De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.7.7:3.7.7 Overzicht van de professionele standaard van de leraar
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.7.7
3.7.7 Overzicht van de professionele standaard van de leraar
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949523:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Giard 2005, p. 158.
Artikel 7:453 van het BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Anders dan beoogd bij de totstandkoming van de Wet beroep leraar is het de beroepsgroep van leraren (nog) niet gelukt een professionele standaard op te stellen. Ook bevatten de onderwijswetten sinds 2022 niet langer een directe mogelijkheid om aan de hand van een professionele standaard met het bevoegd gezag afspraken te maken in een professioneel statuut over onder meer de zeggenschap van de leraar. Evenwel wordt in de literatuur en jurisprudentie erkend dat sprake is van een ongeschreven professionele standaard van de leraar. Uit de jurisprudentie zijn normen voor de beroepsuitoefening af te leiden.
Uit de ongeschreven professionele standaard van de leraar vloeit voort dat de leraar volkomen integer moet zijn, hij heeft immers een voorbeeldfunctie binnen en buiten de school. De leraar stelt in zijn werk het belang en de veiligheid van zijn leerlingen voorop. Dit houdt in dat hij moet bijdragen aan de ongestoorde voortgang van het onderwijs, de leerling heeft recht op een ononderbroken ontwikkelingsproces (zie uitgebreider § 5.3.3). Ook borgt de leraar de veiligheid van zijn leerlingen, op hem rust een bijzondere zorgplicht ten aanzien van de leerlingen die aan hem zijn toevertrouwd. Onder zijn taak om de veiligheid van de leerling te borgen valt dat hij zijn leerlingen niet onbeheerd achterlaat, dat hij zelf een professionele afstand tot zijn leerlingen bewaart en dat hij melding doet van een situatie die bedreigend is voor een leerling. Ten aanzien van de examinering geldt een extra zorgplicht voor de leraar. Hij moet zorg dragen voor deugdelijke examinering, het examen is immers voor de leerling en het bevoegd gezag van bijzonder belang. Voor wat betreft de integriteit van de leraar kunnen op dit punt dan ook hoge eisen worden gesteld. De leraar dient onder meer op de hoogte te zijn van het proces van examinering, zorgvuldig het examen op te stellen, te handelen in lijn met het beleid van de school en een professionele afstand te houden tot leerlingen zodat zij objectief beoordeeld worden.
Om de kwaliteit van het onderwijs te versterken, de professionele autonomie van de beroepsgroep te vergroten en de autonomie van de individuele leraar in de school te versterken zou de beroepsgroep van de leraar eigen richtlijnen kunnen opstellen om te bepalen waaraan goed onderwijs dient te voldoen. Het is denkbaar dat deze richtlijnen verschillen per onderwijssector, niveau of vak. Een dergelijke richtlijn kan onderdeel uit gaan maken van de professionele standaard van de leraar als deze voldoet aan de eisen van: wetenschappelijkheid, gezag, bereik, zorgvuldige totstandkoming, kenbaarheid en formulering.1
Anders dan bij de leraar is ten aanzien van de zorgverlener in het kader van de geneeskundige behandelingsovereenkomst expliciet bepaald dat de zorgverlener onder meer de professionele standaard in acht moet nemen.2 Deze norm richt zich direct tot de zorgverlener en hij kan erop aangesproken worden als de verleende zorg niet aan de maat is. Dat de zorgverlener zich moet houden aan zijn professionele standaard maakt, op grond van artikel 7:453 van het BW, immers onderdeel uit van de geneeskundige behandelingsovereenkomst met de patiënt. Dit is een belangrijk verschil met de wijze waarop het beroep van leraar wordt gereguleerd. De bepalingen over de leraar in de onderwijssectorwetten richten zich niet tot de leraar en ook de leerling kan hierop geen rechtstreeks beroep doen tegen de leraar. Deze bepalingen zijn namelijk gericht op het bevoegd gezag. Ook kan de leraar uit de onderwijswetten geen eigen norm voor het geven van goed onderwijs afleiden. De goede beroepsuitoefening van de leraar is dan ook minder stevig geregeld dan die van de zorgverlener. Het borgen van de kwaliteit van de beroepsuitoefening wordt in het onderwijs overgelaten aan het bevoegd gezag. Op het moment dat de beroepsgroep van de leraar met richtlijnen de professionele standaard van de leraar invult, kan aan de leraar een eigen (wettelijke) zorgplicht worden opgelegd voor het geven van goed onderwijs. Dit brengt niet alleen de plicht met zich om te handelen conform de professionele standaard, waaronder de richtlijnen, maar biedt ook autonomie omdat de leraar dan de ruimte gelaten moet worden om conform de standaard te handelen. Een geschreven professionele standaard kan dan ook bijdragen aan het versterken van de autonomie van de leraar.