De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.3.7:6.3.7 Rol van de leraar
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.3.7
6.3.7 Rol van de leraar
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949679:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 3.21 en 3.24 van het Uitvoeringsbesluit Wvo 2020.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Sinds de jaren 20 van de vorige eeuw bestaat het eindexamen in het voortgezet onderwijs uit een combinatie van een schoolexamen en een centraal examen. Voor het schoolexamen is toen gekozen omdat niemand beter in staat is te beoordelen of een leerling over de vereiste kennis, inzicht en vaardigheden beschikt dan de leraar. Met deze keuze bevestigt de wetgever dat de leraar de vakdeskundige is. De bevoegdheid om het schoolexamen af te nemen komt evenwel formeel toe aan het bevoegd gezag. Met het van overheidswege vormgegeven centraal examen wordt bewerkstelligd dat het verstrekken van het diploma met civiel effect niet louter afhankelijk is van het oordeel van de betreffende leraar. Ook draagt het centraal examen eraan bij dat alle afgestudeerden hetzelfde minimumniveau hebben. Met de combinatie van het school- en centraal examen wordt een balans gevonden tussen vrijheid voor de leraar en het bevoegd gezag bij het samenstellen en beoordelen van het examen en het waarborgen van de kwaliteit en uniformiteit van het examen.
Bij het opstellen van het schoolexamen is het bevoegd gezag niet geheel autonoom. Het behoort zich te houden aan het examenprogramma, waarin de exameneisen globaal worden omschreven. Hoe deze eisen worden omgezet in een schoolexamen, is aan het bevoegd gezag. In het Pta legt het bevoegd gezag jaarlijks onder andere de inhoud van het schoolexamen vast. Het eindexamen, dus zowel het schoolexamen als het centraal examen, wordt afgenomen door de directeur of rector én de examinatoren. Examinatoren kunnen de conrector, adjunct-directeur, leden van de centrale directie en leraren van de school zijn.1 Aangenomen kan worden dat dit doorgaans de leraren zijn. Zij dienen zich te houden aan de exameneisen en het Pta; verder hebben de leraren autonomie om zelf te bepalen hoe het schoolexamen wordt beoordeeld.
Het centraal examen wordt, in tegenstelling tot het schoolexamen, geheel van overheidswege opgesteld. Ten aanzien van het centraal examen is bepaald dat dit eerst wordt beoordeeld door een examinator van de betreffende school.2 Dit zal doorgaans de leraar zijn die ook lesgeeft in dat vak. Nadat de examinator van de betreffende school het centraal examen heeft beoordeeld, wordt dit examen nogmaals beoordeeld door de gecommitteerde. Een gecommitteerde is een leraar van een andere school. De leraar van de betreffende school kan het examen dus niet geheel zelf beoordelen. Ook heeft hij zich te houden aan het beoordelingsmodel. Doordat de leraar is gebonden aan een beoordelingsmodel dat van overheidswege is opgesteld, is de beoordelingsvrijheid van de leraar beperkt. Deze beoordelingsvrijheid wordt verder beperkt doordat de beoordeling plaats moet vinden in samenspraak met een gecommitteerde.
Het eindexamen als geheel wordt gevormd door zowel het school- als het centraal examen, de uitslag hiervan wordt door het bevoegd gezag vastgesteld. Het bevoegd gezag heeft hierin geen eigen beoordelingsruimte, hij dient de uitslag van het eindexamen vast te stellen aan de hand van de cijfers voor het school- en centraal examen. De eerdere beoordeling van de leraar, en in het geval van het centraal examen mede dat van de gecommitteerde, is dan ook leidend bij het bepalen van de uitslag van het eindexamen.