Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/11.3.3
11.3.3 Art. 5.6.6 Ontwerp-Meijers: art. 6:75
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS481166:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Voetnoten
Voetnoten
Davids 1994, p. 31.
Asser/Beekhuis 1990 (3-II), p. 223.
Zie ook nog Davids 1988, p. 186.
Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten 2002 (3-II), p. 209.
Gräler 1995, p. 402 en 403; vgl. Berger 2001, p. 203; Wibbens-de Jong 2006, p. 38.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 266.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 267 en 268.
Zie over de natrekkingsregel recentelijk: Ploeger 1996A, p. 1-23. Over deze aflevering van het tijdschrift merken Hartlief en Tjittes (1997, p. 415) op dat er sprake is van ‘strakke, inderdaad Groningse, dogmatische bijdragen’: My (Grunnings) heart leaps up!
Parl. Gesch. Boek 5, p. 268.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 270.
Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten 2002 (3-II), p. 209.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 268.
De eigenaar van het heersende erf is bevoegd om op zijn kosten op het dienende erf alles te verrichten wat voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk is. Voorts is hij bevoegd om op zijn kosten op het dienende erf die gebouwen, werken en beplantingen aan te brengen die voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk zijn, aldus de leden 1 en 2 van art. 5:75. Lid 3 van dit artikel legt aan de eigenaar van het heersende erf de verplichting op om de door hem op het dienende erf aangebrachte zaken te onderhouden voor zover dit in het belang van het dienende erf is. Overigens heeft hij (eigenaar van het heersende erf) een wegnemingsrecht ten aanzien van de zaken die hij heeft aangebracht, mits hij het erf in de oude toestand terugbrengt (art. 5:75 lid 3 laatste zinsdeel). In lid 4 wordt vervolgens bepaald dat de eigenaar van het dienende erf geen recht van (mede)gebruik heeft van rechtmatig door de eigenaar van het heersende erf aangebrachte gebouwen, werken en beplantingen. Al deze bepalingen zijn volgens lid 5 van dit artikel van regelend recht. Art. 5:75 lid 6 bepaalt ten slotte:
‘In geval van mandeligheid zijn in plaats van de leden 3 en 4 de uit dien hoofde geldende regels van toepassing.’
Davids1 merkt bij de behandeling van dit artikellid op:
‘Wanneer gebouwen e.d. zijn aangebracht ter uitoefening van een erfdienstbaarheid en wanneer tevens is voldaan aan de vereisten van artikel 60 lid 2, dan is sprake van mandeligheid. In dat geval moeten de regels omtrent onderhoudsplicht, wegnemingsbevoegdheden en gebruiksbevoegdheden wijken voor die van de mandeligheid’!
Saillant detail: art. 5:60 lid 2 bestaat niet.
In Asser/Beekhuis2 merkt bewerker Davids op:
‘Zijn de kosten van het werk door beide partijen betaald, omdat het strekt ten nutte van beide erven, dan ontstaat meestal mandeligheid.’
Alsdan is het bepaalde van art. 5:75 lid 6 van toepassing.3 In Asser/Mijnssen/Davids/Van Velten merkt Davids op dat ingeval door de eigenaars van het heersend en het dienend erf de kosten van het werk zijn betaald mandeligheid in het leven kan worden geroepen. Voorts stelt hij dat het artikel
‘enigszins overbodig, doch historisch verklaarbaar’
is.4 Zoals zal blijken is dit artikel inderdaad historisch verklaarbaar, maar anders dan de aangehaalde schrijver ben ik van mening dat art. 5:75 lid 6 geen functie heeft en derhalve kan vervallen. Zoals ik reeds eerder heb betoogd5 is in de loop van de parlementaire geschiedenis bij de wijzigingen die zijn aangebracht in art. 5:75 en titel 5.5 (mandeligheid) het betreffende lid 6 over het hoofd gezien.
Ik zal deze stelling trachten te onderbouwen door aandacht te besteden aan de parlementaire geschiedenis van art. 5:75. De van belang zijnde elementen uit de parlementaire geschiedenis betreffende art. 5:60 zijn hiervoor reeds aan de orde geweest.
In het Ontwerp-Meijers was in art. 5.6.6 ten aanzien van de hier te bespreken problematiek het navolgende opgenomen:
De rechthebbende (eigenaar van het heersende erf) is eigenaar of mede-eigenaar van de werken die ten behoeve van de uitoefening van de erfdienstbaarheid op het dienende erf zijn gemaakt, al naarmate hij alleen dan wel tezamen met de eigenaar van het dienende erf de kosten van de aanleg heeft gedragen.
Hij is tot onderhoud van de werken verplicht, wanneer het belang van het dienende erf dit vordert en bij de akte van vestiging het tegendeel niet is bepaald.
Heeft de eigenaar van het dienende erf een recht van medegebruik, dan dragen beide eigenaars een deel der kosten van onderhoud in evenredigheid met ieders belang, behoudens een andere regeling in de akte van vestiging.
Met het tenietgaan van de erfdienstbaarheid vervalt de eigendom der werken aan de eigenaar van het dienende erf.’
Het Ontwerp-Meijers onderscheidde derhalve drie gevallen:
de eigenaar van het heersende erf is voor het geheel eigenaar van de werken, die zich op het dienende erf bevinden. Dit is het geval indien deze werken ten behoeve van de uitoefening van de erfdienstbaarheid zijn gemaakt en hij, eigenaar van het heersend erf, alleen de kosten van de aanleg heeft gedragen;
de eigenaar van het heersende erf en die van het dienende erf hebben gezamenlijk de eigendom van bedoelde werken. Dit is het geval indien zij ten behoeve van de uitoefening van de erfdienstbaarheid zijn gemaakt en de kosten van de aanleg door beiden zijn gedragen;
in alle overige gevallen is de eigenaar van het dienende erf ingevolge de hoofdregel van art. 5:20 eigenaar van de werken.
In de onder 1 en 2 genoemde gevallen werd de natrekkingsregel van het huidige art. 5:20 op informele wijze doorbroken. Aldus ook de Toelichting-Meijers.6
Reeds in de MvA II7 gaf de toenmalige minister aan deze doorbreking van de natrekkingsregel niet juist te vinden.
‘De bevoegdheden die de eigenaar van het heersende erf ten aanzien van de op het dienende erf op te richten gebouwen, werken en beplantingen heeft, zijn, ook zonder dat hij eigenaar of medeëigenaar daarvan is, van zakenrechtelijke aard, omdat zij voortvloeien uit het door hem verkregen servituut. De enkele omstandigheid dat hij (eigenaar van het heersende erf; JGG) de kosten van de aanleg geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening heeft genomen, is naar het oordeel van de ondergetekende geen reden om aan te nemen dat deze bevoegdheden meer dan dit zakenrechtelijke karakter zouden moeten hebben en dat slechts een hem toekomende eigendom of medeeigendom van gebouwen, werken en beplantingen een behoorlijke basis daarvoor zou opleveren.’
Het leek eenvoudiger de eigendom van gebouwen, werken en beplantingen toe te kennen aan de eigenaar van het dienende erf op grond van de gewone (natrekkings)regel ‘superficies cedit solo’8 (art. 5.3.1: thans art. 5:20). Vervolgens zou aangegeven kunnen worden welke bevoegdheden de eigenaar van het heersende erf en die van het dienende erf ten aanzien daarvan zouden kunnen uitoefenen.
Vervolgens werd de tekst van het huidige art. 5:75 voorgesteld. Er kon derhalve geen sprake meer zijn van doorkruising van art. 5:20. De eigenaar van het dienend erf zou ook in deze situatie eigenaar van de opstallen worden.
Dit zou anders zijn in geval van vestiging van een opstalrecht. Dit zou ook anders zijn
‘ingeval de eigenaars van het heersende en het dienende erf de door hen tezamen bekostigde gebouwen, werken of beplantingen bestemmen tot gemeenschappelijk nut van beide erven, er op grond van artikel 5.5.1 lid 2 gemeenschappelijke eigendom en zo mandeligheid kan ontstaan.’
En vervolgens:
‘In het laatste lid van artikel 6 is met dit geval rekening gehouden.’9
Op een andere plaats in de parlementaire geschiedenis10 wordt nog het volgende opgemerkt:
‘Het is verder duidelijk dat het derde en vierde lid geen toepassing kunnen vinden, wanneer er sprake is van een medegebruiksrecht van de eigenaar van het dienende erf, dat voortvloeit uit mandeligheid. Verwezen moge hier worden naar de artikelen 5.5.1 lid 2, 3.7.1.3 en 3a.’
Ik rond hier af: art. 5:75 lid 6 werd geschreven met het oog op de mogelijkheid van het ontstaan van mandeligheid ex art. 5.5.1 lid 2 zoals dat artikel was opgenomen in het Ontwerp-Meijers en de Vaststellingswet 1980. De verwijzingen naar dit artikel in de parlementaire geschiedenis maken dit wel zeer duidelijk. Nu ingevolge de wijzigingen die in titel 5.5 zijn aangebracht de wijze van ontstaan van mandeligheid ingrijpend is veranderd en gemeld art. 5.5.1 lid 2 is vervallen, is aan art. 5:75 lid 6 de bestaansgrond komen te ontvallen. Thans merkt Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten11 op:
‘Zijn de kosten van het werk door beide partijen betaald, omdat het strekt ten nutte van beide erven, dan kan een mandeligheid in het leven worden geroepen; (…). Is zulks geschied, dan gelden de uit dien hoofde toepasselijke regels. Enigszins overbodig, maar historisch verklaarbaar, is dit uitdrukkelijk opgenomen in art. 75 lid 6.’
Hierbij dient te worden bedacht dat in het geval waarin wordt gebouwd op het dienend erf, de eigenaar van dit erf ook eigenaar wordt van de opstallen. Art. 5:20 is hier onverkort van toepassing.12 Deze uitspraak is derhalve slechts waar indien partijen (de eigenaar van het heersende erf en de eigenaar van het dienende erf) een opstalrecht vestigen en dit recht mandelig maken.