Vgl. HR 28 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:418, rechtsoverweging 4.3.1.
HR, 10-04-2026, nr. 25/02834
ECLI:NL:HR:2026:570
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-04-2026
- Zaaknummer
25/02834
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:570, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑04‑2026; (Cassatie)
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBMNE:2025:7154
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑04‑2026
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2026041013
FutD 2026-0620
NDFR Nieuws 2026/565
NTFR 2026/696 met annotatie van L.J.V. Wall LLM MSc
V-N 2026/18.16 met annotatie van Redactie
Uitspraak 10‑04‑2026
Inhoudsindicatie
WOZ; Artikel 2:17, lid 2 (oud) Awb (thans: artikel 2:20 Awb); Bezwaarschrift per e-mail. Bewijsregels verzending/ontvangst.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/02834
Datum 10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 15 juli 2025, nr. UTR 24/5898-V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 29 januari 2025. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.W. Vugts, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. De oordelen van de Rechtbank
2.1
Voor de Rechtbank was in geschil of belanghebbende het per e-mail verzonden bezwaarschrift tegen de aan hem gegeven WOZ-beschikking tijdig heeft ingediend. De Rechtbank heeft geoordeeld dat, gelet op de gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar, het aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat de heffingsambtenaar het bezwaarschrift tijdig heeft ontvangen. Daarin is belanghebbende volgens de Rechtbank niet geslaagd met de enkele overlegging van een schermafbeelding van het e-mailbericht waarmee het bezwaarschrift is verzonden en waarop staat dat het emailbericht is verzonden en afgeleverd. De Rechtbank heeft het beroep met toepassing van artikel 8:54 Awb ongegrond verklaard.
2.2
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Rechtbank in verzet gegaan. Hij heeft daarin opnieuw gewezen op de schermafbeelding. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij geen nadere informatie of een ontvangst- of leesbevestiging kan overleggen. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat de systeembeheerder de ‘technische achterkant’ van het CRMsysteem van de gemeente heeft bekeken, maar dat die de e-mail van belanghebbende niet heeft gezien. De Rechtbank heeft in wat belanghebbende in verzet heeft aangevoerd, geen aanleiding gezien anders te oordelen dan de Rechtbank heeft gedaan in de uitspraak waarin het beroep met toepassing van artikel 8:54 Awb ongegrond is verklaard.
3. Beoordeling van de klachten
3.1
De klachten van belanghebbende komen erop neer dat hij met de overlegging van de schermafbeelding het van hem gevergde bewijs van ontvangst van het bezwaarschrift heeft geleverd en dat het hiervoor in 2.2 bedoelde oordeel van de Rechtbank daarom onjuist is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
3.2.1
Bij de beoordeling van deze klachten stelt de Hoge Raad het volgende voorop.
3.2.2
Aangezien de verzending van e-mailberichten aan een bestuursorgaan als een vorm van elektronisch berichtenverkeer moet worden aangemerkt, is op de verzending van dergelijke berichten afdeling 2.3 van de Awb van toepassing.
3.2.3
Op grond van artikel 2:17, lid 2, (oud) Awb geldt als tijdstip waarop een e-mailbericht door een bestuursorgaan is ontvangen, het tijdstip waarop dat bericht zijn systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt.
3.2.4
Indien, zoals in dit geval, een bestuursorgaan stelt een e-mailbericht niet te hebben ontvangen, is het in beginsel aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat het emailbericht op het e-mailadres van de geadresseerde is ontvangen. De verzender van het emailbericht kan daartoe in eerste instantie volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste e-mailadres. Indien de verzending aan het juiste e-mailadres aannemelijk is, rechtvaardigt dat het vermoeden van ontvangst van het e-mailbericht door de geadresseerde. Het ligt vervolgens op de weg van de geadresseerde om dit vermoeden te ontzenuwen. Daartoe is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat hij het e-mailbericht niet heeft ontvangen. Het is voldoende dat op grond van wat hij aanvoert de ontvangst van het e-mailbericht redelijkerwijs moet worden betwijfeld.1.Daartoe zal het bestuursorgaan ten minste blijk ervan moeten geven dat het heeft onderzocht of het e-mailbericht van de belanghebbende op de dag van verzending van het e-mailbericht, het in artikel 2:17, lid 2, (oud) Awb (thans: artikel 2:20 Awb) bedoelde systeem van het bestuursorgaan heeft bereikt.
3.2.5
Indien de geadresseerde erin slaagt het hiervoor in 3.2.4 vermelde vermoeden te ontzenuwen, zal de ontvangst slechts aannemelijk kunnen worden geoordeeld indien de verzender daarvan nader bewijs levert.2.
3.2.6
Indien de ontvangst niet aannemelijk wordt, ligt het op de weg van verzender – in voorkomend geval – aannemelijk te maken dat dit het gevolg is van aan de geadresseerde toe te rekenen omstandigheden.3.
3.3
Voor zover de klachten inhouden dat de hiervoor in 2.1 en 2.2 vermelde oordelen van de Rechtbank blijk geven van een onjuiste verdeling van de bewijslast, zijn zij, gelet op wat hiervoor in 3.2.4 tot en met 3.2.6 is overwogen, terecht voorgesteld. Tot cassatie kan dit echter niet leiden. Het oordeel van de Rechtbank moet in het licht van de verdere motivering van haar uitspraak zo worden begrepen dat de ontvangst van het per e-mail verzonden bezwaarschrift redelijkerwijs moet worden betwijfeld op grond van wat de heffingsambtenaar, onder meer ter zitting van de Rechtbank (zie hiervoor in 2.2), heeft aangevoerd. In dit oordeel ligt besloten dat belanghebbende, uitgaande van een juiste bewijslastverdeling als hiervoor in 3.2.4 en 3.2.5 bedoeld, niet het van hem gevergde bewijs heeft geleverd. Aldus opgevat, geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑04‑2026
Vgl. HR 28 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:418, rechtsoverweging 4.3.1.
Vgl. HR 28 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:418, rechtsoverweging 4.3.1.
Beroepschrift 10‑04‑2026
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2025.
De griffier is verhinderd om deze
uitspraak mede te ondertekenen
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
15 JUL 2025
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
legen de uitspraak over het beroep kan binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Zaaknummer 24/2035 (ECLI:NL:RBOBR:2024:6339) is de slechtste uitspraak die ik mijn elfjarige carriere heb meegemaakt. Ik heb hiervoor eerder al een klacht, wrakingsverzoek en een procesverbaal van de zitting opgevraagd, leder van deze drie voorgenoemde acties had ik nog nooit toegepast in mijn carriere. Alles werd helaas afgewezen. Met name het niet afgeven van het proces-verbaal van de zitting vind ik schrijnend.
In de uitspraak ontbreekt namelijk een heel belangrijk detail en dat is dat wij tijdens de zitting een heel relaas hebben gegeven waarom wij juist voor de gemeente Helmond geen stukken meer toesturen als zij daar om vragen. De gemeente Helmond is de gemeente die er in Nederland waarmee wij op zijn zachtst gezegd de meeste romslomp hebben ervaren. Ik heb een relaas gegeven van alles wat daar mis gaat en dat wij het helemaal zat zijn en het zelfs lijkt op bewust pesten vanuit de gemeente. Wij zijn gekke henkie niet en blijven niet dingen dubbel naar hun sturen of 10 keer om hetzelfde verzoeken etc.
Opvallend genoeg werd deze uitspraak (ECLI:NL:RBOBR:2024:6339) meer dan zes weken na dato pas gepubliceerd zodat wij geen hoger beroep meer konden instellen nadat onze goede naam onterecht werd besmeurd.
Hoe dan ook, het ECLI nummer valt dan ook niet in deze zaak te gebruiken. In de zaak ging het er namelijk niet om of ons type ontvangstbevestiging nu wel of niet goed was. De rechter heeft gezegd dat ons beroep ongegrond was omdat we hadden moeten voldoen aan eht verzoek van de gemeente Helmond om het bewijs van verzending toe te sturen in plaats van pas op zitting. Het kwam door ons procesgedrag, waarbij de rechter dus ‘vergat’ om de oorzaak die uitgebreid aan bod is gekomen tijdens de zitting, van ons terechte procesgedrag te vermelden en waarbij de rechter het ook naliet om kritische vragen te stellen aan de wederpartij tijdens de zitting. De wederpartij zei tijdens de zitting zelfs dat zij het ook erg veel vonden wat wij aan gebreken bij de gemeente Helmond hadden aangekaart en daarna ging het verbazingwekkend over iets anders.
Dan zal ik hierna ingaan op de uitspraak waar het nu om gaat. In de uitsrpaak op verzet staat het volgende ‘Dit betekent dat de bewijslast bij opposant ligt. Uit de jurisprudentie volgt ook dat een schermafbeelding waarop staat dat een e-mail is verzonden en afgeleverd als onvoldoende wordt geacht’. Vorengaande is dus sowieso een verkeerde lezing van ECLI:NL:RBOBR:2024:6339. Het klopt ook niet dat de functie in ons systeem voor een ontvangst- of leesbevestiging ontbreekt. Zoals aangegeven is er namelijk een ontvangstbevestiging overlegt. Wellicht is de Rechtbank een ontvangstbevestiging vanuit Outlook gewend omdat ze daar zelf mee werken of iets dergelijks. Wij maken gebruik van Tribe dat is een ander e-mailclient dan Microsoft Outlook, maar tevens erg gerenommeerd. Ik begrijp nog steeds niet waarom onze ontvangstbevestiging niet goed zou zijn. U ziet staan dat het is afgeleverd. Wat wordt er dan verwacht van een ontvangstbevestiging? Afgeleverd wil exact hetzelfde zeggen als ontvangen. Het is ontvangen/afgeleverd op de server van de wederpartij. Het is dus een bevestiging dat het is ontvangen door de wederpartij. Hoe kun je dit nou korter/beter omschrijven in een systeem dan ‘afgeleverd’. Het is perfect. ‘Ontvangen’ staat er als het door ons is ontvangen in ons systeem. Als het niet is ontvangen op de server van de wederpartij staat er ‘gebounced’ in ons gerenommeerde systeem. In onze bijlage op de reactie op het verweerschrift is te zien dat er staat ‘afgeleverd’.
Hieronder volgt naast het eerdere aangegeven bewijs ook nog wat extra bewijs t.o.v. de beroepsprocedure. Hier is helemaal uitgesplitst wat er exact is gebeurd. Als u wilt, kan ik ter zitting ook nog laten zien dat als je op het download knopje drukt, je ook daadwerkelijk het pro-forma bezwaarschrift te zien krijgt. Te zien is dat wij het pro-forma bezwaarschrift om 20:02 hebben verzonden (fase is aangepast naar verzonden) en op 22:27 is deze ontvangen op de server van de wederpartij (fase is aangepast naar afgeleverd).
Wij verzoeken de Rechtbank om de wederpartij te sommeren om alsnog uitspraak te doen op bezwaar onder verbeuring van een dwangsom die kan oplopen tot € 15.000.
De gemeente is verplicht om ons een dwangsom toe te kennen en deze over te maken op onze bankrekening. Volgens de wettelijke vereisten dient de gemeente binnen 14 dagen na ontvangst van de ingebrekestelling een uitspraak te doen op ons bezwaarschrift. Een dwangsom wordt verschuldigd als de gemeente niet binnen 14 dagen na ontvangst van de ingebrekestelling uitspraak doet. De dwangsom bedraagt in dit specifieke geval in totaal € 1.442, berekend over de eerste 14 dagen a € 23 per dag, de tweede 14 dagen a € 35 per dag en de derde 14 dagen a € 45 per dag. De dwangsom is hiermee opgelopen tot € 1.442. Wij hebben namelijk nog steeds geen uitspraak ontvangen op ons bezwaarschrift. Wij verzoeken u de wederpartij te veroordelen om de juiste dwangsom van € 1.442 aan ons te voldoen.
Daarnaast verzoeken wij om proceskostenvergoeding voor het bezwaarschrift tegen het dwangsombesluit en de hoorzitting in bezwaar tegen het dwangsombesluit. Tevens verzoeken wij u om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten, bestaande uit onder meer maar niet uitsluitend, het bezwaarschrift tegen de WOZ-beschikking, het horen in de bezwaarfase, het beroepschrift, de eventuele beroepszitting, reactie op het verweerschrift, verzetschrift, hoger beroep, hoger beroepszitting en alle griffierechten.