Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/5.1:5.1 Inleiding
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/5.1
5.1 Inleiding
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973626:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593, NJ 2017/163 (Far Trading/Edco Eindhoven), r.o. 5.6.1 en 5.6.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk ga ik in op de toepassingsvereisten van zowel rechtsverwerking als de wettelijke klachtplichten van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW. De bevindingen uit de vorige hoofdstukken roepen een aantal vragen op over bepaalde aspecten van de toepassing van het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten. Ik zal die vragen in de navolgende paragrafen behandelen.
Op de eerste plaats constateerde ik in par. 2.4.2-2.4.3 hiervoor dat het fenomeen Obliegenheit vooral een rol speelt in situaties waarin het redelijk wordt gevonden om een specifiek nadeel, dat is veroorzaakt door inconsistent gedrag van de schuldeiser, op te heffen voor zover het onaanvaardbaar is om de consequenties van dat gedrag voor rekening van de schuldenaar te laten (proportionaliteit). Weliswaar legitimeert ook het beginsel dat gerechtvaardigd vertrouwen moet worden beschermd het bestaan van Obliegenheiten, maar ik constateerde dat ook in dat verband de vraag of de schuldenaar nadeel ondervindt van inconsistent schuldeisersgedrag een rol lijkt te moeten spelen. Voor rechtsverwerking geldt echter op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat alleen gerechtvaardigd vertrouwen dat de schuldeiser zijn recht niet meer geldend zal maken, voldoende kan zijn om de vordering uit handen van de schuldeiser te slaan. In par. 5.2 hierna bespreek ik de vraag of deze rechtsregel, zowel vanuit een Obliegenheit-perspectief als vanuit het perspectief van de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid, juist en wenselijk is.
Op de tweede plaats houd ik de onderzoeksplicht en de klachttermijn bij art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW tegen het licht. Een van de bevindingen uit hoofdstuk 3, over de verhouding tussen verjaring enerzijds en rechtsverwerking en de klachtplichten anderzijds, was dat over de band van een geobjectiveerd aanvangsmoment van de klachttermijn (door het aannemen van een onderzoeksplicht) soms klachtplichtberoepen worden gehonoreerd, waardoor het verjaringsrecht de pas wordt afgesneden. Dat vormt reden om de vereisten voor het aannemen van een onderzoeksplicht op deze plaats kritisch te onderzoeken. Dat doe ik in par. 5.3 hierna. Verder bekijk ik de toepassingsregels voor het bepalen van de klachttermijn. De Hoge Raad sleutelt in zijn rechtspraaklijn over art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW vooral aan de klachttermijn om de scherpe randjes van deze klachtplichten af te slijpen. Zou het anders kunnen? Ook op die vragen ga ik in par. 5.3 hierna in.
Op de derde plaats onderzoek ik of bij de wettelijke klachtplichten vastgehouden moet worden aan rechtsverval als sanctie op overschrijding van de klachttermijn. De Hoge Raad gaat expliciet uit van rechtsverval.1 Dit terwijl juist de gestrengheid van deze sanctie een belangrijke reden vormt voor het anti-klachtplichtsentiment in de literatuur en de mitigerende jurisprudentie van de Hoge Raad. Het is de vraag of de wet en de wetsgeschiedenis daar ruimte voor bieden. Ik bespreek deze vraag in par. 5.4 hierna.