelopen tegemoetkoming op grond van de BRV. De gestelde schadeposten bestonden in inrichtingskosten, verhuiskosten, kosten van het voeren van een gescheiden huishouding en reiskosten. De rechtbank verklaarde Bolsius niet-ontvankelijk in zijn vordering. Hiertoe overwoog zij dat Bolsius beroep op grond van de toenmalige Wet Arob had kunnen instellen tegen de afwijzende beschikking van de Directeur. In dat beroep had hij ook de wijze van totstandkoming van de beschikking met inbegrip van de verkregen inlichtingen aan de orde kunnen stellen. Nu Bolsius geen rechtsmiddelen had aangewend tegen de afwijzende beschikking, meende de rechtbank dat Bolsius geen vordering uit onrechtmatige daad tot schadevergoeding ter hoogte van het equivalent van de BRV-tegemoetkoming kon instellen op dezelfde grondslag als die tot vernietiging van de afwijzende beslissing had kunnen leiden.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank. Naar ‘s hofs oordeel bestond er geen grond om Bolsius niet-ontvankelijk te verklaren wegens het nalaten om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de afwijzende beschikking van de directeur. Dit zou anders zijn indien Bolsius aan zijn vordering ten grondslag zou hebben gelegd dat het nemen van die beschikking jegens hem onrechtmatig was en uit dien hoofde een aanspraak op schadevergoeding schiep. Dit geval doet zich niet voor. Volgens het hof ging Bolsius uit van de juistheid van de beschikking van de Directeur, omdat hij in de civielrechtelijke procedure nergens bezwaren tegen de beschikking had voorgelegd. Het hof overweegt dat de ambtenaren van het GAB te Oosterhout onzorgvuldig en daardoor onrechtmatig hebben gehandeld, maar laat in het midden of hun gedrag de Staat bond in die zin dat de Staat verplicht zou zijn om de door Bolsius gevorderde schadevergoeding ter hoogte van de misgelopen tegemoetkoming te voldoen. Het hof oordeelde evenwel dat het gedrag van de ambtenaren de Staat schadeplichtig maakte. Volgens het hof mocht Bolsius afgaan op de inlichtingen die hij van het GAB als ter zake kundige en met voorlichting belaste instantie kreeg. Bolsius had voorts geen aanleiding om aan de juistheid van de inlichtingen te twijfelen, noch was van hem te vergen dat hij zelfstandig de BRV zou raadplegen ter verificatie van de juistheid van de inlichtingen, aldus het hof.
In cassatie betoogt de Staat ten eerste dat de gedragingen van de ambtenaren in het kader van de totstandkoming van de beschikking door de bestuursrechter in zijn beoordeling hadden kunnen worden betrokken en tot vernietiging van de afwijzende beschikking hadden kunnen leiden, zodat deze als rechtmatig hebben te gelden. Ten tweede betoogt de Staat dat het door het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie gewekte vertrouwen behoort te worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of de beschikking is genomen in overeenstemming met de beginselen van behoorlijk bestuur. Als deze beoordeling tot een vernietiging van de beschikking leidt, dan is plaats voor schadevergoeding, aldus de Staat. De Hoge Raad volgt de Staat hierin niet, en verwerpt het cassatieberoep. Hiertoe overweegt hij dat de burger die meent het slachtoffer te zijn geworden van onjuiste, hem van overheidswege verstrekte inlichtingen, dankzij de toenmalige Wet Arob (oud) langs twee wegen redres kan zoeken. Deze wegen leiden tot een verschillend resultaat. De burger kon op de voet van artikel 7 Wet Arob (oud) tegen de afwijzende beschikking – eventueel na bezwaar – beroep instellen bij de bestuursrechter teneinde vernietiging van die beschikking en een nieuw besluit van het overheidsorgaan te verkrijgen. De burger kan ook,
‘uitgaande van de rechtsgeldigheid van de afwijzende beschikking, op de voet van art. 1401 BW bij de burgerlijke rechter op grond van aan die beschikking voorafgaand, jegens hem onrechtmatig optreden waarvoor de overheid aansprakelijk is, vergoeding vorderen van de schade welke hij heeft geleden doordat hij heeft gehandeld in de door dat optreden gewekte veronderstelling dat in andere zin zou worden beschikt. Uit art. 99 Wet op de Raad van State (Wet RvS) blijkt reeds dat het volgen van de eerste weg niet belet ook de tweede weg te volgen. De stelling dat het de burger, wanneer hij zulks in zijn belang oordeelt, niet zou vrijstaan te verkiezen alleen de tweede weg te volgen, miskent dat met de Wet Arob is beoogd de rechtsbescherming van de burger tegen de overheid uit te breiden.’
De vordering van Bolsius ging uit van de juistheid van de beschikking van de Directeur.3 Hiervan uitgaande erkent de Hoge Raad de keuzevrijheid van de burger, en sluit hij aan bij de conclusie van A-G Mok ter zake.4 Erkenning van deze vrijheid bergt volgens de Hoge Raad niet het gevaar in zich dat de burgerlijke rechter tot beslissingen komt die onverenigbaar zijn met die van de bestuursrechter. Wanneer de burger de rechtsgeldigheid van de beschikking eerst voorlegt aan de bestuursrechter, zal de burgerlijke rechter hebben uit te gaan van diens oordeel, inhoudende de nietigheid of rechtsgeldigheid van de beschikking. De omstandigheid dat de bestuursrechter zich heeft gebogen over het vertrouwen dat is gewekt door onjuiste of onvolledige informatieverstrekking, staat niet in alle gevallen in de weg aan een zelfstandige beoordeling daarvan door de burgerlijke rechter, aldus de Hoge Raad:
‘Wat laatstbedoelde mogelijkheid betreft, verdient nog aantekening dat, anders dan de Staat veronderstelt, de omstandigheid dat de administratieve rechter door onjuiste of onvolledige inlichtingen opgewekt vertrouwen dat in bepaalde zin zou worden beschikt, onvoldoende heeft geoordeeld om de vervolgens in andere zin genomen beschikking te vernietigen, de burgerlijke rechter niet zonder meer belet te oordelen dat het geven van die inlichtingen onzorgvuldig was en verplicht tot vergoeden van de daardoor veroorzaakte schade.’
Volgens de Hoge Raad kan de burgerlijke rechter dus oordelen dat onrechtmatig is gehandeld door onjuiste of onvolledige inlichtingen te verstrekken, ook al was het vertrouwen dat door die inlichtingen is opgewekt voor de bestuursrechter geen aanleiding voor vernietiging van een besluit.5 Dit ligt voor de hand. De verwerping van een beroep op het vertrouwensbeginsel door de bestuursrechter behoeft niet zonder meer te dwingen tot de afwijzing van een schadevergoedingsvordering door de burgerlijke rechter. Een dergelijke verwerping behoeft immers niet te berusten op de afwezigheid van een gerechtvaardigd vertrouwen, maar kan bijvoorbeeld ook zijn ingegeven door de contra legem-problematiek (zie paragraaf 4.7.12.3) of door het oordeel van de bestuursrechter dat andere, zwaarder wegende belangen spelen die zich verzetten tegen het nemen van een besluit in overeenstemming met het gewekte vertrouwen.6