Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.3.3.2
5.3.3.2 Strekking en reikwijdte
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS474395:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/319b en 814; Snijders & Rank-Berenschot 2012/545; Rongen 2012/927. Zie ook HR 3 februari 2012, JOR 2012/200, m.nt. B.A. Schuijling, NJ 2012/261, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Dix q.q./ING).
Zie ook MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 763.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1197. Zie ook HR 17 februari 1995, NJ 1996/471, m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./CLBN).
HR 24 oktober 1980, NJ 1981/265, m.nt. W.M. Kleijn (Solleveld II) en HR 26 maart 1982, NJ 1982/615, m.nt. W.M. Kleijn (SOS/ABN).
Art. 3.9.2.3 GO. Het meer beperkte uitgangspunt van het Ontwerp Meijers werd daarmee verlaten. Dat ontwerp nam tot uitgangpunt dat – gelijk bij cessie – mededeling een constitutief vereiste zou zijn voor verpanding. Zie art. 3.4.2.7 lid 2 jo. 3.9.2.1 lid 2 OM en TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 392. Verpanding zonder mededeling aan de schuldenaar was volgens het Ontwerp Meijers slechts mogelijk bij de verpanding van bedrijfsvorderingen aan een kredietinstelling tot zekerheid van een bedrijfskrediet.
Vgl. voor beslag: HR 25 februari 1932, NJ 1932/301, m.nt. P. Scholten (Ontvanger/Schermer) en voor cessie: HR 29 december 1933, NJ 1934/343, m.nt. P. Scholten (Fijn van Draat q.q./Crediet-Maatschappij De Nederlanden) en HR 24 oktober 1980, NJ 1981/265, m.nt. W.M. Kleijn (Solleveld II).
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 1337. Zie ook Wuisman, in zijn conclusie voor HR 23 mei 2014, JOR 2014/252, m.nt. B.A. Schuijling (ABN AMRO/UBO 35), onder 2.2.1.
Vgl. Nota II 2003/04, 28 878, nr. 5, p. 7 en Nota I 2003/04, 28 878, C, p. 3.
Wel is bij die gelegenheid nog opgemerkt dat de beperking berust op een afweging van belangen en dat er goede redenen zijn om deze figuur aan banden te leggen. Daarbij is erop gewezen dat een stille verpanding of cessie van alle toekomstige vorderingen van iemand een zeer ingrijpende rechtshandeling is, waardoor iemand zijn financiële armslag voor de toekomst in belangrijke mate verliest, de mogelijkheid van verhaal op iemands vermogen drastisch wordt beperkt en een bijzonder gevaar bestaat voor verrassingen voor de schuldenaar of derden. Zie Nota II 2003/04, 28 878, nr. 5, p. 7-9.
Vgl. MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1247 en 1336 e.v.; MvA II, Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 158; en NV II, Kamerstukken 2003/04, 28 878, nr. 5, p. 8.
In deze zin bijv. Hartkamp, conclusie voor HR 25 januari 1991, NJ 1992/172, m.nt. H.J. Snijders (Van Berkel/Tribosa), nr. 12; Schuijling, noot bij: Hof ’s-Hertogenbosch 2 februari 2010, JOR 2010/139 (Nassau Beheer/Rabobank Breda), nr. 4; Rongen 2012/928. Anders: Verdaas 2008/192-197.
HR 17 februari 2012, JOR 2012/234, m.nt. B.A. Schuijling, NJ 2012/605, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Kézér q.q.), r.o. 3.6.
HR 26 juni 1992, NJ 1993/449, m.nt. H.J. Snijders (Rabobank/Visser); en HR 8 februari 2013, JOR 2013/126, m.nt. A. Steneker, NJ 2013/123, m.nt. H.J. Snijders (Rabohypotheekbank/Donselaar).
MvT, Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 200-202. Zie ook MvT, Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 419.
HR 16 oktober 2015, JOR 2016/20, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (De Lage Landen/Van Logtestijn q.q.), onder verwijzing naar art. 132 lid 2 Fw jo. 483e Rv. In vergelijkbare zin reeds o.a. Kortmann & Faber 2001, p. 139-153; Van Hees 2000, p. 137-138; Faber 2005/429; Hof Amsterdam 4 januari 2001, JOR 2001/72; en Hof Amsterdam 13 juni 2002, JOR 2002/182, m.nt. J.J. van Hees. Anders nog: Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010/51; en Hof ’s-Hertogenbosch 16 augustus 2011, JOR 2012/329, m.nt. N.E.D. Faber (Curatoren Favini/Fortis Commercial Finance).
Vgl. HR 10 januari 1975, NJ 1976/249, m.nt. B. Wachter (Giro/Standaardfilms); en HR 27 februari 1989, NJ 1989/422, m.nt. P. van Schilfgaarde (Otex/Steenbergen q.q.).
Faber 2005/451. Vgl. ook HR 22 december 1989, NJ 1990/661, m.nt. P. van Schilfgaarde (Tiethoff q.q./NMB). Voorzichtig: Rongen 2012/951. Anders: A-G Vranken in zijn conclusie voor HR 24 maart 1995, NJ 1996/447, m.nt. H.J. Snijders (Jahn/Nask), nr. 27.
Vgl. Faber 2005/451. Hoewel de Hoge Raad in HR 16 oktober 2015, JOR 2016/20, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (De Lage Landen/Van Logtestijn q.q.) ten aanzien van art. 132 lid 2 Fw jo. 483e Rv begrippen als “rechtstreeks” en “grondslag” vermijdt, wordt uitdrukkelijk de parallel gezocht met de eis van een rechtstreekse grondslag bij verrekening tijdens faillissement op grond van art. 53 Fw en HR 10 januari 1975, NJ 1976/249, m.nt. B. Wachter (Giro/Standaardfilms). Bovendien bevestigt de Hoge Raad het eerdere arrest HR 9 juli 2004, NJ 2004/618, m.nt. P. van Schilfgaarde (Bannenberg q.q./NMB-Heller), waarin wel het begrip “rechtstreekse grondslag” wordt gebezigd.
Vgl. HR 25 februari 1932, NJ 1932/301, m.nt. P. Scholten (Ontvanger/Schermer); en HR 29 december 1933, NJ 1934/343, m.nt. P. Scholten (Fijn van Draat q.q./Crediet-Maatschappij De Nederlanden).
HR 24 oktober 1980, NJ 1981/265, m.nt. W.M. Kleijn (Solleveld II).
Zie nr. 138-143.
In deze zin ook Rongen 2012/928.
In deze zin Verdaas 2008/195 en (vermoedelijk) Van Buuren 2002, p. 11.
In vergelijkbare zin Faber 1997, p. 198-199.
– Handhaving van de status quo
203. Het grondslagvereiste fungeert als een bewuste beperking van de wetgever op de mogelijkheid om een toekomstige vordering bij voorbaat stil te cederen of verpanden. In de literatuur wordt aangenomen dat de ratio van deze beperking vooral is gelegen in de bescherming van de concurrente schuldeisers.1 Deze aanname wordt gebaseerd op de in de wetsgeschiedenis gemaakte opmerking dat een onbeperkte mogelijkheid tot stille verpanding van toekomstige vorderingen ten koste zou kunnen gaan van gewone schuldeisers die in de praktijk in belangrijke mate op derdenbeslag zijn aangewezen.2 Dat vooral de bescherming van concurrente crediteuren de achtergrond is van de grondslageis in art. 3:239 lid 1 BW wordt bovendien bevestigd door de Hoge Raad in HR 3 februari 2012, JOR 2012/200, NJ 2012/261 (Dix q.q./ING). Het is naar mijn mening maar de vraag of de bescherming van de overige crediteuren de voornaamste achtergrond is van de beperking in art. 3:239 lid 1/94 lid 3 BW. De ratio voor de beperking is in ieder geval meerledig. De grondslageis moet namelijk ook in verband worden gebracht met de wens om bij de invoering van het nieuwe vermogensrecht de continuïteit van bestaande financieringspatronen te waarborgen. Ten opzichte van de mogelijkheden om toekomstige vorderingen tot zekerheid te cederen, alsmede beslag daarop te leggen, is bij de invoering van het nieuwe vermogensrecht vooral ervoor gekozen om de status quo te handhaven.
204. De beperking van art. 3:239 lid 1 BW vindt haar aanleiding in de door het Nederlands Genootschap van Bedrijfsjuristen uitgesproken vrees dat het stil pandrecht de schuldeisers geringere zekerheid zou gaan bieden dan de toen gangbare zekerheidscessie. Eén van de concrete bezwaren van het Genootschap zag op het ontwerp voor art. 3:239 lid 4 BW. Daarin was voorzien in een bijzondere regel van derdenbescherming bij overdracht of bezwaring met vruchtgebruik van een stil verpande vordering. Mits nog geen mededeling was gedaan van het pandrecht en de verkrijger het pandrecht niet kende of behoorde te kennen, werd hij beschermd.3 Naar aanleiding van de hiervoor vermelde vrees is bij de behandeling van de invoeringswetgeving van regeringszijde de verzekering gegeven dat met het stil pandrecht praktisch hetzelfde resultaat als met zekerheidseigendom kan worden bereikt en dat bestaande financieringspatronen, ondanks de wetstechnisch andere opzet van de nieuwe regeling, onder het nieuwe recht zonder moeilijkheid kunnen worden gecontinueerd.4
Vanuit dit gezichtspunt is de regeling van het stil pandrecht bezien en waar nodig gewijzigd. Daarbij is erop gewezen dat de pandhouder in verschillende opzichten juist een sterkere positie zou krijgen dan de zekerheidseigenaar onder het oude recht. Eén van deze aspecten betrof de mogelijkheid om zekerheid te verschaffen op toekomstige vorderingen. Onder het oude recht was een zekerheidscessie bij voorbaat slechts mogelijk van toekomstige vorderingen die hun onmiddellijke grondslag vonden in een ten tijde van de cessie reeds bestaande rechtsverhouding.5 In het Gewijzigd Ontwerp van 1971 was juist ervoor gekozen om de stille verpanding van toekomstige vorderingen onbeperkt toe te staan. Het Gewijzigd Ontwerp bevatte een algemene regeling van een pandrecht dat zonder mededeling kon worden gevestigd en zonder enige beperking wat betreft de aard van de pandhouder, de verpande vorderingen of het gesecureerde krediet.6In reactie op de kritiek van het Genootschap op de voorgenomen bescherming van posterieure verkrijgers tegen een stil pandrecht is van regeringszijde opgemerkt dat het naar het oude recht onzeker was dat de fiduciaire cessionaris steeds zijn recht zou kunnen inroepen tegen een latere cessionaris of vruchtgebruiker te goeder trouw. De bescherming van latere cessionarissen en vruchtgebruikers werd vervolgens in verband gebracht met de ruime mogelijkheid om toekomstige vorderingen bij voorbaat te verpanden. Deze derden zouden niet “onbeperkt de dupe” mogen worden van een “hinderlijk” eerder gevestigd stil pandrecht op alle vorderingen. Daartegenover stond de erkenning dat de regel afbreuk deed aan de aantrekkelijkheid van het stil pandrecht op vorderingen voor de pandhouder.7 Het voorgestelde vierde lid van art. 3:239 BW is vervolgens geschrapt. Tegenover deze schrapping stond – als compensatie – een beperking van het eerste lid.8 Bij deze beperking van de stille verpanding van toekomstige vorderingen is aangehaakt bij de beperking inzake derdenbeslag op vorderingen. Deze schakeling tussen stille verpanding en beslag was weinig verrassend. De voorgenomen onbeperkte mogelijkheid tot stille verpanding van toekomstige vorderingen in het Gewijzigd Ontwerp riep namelijk ook vragen op in de verhouding tot derdenbeslag. De mogelijkheden voor (zekerheids)cessie en derdenbeslag waren onder het oude recht steeds gelijk geweest. In beide gevallen was vereist dat de vordering rechtstreeks zou worden verkregen uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding.9 Voor derdenbeslag werd deze regel gecodificeerd in art. 475 lid 1 Rv. Stille verpanding zou volgens het Gewijzigd Ontwerp echter op een ruimere schaal mogelijk worden. De wetgever heeft deze afwijkende mogelijkheden tot stille verpanding en beslag aanvankelijk verdedigd met een beroep op het verschil in karakter van beide figuren. Het oprekken van de mogelijkheden om toekomstige goederen te leveren, was – kort gezegd – nog geen goede reden om de mogelijkheden voor beslag te verruimen. Het beslagrecht huldigt namelijk het uitgangspunt dat slechts de tegenwoordige goederen van het vermogen van de schuldenaar bloot staan aan verhaal. De mogelijkheid van derdenbeslag op toekomstige vorderingen is in dat verband te zien als een beperkte uitzondering op deze regel. Daarentegen heeft het vermogensrecht de levering van toekomstige goederen juist tot uitgangspunt verheven. De tegenstelling tussen beslag en levering van toekomstige goederen is daarmee inherent aan het huidige recht.10 Voor het uiteenlopen van beslag op en levering van toekomstige goederen bestaan daarnaast goede redenen. In het bijzonder de stille verpanding van toekomstige goederen voorziet in de behoefte om krediet over een langere periode te beveiligen met zekerheidsrechten op hetgeen bij de schuldenaar voorhanden is zodra het op verhaal aankomt, zonder dat in de tussentijd de bedrijfsvoering van de pandgever nodeloos wordt beteugeld. De pandgever blijft immers vrij zijn voorraden te verhandelen, zijn machines te vervangen en zijn vorderingen te innen. De kredietgever kan zich te zijner tijd verhalen op de nieuwe voorraden, machines en vorderingen van de pandgever. Beslag strekt daarentegen tot het zo snel mogelijk nemen van verhaal op goederen van de schuldenaar, in afwachting waarvan de beslagen goederen worden geblokkeerd voor rechtshandelingen van de schuldenaar (vgl. de art. 453a lid 1, 475h lid en 505lid 2 Rv). Beslag op toekomstige goederen zou daardoor aanzienlijk ingrijpender zijn voor de schuldenaar. Het beslag zou dan gedurende een onbepaalde tijd een beletsel kunnen vormen voor het verhandelen en innen van zowel zijn tegenwoordige als toekomstige goederen. Een beslag dat mede toekomstige goederen kan omvatten, zou de bedrijfsvoering volledig kunnen blokkeren. Een beslag op toekomstige goederen past alleen bij een liquidatie van een vermogen ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers, zoals in het geval van een faillissement (vgl. art. 20 Fw). Voor individueel verhaal is een beslag op toekomstige goederen echter geen passend instrument.11
205. De mogelijkheden tot beslag en verpanding werden niettemin gelijkgeschakeld. De wetgever achtte het uiteindelijk toch gewenst om de stille verpanding van toekomstige vorderingen te beperken in overeenstemming met de beperkte mogelijkheden tot beslag. In dit kader is opgemerkt dat een onbeperkte mogelijkheid om stil pandrecht op toekomstige vorderingen te vestigen ten koste zou kunnen gaan van de gewone schuldeisers, die in de praktijk in belangrijke mate op derdenbeslag zijn aangewezen. Daarbij werd onmiddellijk opgemerkt dat de onbeperkte mogelijkheid niettemin was voorzien om de bestaande praktijk van het bijhouden van zogenoemde cessielijsten overbodig te maken. Uit overleg met het Nederlands Genootschap van Bedrijfsjuristen zou echter zijn gebleken dat dit punt als ondergeschikt werd beschouwd. Dergelijke lijsten zouden voor de banken niet overbodig worden, maar relevant blijven als een administratief hulpmiddel om te controleren welke vorderingen waren verpand.12
Aan het ontwerp voor art. 3:239 lid 1 BW werd een zinsdeel toegevoegd dat de vestiging van een stil pandrecht beperkte tot rechten die op het tijdstip van de vestiging reeds bestaan of die de pandgever rechtstreeks uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding zal verkrijgen. Daarmee werd het stelsel zoals dat onder het oud BW gold, in ere hersteld. Zowel wat betreft de beperking om toekomstige vorderingen in zekerheid te geven als wat betreft de parallel met derdenbeslag, bleef alles praktisch beschouwd bij het oude. Daarmee kwam de wetgever ook tegemoet aan de wens van het Nederlands Genootschap van Bedrijfsjuristen om geen verschuivingen in bestaande financieringspatronen in de hand te werken.13 De bestaande praktijk die bestond uit het periodiek opmaken van nieuwe akten, zou onder het nieuwe recht simpelweg kunnen worden voortgezet. De bescherming die de concurrente schuldeisers aan dit stelsel zouden kunnen ontlenen, is dan ook niet zozeer de voornaamste reden van de beperking, maar veeleer een bijvangst van het handhaven van de stand van zaken.
Bij de (her)invoering van de stille cessie in 2004 is de grondslageis uit art. 3:239 lid 1 BW onverkort overgenomen in art. 3:94 lid 3 BW. De wijziging van de regeling inzake cessie beperkte zich tot het opheffen van de discrepantie met die inzake de verpanding van vorderingen. Daarbij is de regeling op praktische gronden afgestemd op art. 3:239 BW.14 Tegen deze achtergrond was er onvoldoende reden voor de wetgever om de begrenzing ten aanzien van toekomstige vorderingen te heroverwegen.15
– Uniforme en zelfstandige maatstaf
206. De redactie van de beperking bij stille cessie (art. 3:94 lid 3 BW), stille verpanding (art. 3:239 lid 1 BW) en derdenbeslag (art. 475 lid 1 Rv) loopt parallel. De wetgever heeft hiermee uitdrukkelijk de bedoeling gehad om de beperkingen en hun betekenis op elkaar te laten aansluiten.16 Hieruit volgt dat de beperkingen ten aanzien van toekomstige vorderingen in de voornoemde artikelen op dezelfde manier moeten worden uitgelegd.17 De Hoge Raad heeft de gelijke maatstaf ten aanzien van de mogelijkheden van beslag en stille verpanding van toekomstige vorderingen bevestigd in zijn arrest van 17 februari 2012, JOR 2012/234, NJ 2012/605 (Rabobank/Kézér q.q.). Voor de betekenis van art. 3:94 lid 3 en 3:239 lid 1 BW zal daarom aansluiting moeten worden gezocht bij relevante rechtspraak inzake art. 475 lid 1 Rv.18
207. Het grondslagvereiste komt ook voor in andere delen van het beslagen executierecht. De Hoge Raad hanteert het grondslagvereiste bijvoorbeeld als begrenzing van de executoriale titel van een authentieke akte in de zin van art. 430 Rv. Zo levert een notariële (hypotheek)akte slechts een executoriale titel op ten aanzien van vorderingen die pas na het verlijden van de akte zijn ontstaan, indien deze vorderingen hun onmiddellijke grondslag vinden in een op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven rechtsverhouding.19 Het grondslagcriterium fungeert daarnaast als een beperking bij het verhaal door de executerend pand- of hypotheekhouder op de executieopbrengst. Een ten tijde van het opmaken van de staat van verdeling vooralsnog toekomstige vordering die door een pand- of hypotheekrecht is gedekt, kan in een rangregeling worden opgenomen, mits zij uit hoofde van een bestaande rechtsverhouding zal worden verkregen (art. 483e Rv). Dat de wetgever hiermee bewust een beperking heeft aangelegd, volgt uit de parlementaire geschiedenis. Het grondslagvereiste in art. 483e Rv vormt een tussenoplossing, nu een onbeperkte toelating in een rangregeling van (een reservering voor) toekomstige vorderingen die door een zekerheidsrecht zijn versterkt, zou leiden tot een moeilijk te rechtvaardigen blokkering van de executieopbrengst.20 Eenzelfde beperking geldt voor het verhaal op de executieopbrengst tijdens het faillissement van de pand- of hypotheekgever, met dien verstande dat de vordering moet voortvloeien uit een rechtsverhouding met de gefailleerde die bestond ten tijde van de faillietverklaring.21 Het grondslagcriterium speelt, als laatste voorbeeld, ook een rol bij de afbakening van de mogelijkheden om vorderingen en schulden te verrekenen die pas na de faillietverklaring zijn verkregen. Op grond van art. 53 lid 1 Fw is verrekening slechts mogelijk indien zij voortvloeien uit “handelingen, vóór de faillietverklaring met de gefailleerde verricht”. In de rechtspraak van de Hoge Raad is dit element zo opgevat dat verrekening mogelijk is van vorderingen die ten tijde van de faillietverklaring nog niet bestonden, mits zij een rechtstreekse grondslag of oorzaak hebben in een per faillissementsdatum reeds bestaande rechtsverhouding.22 Deze uitleg van art. 53 Fw komt neer op het grondslagvereiste uit onder meer art. 475 lid 1 Fw: de te verrekenen vordering en schuld dienen rechtstreeks te zijn verkregen uit een ten tijde van de faillietverklaring reeds bestaande rechtsverhouding tussen de schuldeiser en de gefailleerde.23 Gelet op de overeenkomsten in de redactie en haar beperkende strekking, ligt in de rede dat zowel bij de toepassing van de art. 430 en 483e Rv en art. 53 lid 1 Fw, als bij de toepassing van art. 475 lid 1 Rv en de art. 3:94 lid 3 en 3:239 lid 1 BW, aan het grondslagvereiste een uniforme betekenis toekomt.24 De rechtspraak of parlementaire geschiedenis ten aanzien van het grondslagvereiste bij één van deze wetsartikelen is daarom relevant voor de uitleg van het vereiste in de context van de andere bepalingen.
In het verlengde van deze opvatting meen ik dat het grondslagvereiste moet worden beschouwd als een zelfstandig vereiste. Voorheen heeft de Hoge Raad het grondslagcriterium gebruikt als een uitwerking van het vereiste dat de betrokken vordering op het tijdstip van de cessie of beslaglegging moest bestaan.25 Nadat het bestaansvereiste bij cessie is losgelaten, heeft de Hoge Raad ten aanzien van de cessie van toekomstige vorderingen het grondslagvereiste gebruikt als een invulling van de eis van voldoende bepaaldheid.26 Voor het huidige recht gaat deze benadering echter niet meer op.27 Het grondslagvereiste vormt thans een zelfstandig, beperkend criterium dat niet uit één of meer andere vereisten is afgeleid.28
– Ook relatief toekomstige vorderingen?
208. Het grondslagvereiste richt zich in de eerste plaats op vorderingen die in het geheel nog niet bestaan (absoluut toekomstige vorderingen). De toekomstige vorderingen zijn vatbaar voor cessie of verpanding bij voorbaat indien zij rechtstreeks zullen ontstaan uit een bestaande rechtsverhouding. De toekomstigheid van een vordering kan echter ook erin zijn gelegen dat zij weliswaar reeds is ontstaan, maar (vooralsnog) aan een ander toebehoort. Geldt het grondslagvereiste ook voor deze zogenoemde relatief toekomstige vorderingen? Een letterlijke lezing van de art. 3:94 lid 3 en 3:239 lid 1 BW en 475 lid 1 Rv suggereert dat het grondslagvereiste enkel van toepassing is op vorderingen die in het geheel nog niet bestaan. Immers, deze wetsbepalingen stellen het grondslagvereiste niet ten aanzien van rechten die reeds bestaan. Daaruit zou men kunnen afleiden dat het enkele bestaan van de vordering voldoende is, ongeacht of de vordering aan de cedent, pandgever of beslagdebiteur toebehoort.29 Een dergelijke interpretatie komt mij als onwaarschijnlijk voor. De eis dat de vordering rechtstreeks dient voort te vloeien uit een bestaande rechtsverhouding dient immers ter beperking van de mogelijkheden van cessie, verpanding of beslag ten aanzien van toekomstige vorderingen. De wetgever heeft bij de redactie van de relevante wetsartikelen vermoedelijk slechts oog gehad voor de absoluut toekomstige vorderingen. Daaruit volgt nog niet dat de cessie of verpanding van – of beslag op – relatief toekomstige vorderingen zonder enige beperking mogelijk is. Ik zou willen aannemen dat, anders dan uit de letterlijke tekst van de wet volgt, de beperking zich uitstrekt tot alle toekomstige vorderingen van een bepaalde persoon, ongeacht of de vordering reeds bestaat in het vermogen van een ander.30