Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/7.5.4
7.5.4 Het voorbijzien aan een disclaimer
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS508635:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Barendrecht e.a. 2002, p. 92-93.
Zie hierover Van de Sande 2018, p. 296-298.
Siemerink, Van Eijden & Van Esch 2006, p. 147.
Vgl. Keirse & Jongeneel 2013, p. 44-45 over de aansprakelijkheidsbeperkende waarde van waarschuwingen in het algemeen.
Vgl. Barendrecht e.a. 2002, p. 27 en Rb. Zutphen 11 februari 2009, ECLI:NL:RBZUT:2009:BH7596, r.o. 4.8 (Woonhuis Apeldoorn), waarin werking werd onthouden aan een disclaimer omdat zij algemeen van aard was en kennelijk standaard onder e-mailberichten van de gemeente werd opgenomen.
In deze paragraaf wordt ingegaan op het veronachtzamen van een disclaimer als grond voor vermindering van een schadevergoedingsplicht. Volgens Barendrecht e.a. moet – in het kader van de controle van de verstrekte informatie door de burger – betekenis worden toegekend aan eventuele aansprakelijkheidsbeperkingen, waarmee aansprakelijkheid voor de onjuistheid of onvolledigheid van de informatie wordt uitgesloten.1 Een waarschuwing dat aan informatie (op het internet) geen rechten kunnen worden ontleend kan meebrengen dat de burger minder snel op de informatie mag afgaan. Van de burger mag worden verwacht dat hij de informatie verifieert bij de overheid, indien deze voor hem van cruciaal belang is, aldus Barendrecht e.a. Op hoofdlijnen kan ik mij in deze opvatting vinden. In paragraaf 4.7.12.5 werd hierover al gesteld dat het antwoord op de vraag of mag worden afgegaan op de juistheid van overheidsinformatie mede afhankelijk is van mededelingen van de overheid over de mate waarin zij voor die juistheid instaat.
Een zekere aansprakelijkheidsbeperkende betekenis kan niet worden ontzegd aan het gebruik van zogenoemde ‘disclaimers’.2 De aanwezigheid van een disclaimer heeft in de eerste plaats – afhankelijk van de bewoordingen daarvan3 – invloed op de beantwoording van de vraag naar de onrechtmatigheid van het overheidshandelen. De aanwezigheid van een disclaimer zou voorts – nadat de drempel der onrechtmatigheid is genomen – ertoe kunnen leiden dat een burger eigen schuld aan het ontstaan van de schade heeft in de zin van artikel 6:101 lid 1 BW. Het veronachtzamen van de waarschuwing die in een disclaimer besloten ligt, kan worden aangemerkt als een omstandigheid die op de voet van artikel 6:101 lid 1 BW kan leiden tot vermindering van de schadevergoedingsplicht van de overheid.4 Hiervoor is uiteraard vereist dat vaststaat dat de burger kennis heeft kunnen nemen van de disclaimer. Dit zal lang niet altijd het geval zijn. Denk bijvoorbeeld aan een disclaimer die is opgenomen op een afzonderlijke webpagina binnen een website, die niet aan iedere bezoeker wordt getoond. Verder is vereist dat de waarschuwing voldoende specifiek is. Aan een disclaimer zal immers een grotere betekenis toekomen indien het niet gaat om een waarschuwing in algemene bewoordingen die standaard onder elke brief wordt opgenomen, maar om een disclaimer die qua bewoordingen is toegesneden op de informatieverstrekking in kwestie.5
De stelling van Barendrecht e.a. dat een disclaimer kan meebrengen dat van de burger mag worden verwacht dat hij informatie verifieert bij de overheid, indien deze voor hem van cruciaal belang is, kan ik echter niet geheel volgen. Ten eerste zie ik niet in dat alleen een verificatieplicht op de burger zou rusten met betrekking tot informatie die voor hem van cruciaal belang is. Daargelaten wat daaronder moet worden verstaan, is het niet zo dat slechts aansprakelijkheid kan bestaan voor het verstrekken van cruciale informatie, zodat evenmin kan worden aanvaard dat alleen bij zulke informatie plaats is voor toepassing van artikel 6:101 BW. Ten tweede valt niet in te zien dat, zoals Barendrecht e.a. optekenen, de burger uitsluitend voldoende zorgvuldig handelt indien hij de informatie verifieert bij de overheid. Door de informatie zelf te controleren, of door de informatie door een deskundige derde te laten controleren bij wijze van second opinion, is de kans op een herhaling van fouten mijns inziens kleiner dan wanneer de overheid wordt gevraagd of zij nog steeds achter haar eerdere informatieverstrekking staat. Dit neemt niet weg dat de burger die zijn twijfel aan de overheid overbrengt, een verduidelijkende vraag stelt dan wel aan de overheid vraagt of zij ‘het zeker weet’, en vervolgens van de overheid een bevestiging van de juistheid van de verstrekte informatie ontvangt, inderdaad niet snel last zal hebben van het bepaalde in artikel 6:101 lid 1 BW.