Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/6.5.2
6.5.2 Constitutionele beperkingen van interpretatie
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS353542:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 3, par. 3.5.2.
Omdat bij corrigerende interpretatie vanwege al verdisconteerde omstandigheden de geldigheid van wetgeving ter discussie wordt gesteld, kan hier echter niet worden gesproken over een met een billijkheiduitzondering vergelijkbare interpretatie.
Annotatie R.J.B. Schutgens bij HR 25 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8524, Gst. 2010/29; over fraus legis IJzerman 1991, p. 18, 61-65; over contra-legemwerking van abbb Peters 1971, p. 25.
Hoofdstuk 3, par. 3.5.3.
HR 25 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8524, Gst. 2010/29, m.nt. R.J.B. Schutgens. Dit arrest komt ook aan de orde in par. 6.3.1 bij contra-legemwerking van het evenredigheidsbeginsel. Zie ook voetnoot 1794.
HR 26 mei 1926, NJ 1926, p. 723, m.nt. P. Scholten. Hierover ook par. 6.3.4, a.
Interpretaties zijn onderworpen aan constitutionele beperkingen.1 Ten eerste gelden voor corrigerende interpretatie vergelijkbare constitutionele eisen met die van billijkheidsuitzonderingen. Corrigerende interpretatie van de formele wet is zodoende slechts toegestaan vanwege door de wetgever niet-verdisconteerde omstandigheden; bij lagere wetgeving geldt die eis niet, maar moet bij reeds verdisconteerde omstandigheden met corrigerende interpretatie2 terughoudendheid worden betracht.
Het hiervóór gegeven voorbeeld lijkt deze beperking niet te overschrijden.
De Centrale Raad van Beroep overwoog immers dat hij van de wettekst afweek omdat de wetgever niet in dit geval had voorzien. De beweegredenen van de wetgever voor de verplichte boete gingen hier niet op, ook blijkens een verklaring namens de staatssecretaris ter zitting dat in de praktijk het COA dergelijke boetes voor vreemdelingen voldeed. En voor een vergelijkbare categorie personen was wel een regeling getroffen.
Ten tweede moeten gekunstelde interpretaties worden voorkomen. In plaats van voor een gekunstelde corrigerende interpretatie kan beter worden gekozen voor een uitzondering, zo wordt ook in bestuursrechtelijke literatuur gesteld.3 De genoemde interpretatie beschouw ik inderdaad als gekunsteld: er wordt erg ver afgeweken van de normale betekenis van de wettekst.
Met de wettekst is onmogelijk te verenigen dat er géén boete wordt opgelegd aan een verzekeringsplichtige die niet heeft betaald binnen drie maanden. In casu was aan de voorwaarden voor de verplichte oplegging van een boete voldaan: de vreemdeling was verzekeringsplichtig, niet verzekerd en had een aanmaning gehad. De uitleg dat de bepaling niet dwingt tot een boete, is gekunsteld.
Deze gekunsteldheid werd beargumenteerd met de bedoeling van de wetgever.4 Een uitzondering had echter volgens mij die bedoeling beter weergegeven – én had gekunsteldheid voorkomen. Het is onwaarschijnlijk dat de wetgever nooit een tekstuele uitleg zou hebben gewild, waardoor de bedoe- ling van de wetgever de gekunsteldheid niet kan rechtvaardigen. In de ‘normale gevallen’ waarvoor de bepaling is opgesteld, levert grammaticale uitleg immers de door de wetgever gewenste beslissing: niet-verzekerde verzekeringsplichtingen moeten een boete krijgen. Daarom had hier een uitzondering mijns inziens meer voor de hand gelegen.
In andere zaken werd (wél) geoordeeld dat corrigerende interpretatie te zeer zou afwijken van de tekst van een wettelijk voorschrift. In plaats van te interpreteren verkoos de rechter een uitzondering.
De wet bepaalde dat heffingsrente wordt geheven als een voorlopige aanslag wordt opgelegd na het verstrijken van zes maanden vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven.5 Een belanghebbende wilde geen heffingsrente betalen, omdat zijn voorlopige aanslag te laat was opgelegd door traagheid van de Belastingdienst.6 Volgens hem moest het voorschrift worden uitgelegd aan de hand van de wetsgeschiedenis waarin werd gesteld dat aanslagen binnen drie maanden zouden worden opgelegd. De Hoge Raad overwoog echter dat uit de wettekst onmiskenbaar volgde dat heffingsrente moest worden geheven. De wetgeschiedenis kon ‘niet leiden tot een uitleg van de wet waarin een zo vergaande uitzondering op haar bewoordingen wordt aangenomen als belanghebbende voorstaat’. Hij maakte wél een uitzondering op grond van een abbb.
In het Driedagenarrest had de feitenrechter het voorschrift dat successierecht was verschuldigd als een schenker tot zijn dood een uitkering had gekregen, zo uitgelegd dat hieronder ook viel dat de uitkering ophield drie dagen voor de dood van de schenker.7 De Hoge Raad koos niet voor deze interpretatie, maar oordeelde wel dat met hetzelfde resultaat een uitzondering had moeten worden gemaakt (op grond van fraus legis).
De corrigerende interpretaties in deze zaken waren gekunsteld: ze waren niet overeen te brengen met het normale spraakgebruik. In de eerste zaak overwoog de Hoge Raad dat de bedoeling van de wetgever de uitleg niet rechtvaardigde. Dat lijkt mij terecht: een tekstuele uitleg was wat de wetgever wenste in de gevallen waarvoor hij de wet opstelde. Mocht een tekstuele interpretatie zoals hier leiden tot een evident onbillijke beslissing, dan is een uitzondering aangewezen. Deze redenering is ook van toepassing op de tweede zaak, waar de Hoge Raad korter was.